2633

Marcomannen en Quadi (8 v. Chr. - ca. 200)

Oost-Europa (100 - 200 n, Chr.)

De naam Marcomannen (Lat. Marcomanni) betekent letterlijk: aan de mark (grens) wonende mannen. In de eerste eeuw voor Chr. woonden deze West-Germaanse stammen in het gebied van de Main. De Marcomannen behoorden evenals de aan hen verwante Quadi en Hermunduri en Alamannen tot de Sueben, die zich vanaf ca. 600 v. Chr. vanuit hun woongebied aan de Elbe over Germanië verspreidden.

Omstreeks 8 voor Chr. bracht hun koning Marbod (Maroboduus) hen naar Bohemen, waar zij met andere Germaanse stammen een machtig rijk vormden. Het door de Marcomannen verlaten gebied werd door de Romeinse opperbevelhebber Lucius Domitius Ahenobarbus toegewzen aan de Hermunduri. Deze stam waren onderdanig aan koning Marbod.

In 6 na Chr. wist Marbod zich tegen een Romeinse invasie onder Tiberius te handhaven.  

In 17 ontstond er een oorlog tussen hem en de Cherusker Arminius, waarbij de Longobarden en de Semnonen zich van Marbod afscheidden. Deze trok na een onbesliste slag naar zijn rijk terug. De Goot Catualda ()Katvald), die voorheen voor de overmacht van Marbod had moeten wijken, nam wraak en noodzaakte hem in 19 naar de Romeinen te vluchten. Tiberius wees hem Ravenna als verblijfplaats aan.

  Catualda werd opgevolgd door Vannius (? - 50 n. Chr.).

In latere jaren waren de Marcomannen een bedreiging voor het Romeinse Rijk, vooral tijdens de Marcomannenoorlog (166-180) tijdens het bewind van Marcus Aurelius.

In 166 n. Chr. deden de Marcomannen en Quadi, opgejaagd door hun agressieve buren uit het oosten, de Alanen, een inval in de provincie Pannonia (nu Hongarije) en vroegen daar vergunning om er zich te vestigen. 

Romes reactie bestond uit een botte weigering en een snelle veldtocht waarin ze werden teruggedreven. 
Het leek een storm in een glas water, maar kort daarop (167), onder keizer Marcus Aurelius, trok plotseling op nieuw een grote horde barbaren, waaronder Marcomannen, Quadi en Lazygen over de grens. 

Zodra deze door de Romeinse versterkingen heen waren, lag het land voor hen open. De Romeinse burgers stonden machteloos. In geen 270 jaar hadden zij een buitenlandse vijand binnen hun landsgrenzen gezien en bovendien hadden de Romeinen de verdediging geheel overgelaten aan een leger beroepssoldaten

Enkele vijandelijke troepen drongen helemaal door tot aan Acquileia - gevaarlijk dicht bij het hart van Italië. Marcus Aurelius slaagde erin de barbaren te verslaan (180) en trad daarbij zeer onmeedogend op (z. ook Romeinse oorlogvoering). Duizenden Marcomannen en Quaden werden gedood, als gijzelaars meegevoerd of tot slaaf gemaakt - vaak door Germanen die voor Rome vochten. Toen hun kracht was gebroken, werden de Marcomannen, de Quaden en andere verslagen stammen over de Donau getransporteerd. Grote aantallen van hun bezittingen beroofde Marcomannen en Sarmatiërs werden op transport gesteld, deels om dienst te nemen in de hulptroepen, deels om in de noordelijke provincies kolonies te vormen. 
De Marcomannen die dit lot bespaard bleef trokken naar het gebied van de Keltische Boii en breidden hun gebied daarna nog uit over Beieren. Zij bleven de Romeinen ook later nog lastig vallen, schonden overeenkomsten en hielpen andere barbaren die het Rijk bevochten. Zij werden voortaan aangeduid met Bajuwaren (Baiuoarii of Boiarii), waarvan later de naam Bavaria (Beieren) is afgeleid. 

De Quaden trokken volgens Paulus Diaconus' Historia Romanorum mee met de Hunnen onder Attila. Volgens de Gotica van Jordanes zijn de resten van deze stam opgegaan in de Ostrogoten.

 

 

Links: Marcus Aurelius in zijn quadriga op weg naar zijn overwinning op de Marcomannen, Quadi en Lazygen.

laatst bijgewerkt: 16-09-07

colofon