2710

Goten (Gauti) (100 - 300 n. Chr.)

Europa (1e eeuw n. Chr.)

Toen aan het eind van de 1e eeuw na Chr. Tacitus een beschrijving gaf van Germanië, maakte hij vluchtig melding van een stam, de Goten (Gothen) of Gauti
. Zij vormden een losse federatie van Oost-Germaanse nomaden dat een gebied bewoonde aan de Baltische kust aan de benedenloop van de Vistula. Zij leefden onder de strikte heerschappij van koningen. Oorspronkelijk was dit volk afkomstig uit Scandinavië. De naam "Goten" hangt bijvoorbeeld samen met de naam van het Zweedse eiland Gotland. De Goten zelf zeiden dat zij uit Gothiscandza kwamen, nu Zuid-Scandinavië. Volgens Jordanes kwamen de Goten uit Scandza (Scandinavië). Götar (Gautos, Geatas) worden gesitueerd in de Zweeds streken Östergötland en Västergötland, maar deze provincies hebben niets van doen met de Goten. Gutar (Gutones) ligt op het eiland Gotland Island. De taal die er wordt gesproken (Gotlands) wijkt sterk af van het Zweeds dat op het vasteland wordt gesproken. Ook op Fårö (Shapeneiland) wordt het Gotlands gesproken. Er zijn indicaties dan de Goten handel dreven met de Gautos (of met de Heruli), maar er zijn geen aanwijzingen dat zij handel dreven met de Gutones.
Volgens de legende verhuisden ze massaal, ten gevolge van overbevolking naar het huidige Polen tussen de oder en de Weichsel. Dit was lang hun thuisland. Helaas bestaat er geen archeologisch bewijs voor deze legende.  Het Gotisch behoort nu tot de nu uitgestorven Oost-Germaanse taalgroep, die nauw aan de Scandinavische talen verwant is. In het begin van de derde eeuw trokken de Goten dwars door Oost-Europa om zich aan de noordkant van de Zwarte Zee (in de tegenwoordige Oekraïne) te vestigen, het land dat in de Oudheid gekend was als Scythia

Hierdoor kwamen hun buren, de Sarmaten, in de verdrukking. In het nieuwe woongebied van de Goten woonde reeds een zeer heterogene bevolking. De Goten hebben zich zeker vermengd met deze mensen om een volk voort te brengen dat verre van heterogeen was. In het midden van de derde eeuw waren zij uitgegroeid tot een formidabele machtseenheid, wat blijkt uit de Romeinse berichten uit die tijd.

In 238 overschreden horden Goten de Donaugrens en brandschatten Thracië en Macedonië. Het duurde niet lang of de Goten vonden hun weg in de rangen van het keizerlijke leger. Er zou zelfs een officieel contract hebben bestaan met keizer Gordianus lll. Die voorkwam een tweede invasie in 250. De Goten werden toen aangevoerd door hun koning Kniva (Kniwa), die eveneens krijgers van andere stammen, waaronder de Vandalen en ook een aantal Romeinse deserteurs onder zijn hoede had.

Kniva leidde zijn leger naar Philippopolis (Plovdiv in Bulgarije). De stad werd geplunderd en naar men zei, werden 100.000 van haar inwoners door de Goten afgeslacht. Daarna overwonnen de Goten bij Abrittus aan de zuidkust van de Zwarte Zee  een Romeins leger. Keizer Trajanus Decius werd in deze strijd vermoord (251) - een dood die kennelijk was verhaast door het verraad van Trebonianus Gallus, zijn commandant in Beneden-Moesië.

Verdere invallen, ook van op zee, volgden. Deze bereikten hun hoogtepunt met de inname van Trebizonde. Een massale invasie van de Romeinse provincie Asia Minor volgde en dat leidde tot de aankoop van een grote buit en vele slaven, die bijgedragen zouden hebben tot de bekering van de Goten tot het Ariaanse Christendom

Het probleem met de Goten was nu zo groot dat er voor keizer Trebonianus Gallus (251-253) niets anders op zat dan met hen overeen te komen hen een jaarlijks bedrag te betalen. 

Tijdens het bewind van keizer Publius Lucinus Valerianus (253-260) viel de Dacië in handen van de Goten.   

In 262 drongen de Goten onder hun koning Cannabaudes en andere Germaanse stammen (Heruli) tot ver in Griekenland door. Athene viel ten prooi aan troepen plunderaars en In Asia Minor werden de beroemde Artemistempel en Celsus Bibliotheek in Efeze leeggeroofd en vernield. Vijf jaar later (267) verschenen zij opnieuw, overal dood en verderf verbreidend. 

In de nu volgende jaren kwam er een ware volksverhuizing van Germanen uit de Donaulanden het Romeinse gebied binnen. Meer dan 300.000 strijdbare mannen trokken met hun vrouwen en kinderen, huisraad en vee de rivier over. Daarop splitsten zij zich in twee groepen, waarvan de een naar Macedonië en Griekenland trok, en de andere, de grootste, door Maesië (het tegenwoordige Servië en Bulgarije). Het was niet meer alleen een plundertocht; een heel volk zocht nieuwe woonplaatsen. 

In 269 bracht keizer Claudius Gothicus (268-270) de langverbeide vrede voor de Donau-provincies door bij Naissus (het tegenwoordige Nisj in Servië) de Goten een verpletterende nederlaag toe te brengen. Het was een van de bloedigste slagen die door de Romeinen ooit werd geleverd. 50.000 Germanen sneuvelden. In deze strijd werd ook de Gotische koning Cannabaudes gedood. Ook ter zee werden de vijanden vrijwel vernietigd. Het zou lang duren voordat de Goten zich weer zouden hebben hersteld.  

De nederlaag van de Goten bracht een grote verandering teweeg in het machtsevenwicht  in Oost-Europa. De verschijning van de Gepiden om om het vacuüm op te vullen, maakte een ware scheiding tussen de Tervingi-groep van de Goten ten westen van de Dnjestr en de Greutingi-groep ten oosten van de Zee van Azov. 

De voortdurende moeilijkheden met de Germanen deden keizer Aurelianus (270-275) besluiten de Goten tegemoet te komen in hun behoefte aan nieuw vruchtbaar land voor hun snel groeiende bevolking en stond hun in 275 toe, zich in de provincie Dacië te vestigen.

Visigoten (300 - 718); Ostrogoten (300 - 552)

laatst bijgewerkt: 15-04-06

Colofon