2731

Vandalen (Vandilii) (ca. 50 - 400)

Van de vroegste geschiedenis van de Vandalen is zeer weinig bekend. Waarschijnlijk waren oorspronkelijk afkomstig uit Zuid-Scandinavië (Jutland) en waren zij taalkundig nauw verwant met de Goten (Gauti), de Bourgondiërs (Burgundi) en de Longobarden en worden zij gerekend tot tot de Oost-Germanen. In de vijfde eeuw v.o.j. trokken zij naar het dal van de Oder. 

Voor het eerst wordt van hen melding gemaakt door de Romeinse geschiedschrijver  Tacitus (55 - 116/120 n. Chr.) in zijn werk De origine et situ Germanorum, een veelzijdige beschrijving van land en volk der Germanen, dat geheel gebaseerd was op geschreven en mondelinge bronnen. De Vandalen bewoonden toen het gebied tussen de Elbe en Vistula.

In de 2e eeuw na. Chr. (omstreeks 150 n. Chr.) migreerden zij met de Goten en de Gepiden zuidwaarts van het Baltische gebied via het Polen en het oosten van Duitsland naar het midden van Europa.

Ten tijde van de Marcomannenoorlog (166-181) bewoonden zij het gebied in het huidige Silezië (de ca. 140 km brede strook aan weerszijden van de boven- en middenloop van de Oder, dat nu voor drie kwart op Pools grondgebied ligt en voor bijna een kwart op (Oost-) Duits grondgebied ligt).

  Omstreeks 230 splitsten de Vandalen zich in twee volkeren: de Siling Vandalen en de Asding Vandalen

De Siling Vandalen bleven wonen in Silezië. De Asding Vandalen vestigden zich in de Theiss-vlakte en het huidige Slowakije. 

De Sueven (latere Alamannen) verdreven zij toen naar het Zuidwest-Duitsland, naar het gebied tussen de Rijn en de Donau. 

Tijdens de opstand van generaal  Aurelianus tegen keizer Quintilius en(270) vielen de Vandalen samen met hun bondgenoten de Sarmaten het Boven-Rijn gebied binnen. Nadat Aurelianus Quintilius had afgezet, joeg hij de Vandalen en Alamannen terug over de Rijn en de Donau en versterkte  de grens langs de middenloop van de Donau om de Germaanse invallers te verhinderen het rijk opnieuw binnen te vallen. Zijn opvolger Probus (276-283) trok met zijn legioenen op tegen de Salische Franken, Bourgondiërs en Vandalen en had daarbij blijkbaar zoveel succes, dat hij voorstelde het leger te ontbinden. Vervolgens werd hij door zijn Pretorianen vermoord. In de jaren daarna nam de druk van de Germaanse volkeren toe tijdens het zwakke bewind Probus' opvolgers. Keizer Diocletianus (284-305) en zijn medekeizer (augustus) Maximianus versloegen in 291 een alliantie van Vandalen en Gepiden en herstelden de Romeinse versterkingen.

In 330 kregen de Vandalen door keizer Constantijn de Grote een gebied toegewezen in Pannonia aan de rechteroever van de Donau. Tijdens het bewind van keizer Valens (328-375), de keizer van de oostelijke helft van het Romeinse Rijk, bekeerden de Vandalen zich tot het Ariaanse Christendom, dat gepredikt werd door Wulfila, die in 341 in Constantinopel tot bisschop van de Gotische christenen was gewijd en een groot deel van de Bijbel (zonder het Oude testament)  in het Gotisch had vertaald. Die bekering moet in de jaren zestig van de vierde eeuw hebben plaatsgevonden.

Vandalen (400 - 408)

laatst bijgewerkt: 09-09-02

colofon