2652 |
Vandalen (Vandalii) (400 - 408 n. Chr.) |
![]() In het begin van de vijfde eeuw begonnen - achtervolgd door de Hunnen - de Asding en Siling Vandalen en andere Germaanse stammen als de Suebi, Alamannen en Bourgondiërs en de niet-Germaanse Alanen uit het Kaukasusgebied in beweging te komen. In 401 staken de Vandalen, gebruikmakend van de onenigheid tussen beide helften van het Romeinse Rijk, met de Alanen en de Sueben over naar Noricum, de provincie ten zuiden van de Donau (Oostenrijk) en Raetia (Zuid-Beieren; Tirol en Zuid-Oost Zwitserland, maar hun aanval werd afgeslagen door de Romeinse opperbevelhebber
De Romeinse Generaal Stilicho voerde uitgebreid campagne tegen de opstandelingen en versloeg Godigisel in Raetië in 401, waarna deze met zijn volk en de Alanen verder noordwaarts trok. In het gebied van wat nu Zuid-Duitsland is, aangekomen troffen zij hun stamverwanten de Silingen die zich bij het volk van Godigisel aansloten. Sinds 401 werd de Rijngrens nauwelijks meer verdedigd. De Romeinse opperbevelhebber (magister militium) In hetzelfde jaar, tijdens de strenge winter van 406-407 stond
Nadat de Vandalen, Alanen en Sueven door de verdediging waren heen gebroken, trokken honderdduizenden barbaren Gallië binnen op zoek naar nieuwe akkers, verse weiden en goede jachtgebieden. Ze plunderden de stad Trier en namen vervolgens de stad Boulogne in. Daarna bonden de Vandalen de strijd aan met de Franken. Vervolgens baanden de Vandalen, Alanen en Sueben zich al plunderend een weg door Gallië. De Romeinen waren door de opstand van Constantijn lll in Brittannië en uit angst voor nieuwe Germaanse invasies in Italië niet in staat de barbaarse invallers uit Gallië te verdrijven. Het enige wat zij konden doen was de Siling Vandalen de status aan te bieden van "hospitalitas" als "gasten" van de Gallo-Romeinse landeigenaren in Noord-West Gallië, die gedwongen werden 2/3 van hun graanoogst aan de Vandalen af te staan. Laatst bijgewerkt: 09-09-03 |