6242

Hertogdom Brabant (1267-1294)

Hertogdom Brabant (1235 - 1267)

Jan l van Brabant (1267 - 1294) Hertog van Brabant

In de tweede helft van de 13e eeuw werd hertog Jan l van Brabant (1252 - 1294) de belangrijkste en machtigste vorst van heel Neder-Lotharingen, zoals het gebied van de lage landen nog steeds officieel heette. Hij was ook een van de meest bewonderde ridders van zijn tijd. Hij schitterde op toernooien, was een toonbeeld van ridderdeugd en was kruisvaarder in de strijd tegen de Moren in Spanje en in zijn eigen land maakte hij een einde aan de strooptochten van de roofridders. De hertog van Limburg erkende hem als leenheer voor een deel van zijn gebieden en ook de markgraaf van Namen erkende Jan van Brabant als leenheer voor een deel van zijn bezit. (in 1263 verkocht hij echter zijn bezit aan de graaf van Vlaanderen) Mechelen, dat steeds een Luikse enclave in Brabant was geweest, kreeg de Jan van Brabant in pand van de Bisschop van Luik. Hertog Jan maakte zich ook meester van de stad Tiel en maakte aanspraken op de stad Dordrecht. Dat bracht hem in oorlog met Holland en hertog Reinoud l van Gelre

In de slag bij Woeringen (1288) behaalde hertog Jan een schitterende overwinning. Maastricht, dat in het bezit van graaf Reinald l van Gelre was gekomen, werd een Brabantse stad. Hertog Jan heeft ook geprobeerd zich meester te maken van het graafschap Loon, maar daarmee had hij weinig succes. 

Onder hertog Jan I verdrong Brussel meer en meer Leuven als hoofdstad van het hertogdom Brabant. Na zijn overwinning in de de slag van Woeringen beheerste Brabant voortaan de handelsweg Brugge-Keulen. Brussel was toen al groter dan Leuven. De stad bleef tijdens de dertiende eeuw in omvang toenemen omdat de buitenwijken (zoals Sint-Joost-ten-Node, Molenbeek, Opbrussel) onder het gezag van de stad kwamen.

Hertog Jan was een man vol tegenspraken. Hij was een poëtische minnaar (hij heeft een aantal mooie liefdesgedichten geschreven), maar tegelijk was hij ook een ruige oorlogsvoerder. Jan was een verstandig bestuurder en heeft besluiten genomen die het dagelijks leven in Brabant zeer ten goede kwamen. Tegelijk was hij een Bourgondisch levensgenieter. Hij leefde schuimend en luidruchtig hongerend en dorstend naar meer. Het was alsof hij haast had. Hij leefde inderdaad kort, van 1252 tot 1294, wat niet ongewoon was voor die tijd. Toen hertog Jan op zijn tweeënveertigste overleed was hij al tweemaal weduwnaar. Hij had veel kinderen, vooral buiten het huwelijk. 

Jan van Brabant woonde in het kasteel bij de Brabantse stad Leuven. Ofschoon men daar in die tijd geen stromend water, sanitair en centrale verwarming had, had men er wel een eigen smederij, paardenfokkerij, timmermanswerkplaats, bakkerij en zelfs een bierbrouwerij. Water was vaak van slechte kwaliteit en door het koken tijdens het brouwproces was het bier een zuivere drank waar iedereen dagelijks op was aangewezen. De avontuurlijke Jan had een bevoorrecht bestaan en was de lieveling van zijn moeder Aleidis van Bourgondië. Toch was hij niet de troonopvolger van zijn vader, hertog Hendrik III, de niet al te sterke vorst van Brabant. 

Het hertogdom was toentertijd veel groter dan de huidige Nederlandse provincie; het omvatte grote delen van Limburg en de Betuwe en liep in België door tot bijna aan de Franse grens. Door het gebied liepen belangrijke, maar vaak onveilige, handelsroutes waaronder die van Brugge naar Keulen. 

Toen in 1261 zijn vader overleed verkeerde Brabant in een crisis. Buiten Brabant lagen Gelre en Limburg op de loer, maar moeder Aleidis, die inzag dat haar oudste zwakzinnige zoon, Hendrik IV, niet erg geschikt was om de troon op te volgen, redde Brabant door verschillende partijen tegen elkaar uit te spelen. Op aanraden van Walter Berthout, de heer van Mechelen, sloot ze een schijnbare vrede met de bisschop van Luik en de graaf van Gelre die beiden reeds op haar grondgebied waren doorgedrongen. Aleidis besloot dat Jan de troon zou gaan opvolgen en zodoende ontving hij een veelzijdige en gedegen opleiding in Brussel. Daar werd hij ingewijd in alle aspecten van de krijgskunde en tevens leerde hij lezen en schrijven en werd hij ingewijd in de kennis van het Latijn en Frans. Jan van Heelu werd de heraut en een goede vriend van de toekomstige hertog. 

In 1267 werd Jan, op vijftienjarige leeftijd officieel uitgeroepen tot hertog van Brabant. Een groot aantal vertegenwoordigers van de kerkelijke overheid, van steden en van adel waren aanwezig bij het historische feit in de abdij van Kortweg. De Duitse Keizer bekrachtigde korte tijd later de hertogelijke titel. Drie jaar later, in 1270, trad hertog Jan in het huwelijk met Margaretha, de dochter van de Franse koning Louis IX (de Heilige). Het ging hierbij niet om liefde, maar het was een politiek huwelijk. Reeds in 1255 was aan de Franse koning al een bruidsschat voor Margaretha betaald, die in eerste instantie was voorbestemd voor Jans zwakzinnige broer.

In die tijd was het niet ongewoon wanneer een weduwnaar spoedig hertrouwde. Toen Margaretha in 1271 overleed in het kraambed, zonder kinderen na te laten, was de hertog negentien jaar. Zijn moeder Aleidis adviseerde haar zoon achter de schermen nog steeds in vele zaken en was daardoor misschien wel de belangrijkste vrouw in zijn leven. Van zijn omgang met Frederique was nagenoeg niemand op de hoogte. Zij was de dochter van de Bourgondische bierbrouwer Pierre Robulait die na de dood van zijn vrouw werd benoemd tot brouwmeester aan het hof. Zijn dochter Frederique kreeg werk in de keuken. Aan vrouwen had de jonge Hertog geen gebrek. Frederique was niet het enige aardige meisje in zijn volle dagen en nachten. Janneke Pijlijser (1253-1297) was een eenvoudige boerendochter. Toch was zij de enige vrouw waaraan Hertog Jan van Brabant ooit op recht zijn hart verloren heeft. 

Pas in 1273 stelde Aleidis Jan voor aan Margaretha van Vlaanderen, de dochter van Gwijde van Dampierre, de erfopvolger van het graafschap Vlaanderen. Enkele maanden na het huwelijk overleed Jans moeder. Het huwelijk met zijn nieuwe Margaretha mocht goed zijn, maar Jan bleef een vitale heer vol tegenspraak. Thuis in Brussel zat hij niet alleen met zijn echtgenote, maar ook met vele onwettige kinderen, die hij in huis had genomen. Want deze kinderen waren hem even lief als de anderen. De namen van sommigen zijn bekend; Margaretha van Tervueren, Jan Meeuwse, Jan Pijlijser, Hanneke van Mechelen en Jan van der Plast. De naam Roboulait is daar niet bij. Frederique was wel het hoofd van de kasteelkeuken in Brussel en haar vader brouwde het steeds populairder wordende hopbier. Na de dood van Margaretha in 1285 besloot Jan nooit meer in het huwelijk te treden. Want de enige vrouw waar hertog Jan wel zijn hele leven hartstochtelijk en intens verliefd op was, was tegelijkertijd de meest onbereikbare. De vurige, rossige Janneke Pijlijser was immers van te lage komaf en maakte een huwelijk uitgesloten. Deze heimelijke passie bracht hij tot uiting in talloze door hem geschreven minnedichten die hij aan haar opdroeg. Een passie bovendien die Jan zijn hele leven achtervolgde.

Oorlog tegen de koning van Aragon
In 1285 trok hertog Jan op verzoek van zijn zwager, de Franse koning Filips lll (hij was getrouwd met Jans zuster Maria), ten strijde tegen koning Pedro lll van Aragon Samen met Robert ll, de hertog van Bourgondië alsmede de graven van Holland (Floris V) , Vlaanderen (Gwijde van Dampierre) en Picardi snelde hij de Franse koning te hulp. Meer dan negentig oorlogsschepen begeleidden de landoperatie waaraan meer dan twintigduizend ridders en een kleine honderdduizend soldaten deelnamen. Na de inname van de vesting Gerona bleef men steken in de ongezonde stad. Door hitte en ziekten stierven vele edelen en soldaten. Hertog Jan kwam zeer verzwakt en bijgestaan door zijn heraut Jan van Heelu ten slotte terug aan het Franse hof in Parijs alwaar hij geridderd werd. 

Strijd om Limburg
Drie jaar trad hertog Jan opnieuw ten strijde. Nadat de Limburgse hertogin Irmgard in 1283 kinderloos was gestorven verkeerde het hertogdom Limburg, dat toen ver doorliep in het tegenwoordige Duitsland, in een crisis. Haar echtgenoot, Reinoud van Gelre, dacht eenvoudig aanspraak te kunnen maken op het erfgoed, maar ook hertog Jan had destijds rechten gekocht van een oom van Irmgard. De handelsroutes door Limburg waren zeer belangrijk en aan de Rijn bij Worringen, een plaats vijftien kilometer ten noorden van Keulen dat destijds Wringen heette, stond een tolhuis. Aartsbisschop Siegfried van Keulen had deze tol ingesteld en maakte door de hoge gelden het varen over de Rijn bijna onbetaalbaar. De aartsbisschop was bezig een verbond te sluiten met Reinoud van Gelre en graaf Hendrik van Luxemburg. Hertog Jan vormde vervolgens een coalitie met de graven van Berg, Jlich en Loon. 

In 1288 drongen de gemeenschappelijke strijdmachten door in de vijandelijke landstreek van Siegfried. Hertog Jan ging zelf voorop in de strijd, met rugdekking en gesteund aan de flanken. De slag bij Worringen wordt later ook beschreven als de laatste echte ridderslag. Met een enorme overmacht vielen Siegfried en bondgenoten in de vroege zaterdagmorgen op 5 juni aan. Geholpen door de in grote getale opgekomen strijdlustige inwoners van Keulen won Hertog Jan deze fantastische veldslag nog voor de avond. Siegfried en Reinoud van Gelre bevonden zich toen al in de gevangenis en Hendrik van Luxemburg was gesneuveld. Keulen had zich een nieuwe handelsvrijheid verworven en vijf eeuwen lang zouden de gewesten Limburg en Brabant gezamelijk door de geschiedenis gaan.

Hertog Jan als toernooiheld
De oorlog was zijn spel en zijn dodelijkste ernst. Naast de vele oorlogen die hij voerde nam Hertog Jan ook deel aan vele toernooien. Overal in Europa lagen destijds grote sportterreinen met tribunes. Op deze toernooivelden werden de oorlogen nagebootst als een soort oefenfeest. Het toernooi was in de regel enkel toegankelijk voor de adel en zijn aanhang, voor bisschoppen, belangrijke priesters, prelaten en de hogere burgerij. Vanwege het ontduiken van kerkelijke verboden en spelverruwing raakten de toernooispelen steeds meer in verval, maar Hertog Jan maakte er een taak van om het tij te keren. Hij organiseerde uitstekend gereglementeerde wedstrijden, die de goede naam van het ridderschap moesten waarmaken. In 1279 organiseerde de hertog een fantastisch steekspel buiten de muren van het koninklijk kasteel Windsor in Engeland. De inzet was het verkrijgen van een koninklijk bruidje voor zijn zoon Jan II. 

In 72 ruwe toernooien speelde hertog Jan met zijn leven. Hij won ze allemaal. Behalve het laatste toernooi; daarin werd hij op 42 jarige leeftijd voorgoed geveld. 

In de buurt van Antwerpen bij het stadje Bar organiseerde de hertog ter ere van het huwelijk van zijn vriend, de heer van Bar, een groot toernooi. Velen wilden zich in een steekspel meten met de grote toernooiveld, maar Jan liet zijn keuze vallen op slechts een beroemde ridder, Pierre des Bausmes. Na twee ronden gingen de strijders met zo'n grote kracht op elkaar af dat zij beide ter aarde stortten. De hertog was het zwaarst gewond. De leren riem van zijn pantserhandschoen was doorboord door de lans van zijn tegenstander en veroorzaakte een hevig bloedende wond. In zijn tijdelijke verblijf kon hij nog biechten en afscheid nemen van zijn vrienden en stierf in de avond. Van zijn graf in de kerk der Minderbroeders te Leuven is helaas na de beeldenstorm van de zestiende eeuw niets meer over. Toch leeft de geest van Hertog Jan nog schuimend voort.

Met zijn overwinning schiep hij voor lange tijd een kostbaar evenwicht in een groot deel van West-Europa. Veel historici eren hem daarom. De overwinning in de ingewikkelde veldslag in Worringen aan de Rijn wordt gezien als zijn grootste daad. Literatuurkenners beminnen hem om zijn poëzie. In de sport roemt men Hertog Jan om zijn vaardigheid met steekwapens. Sommigen zijn gefascineerd om zijn levenslange vriendschappen met vooral de heraut en dichter Jan van Heelu, die hem in een lang vers heeft bezongen. Brouwers verheffen Hertog Jan hoog in hun vaandel om zijn dorst en zijn liefde voor goede bieren. Schrijvers worden door hem aangetrokken om zijn paradoxale levenswandel en omdat zijn biografische gegevens veel ruimte laten voor fantasie.

De middeleeuwse vorsten traden blijkbaar niet alleen op als mecenas voor hoofse dichters, soms namen ze zelf de ganzenveer ter hand om een aantrekkelijk meiliedje te schrijven. Aan hertog Jan worden negen Dietse minneliederen toegeschreven, die overgeleverd werden in Duitse handschriften. Slechts vijf zouden oorspronkelijk Middelnederlandse teksten zijn. Hertog Jan I moest zijn hartstocht voor toernooien met de dood bekopen.

EENS MEIEN MORGENS VROEGE

HERTOG JAN I VAN BRABANT
(1254-1294)

Eens meien morgens vroege
Was ic upghestaan;
In een scoen boemgerdekine
Soudic spelen gaen.
Daar vant ic drie joncfrouwen staen,
Si waren so wale ghedaen,
Dene sanc voor, dander sanc na:
Harba lorifa, harba harba lorifa,
harba lorifa!

Doe ic versach dat scone cruut
In den boemgardekijn,
Ende ic verhoorde dat suete gheluut
Van den magheden fijn,
Doe verblide dat herte mijn,
Dat ic moeste singhen na:
Harba lorifa, harba harba lorifa,
Harba lorifa!

Doe groette ic die alrescoenste
die daer onder stont.
Ic liet mine arme al omme gaen
Doe ter selver stont;
Ic woudese cussen an haren mont;
Si sprac: "Laet staen, laet staen, laet staen".
Harba lorifa, harba harba lorifa,
Harba lorifa!

Hertogdom Brabant (1294 - 1400)

laatst bijgewerkt: 17-12-03

colofon