6243

Hertogdom Brabant (1294-1406)

Brabant (1267-1294)

Jan ll Hertog van Brabant (1294 - 1312)

Jan II, de zoon van Jan I en Margaretha van Dampierre was hertog van Brabant en Limburg. Hij trouwde op 30 juni 1290 met Margaretha van York (overleden in 1333), dochter van de Engelse koning Edward I. Uit de relatie met zijn maîtresse Elisabeth Cortygin werd een bastaardzoon Jan van Glymes geboren.
Op buitenlands vlak voerde hij in de rivaliteit tussen Frankrijk en Engeland een neutraliteitspolitiek zodat hij zowel de wolinvoer uit Engeland als de lakenuitvoer naar Frankrijk veiligstelde. Op het binnenlandse vlak had hij af te rekenen met sociale onrust in de steden, waarbij hij het patriciaat steunde. In 1306 versloeg hij de opstandige Brusselse ambachtslieden. Op het einde van zijn leven moest hij, door de toenemende macht van de steden en de deplorabele toestand van de financiën, in het Charter van Kortenberg (27 september 1312) grote concessies doen aan de standen.

Jan lll Hertog van Brabant (1312 - 1355)
Jan III volgde 1312 zijn vader Jan II op. Hij werd op jeugdige leeftijd (in 1311?) uitgehuwelijkt aan Maria van Évreux, dochter van graaf Lodewijk van Évreux. Onder druk van de steden stond hij op 14 juli 1314 de "Waalse Charters" toe, waardoor het politieke en financiële bestuur nagenoeg volledig in handen van de steden kwam. Mede door zijn handig manoeuvreren werd de machtspositie van Brabant hierdoor zo groot, dat hij in 1332 en 1334 een heuse blokkade door een machtige coalitie van omringende vorstendommen met succes kon doorstaan. In 1336 werd hij medeheer van Mechelen, een Luikse enclave in Brabant. In de Honderdjarige Oorlog koos Jan III aanvankelijk de zijde van Engeland, om de wolinvoer in zijn hertogdom veilig te stellen, maar vanaf 1345 begon hij naar Frankrijk over te hellen. In 1347 deed hij in Limburg troonsafstand ten voordele van zijn zoon Hendrik. Deze overleed echter twee jaar later, waarna Jan opnieuw hertog van Limburg werd.
Zijn binnenlands beleid werd gekenmerkt door de uitbouw en de versteviging van het machtsapparaat en door de dominante rol van de steden. 

Johanna van Brabant (1355 - 1406)

Wegens het voortijdige overlijden van zijn beide zonen Hendrik (? 1349) en Godfried (? 1352) werd Jan III na zijn dood opgevolgd door zijn oudste dochter Johanna. Zij was al voor haar geboorte uitgehuwelijkt aan graaf Willem IV van Holland, Zeeland en Henegouwen, maar negen jaar na het overlijden van haar eerste echtgenoot (1345) hertrouwde zij in 1354 met Wenceslas (Wenceslaus) I van Luxemburg.

Om haar echtgenoot te kunnen opvolgen eisten de steden wel garanties voor het respecteren van hun privileges. Ter gelegenheid van hun blijde intrede hadden Johanna en Wenceslas de Blijde Inkomst (3 januari 1356) moeten verlenen, waarbij o.m. aan de inwoners van Brabant een aantal rechten werd toegekend en de integriteit van het Brabants territorium werd gewaarborgd. Hoewel de Blijde Inkomst door de gevolgen van de Brabantse Successieoorlog dode letter is gebleven, is het charter inspirerend blijven werken en hebben tot aan de Franse Revolutie alle vorsten in Brabant een analoge oorkonde moeten verlenen.

De erfopvolging werd echter betwist door haar zwagers Lodewijk II van Male, graaf van Vlaanderen en Reinoud III van Gelre, hertog van Gelre, en deze 'familieruzie' leidde tot de Brabantse Successieoorlog. Reinoud III, hertog van Gelre, die gehuwd was met Johanna's zuster Maria, nam genoegen met de heerlijkheid Turnhout en een behoorlijke jaarrente.

De graaf van Vlaanderen, Lodewijk van Male, die gehuwd was met Johanna's jongere zuster Margaretha, wilde zich bij haar opvolging niet neerleggen en verklaarde Brabant in 1356 de oorlog. Hij kreeg daarbij de steun van de gildenlegers van de Vlaamse steden, die concurrentie vreesden van Antwerpen. 

Tegen de Vlamingen waren de Brabanders niet opgewassen. Lodewijk van Male veroverde Antwerpen, Mechelen, Brussel en Leuven en liet zich huldigen als de nieuwe hertog van Brabant. Bij de vredesonderhandelingen werd bepaald dat Antwerpen en Mechelen aan Vlaanderen zouden worden afgestaan. Na zijn nederlaag probeerde Wenceslas invloed te verwerven in het Keulse gebied tussen Rijn en Maas. Daarbij raakte hij in oorlog met de hertogen van Gulik en Gelre. Ook die strijd liep voor Wenceslas niet goed af. Hij werd gevangengenomen en kwam pas na bemiddeling van zijn broer, keizer Karel lV, weer vrij. 

De strijd werd besloten met de Vrede van Ath (4 juni 1357), waarbij Lodewijk de rechten van Johanna erkende en de heerlijkheden Antwerpen en Mechelen verkreeg, alsmede het recht de titel hertog van Brabant te blijven voeren.

In 1366 verklaard Wenceslaus van Brabant om een kleinigheid Eduard van Gelre de oorlog. Hierbij zal de rol van Maria van Brabant, echtgenote van Reinoud lll van Gelre, daarom ook gekend als Maria van Gelder) en zus van Johanna van Brabant niet moeten worden onderschat. Eduard onderschepte de inkomsten die zij uit Gelre had en daarover zal ze wel bij haar zuster hebben geklaagd.
De Brabanders vielen vervolgens met een sterke macht de Bommelerwaard binnen, waarop de stad Zaltbommel in februari 1366 werd ingenomen. Eduard verzamelde zijn vazallen en trok naar de Bommelerwaard. Zalt-Bommel werd na een beleg van twintig dagen hernomen.
De heer van Kuilenburg, Eduards vriend, trok daarop de Meijerij van Den Bosch binnen, verbrandde daar een aantal dorpen en keerde met rijke buit beladen en met een menigte gevangenen naar Gelre terug. Na veel van dergelijke strooptochten over en weer besloot de hertog van Brabant (Wensceslaus) in 1368 dat het tijd werd om vrede te sluiten. Beide partijen hadden niets anders dan ellende geoogst. Eduard had zich bij zijn edelen diep in de schulden gestoken om al deze oorlogen te bekostigen.

De financiële nasleep van de Successieoorlog lokte ontevredenheid en beroering uit in de steden, vooral te Leuven. Een Brabantse nederlaag tegen Gulik te Bäsweiler in 1371 goot nog meer olie op het vuur en veroorzaakte nieuwe binnenlandse moeilijkheden. Toen haar echtgenoot Wenceslas tot overmaat van ramp in 1383 overleed, helde Johanna meer en meer over naar haar neef Filips de Stoute, die in 1390 zijn vrouw Margaretha van Male (dochter van haar jongere zus) als haar erfgenaam liet erkennen, maar er pas in 1404 in slaagde zijn tweede zoon Antoon van Bourgondië als ruwaard in Brabant te doen aanvaarden.

Brabant (1406-1500)

laatst bijgewerkt: 04-05-03

colofon