5492 |
Hertogdom Brabant (1190 - 1235) |
![]() |
Hendrik l van Brabant (1190-1235) Hendrik was de zoon (uit het 1e huwelijk) en erfgenaam van Godfried III van Leuven (1142 - 1190). In zijn beleid streefde hij naar de heerschappij tussen Schelde en Rijn en de beheersing van de handelsweg van Brugge naar Keulen, maar slaagde er niet in het hertogelijk gezag in Neder-Lotharingen te herstellen. Niettemin wist hij zich een machtspositie te veroveren door in de strijd tussen de Welfen (de leden van het Beierse huis waarvan de stamvader Welf heette) en de Hohenstaufen (graven van Zwaben) voortdurend van kamp te wisselen. In 1191 slaagde hij erin zijn broer Albert tot bisschop van Luik te laten kiezen. In 1204 ging hij over naar het kamp van de Hohenstaufen en verkreeg hij van de Duitse koning |
![]() |
Hendrik I was tweemaal gehuwd: eerst (in 1179?) met Mathilde van Boulogne († 1211), daarna (op 22 april 1213) met Maria van Frankrijk, dochter van koning Zijn praalgraf is te vinden in de Leuvense Sint-Pieterskerk. Tijdens de restauratie van de Sint-Pieterskerk begin 1930 klopte een arbeider per ongeluk een heipaal door de kerkvloer. Tot verbazing van de archeologen bleek hieronder de grafkelder schuil te gaan van de eerste graaf van Brabant: Hendrik . In deze kerk bevindt zich ook het graf van Mathilde van Boulogne en zijn dochter Maria van Brabant, die zich na de dood van haar tweede echtgenoot, Willem I, graaf van Holland, in 1222 terugtrok in Leuven. Toen haar vader in 1235 stierf nam zij haar intrek op het oude kasteel van Helmond. Stichteres van het klooster van Binderen. Zij overleed 1260. Hertog Hendrik I volgde zijn vader op in 1190 als hertog van Neder-Lotharingen en had de zeggenschap over een gebied dat zich uitstrekte van Nijmegen tot de Ardennen en van Antwerpen tot aan de Rijn; zeg maar het huidige Noord-Brabant, Limburg en een groot gedeelte van België. Na verloop van jaren werd het voor de hertog steeds moeilijker om zijn rijk bijeen te houden. Het dreigde uiteen te vallen in allerlei leenstaatjes waarvan de heren trachtten om onafhankelijk te worden. Daarnaast waren er bedreigingen van buitenaf, met name uit Gelre en Holland. Zijn bijnaam de 'strijdvaardige' dankt hij aan het feit dat hij tijdens zijn regiem hard heeft moeten vechten voor het herstel van de hertogelijke macht in zijn rijk. In de twaalfde eeuw was Noord-Brabant grotendeels bos- en moerasgebied, met hier en daar een nederzetting. Voor de aanvallers uit het Noorden vormde het een gemakkelijke buit. Hertog Hendrik moest zijn rijk beschermen en een verdediging opbouwen. Dat deed hij niet door grote legereenheden te vormen en nieuwe vestingwerken te bouwen, maar door steunpunten te creëren die zichzelf zouden moeten bedruipen en verdedigen. Aldus verleende hij rond 1185 stadsrechten aan een strategisch gelegen nederzetting op de plaats waar de Dommel en de Aa samenvloeien, vanaf dat moment 's Hertogenbosch (=het bos van de hertog) genaamd. In 1185 verleende hij de stad stadsrechten en de bijbehorende handelsprivileges, waaronder een eigen bestuur, eigen rechtspraak en mochten de inwoners hun eigen bescherming tegen aanvallers organiseren. Daarnaast werd de markt erkend en kon iedereen zijn waren verhandelen. Dat bracht natuurlijk veel geld naar de nieuwe stad, waardoor de economie opbloeide en aan de noordkant van Brabant een vrijwel onneembare vesting ontstond. Eindhoven had al eerder rechten toegewezen gekregen, maar die omvatten lang niet zoveel vrijheden als de rechten van 's Hertogenbosch. De handel in Eindhoven leed onder de 'voorkeursbehandeling' van Den Bosch, waardoor de economie verzwakte. In 1232 verleende Hertog Hendrik aan Eindhoven volledige stadsrechten. Dit hield ondermeer in dat de rechtspraak in handen kwam van een schout en schepenen, dat er voortaan een weekmarkt mocht worden gehouden. De vrije weekmarkt was alleen voorbehouden aan de stad; bewoners uit de omtrek waren verplicht met hun handelswaar naar Eindhoven te komen en daar op de markt te verkopen. Verder werd aan de burgers van de stad Eindhoven tolvrijheid verleend. Dit was van groot belang voor het stimuleren van het handelsverkeer. Het betekende namelijk dat Eindhovense handelaren, oostwaarts tot aan de Maas en westwaarts tot Antwerpen, bij het vervoer van hun handelswaar geen tolgeld hoefden te betalen. Waarschijnlijk verleende de hertog deze rechten om zo het handelsverkeer te bevorderen van noord naar zuid (Den Bosch- Luik) en van oost naar west (Antwerpen –Duitsland). In 1220 kocht Hendrik I de toenmalige heerlijkheid Helmond van Willem van Horne. Hij stichtte in 1225 aan de rand van de Peel de stad Helmond om aldus de invloed van van Gelre terug te dringen. In dezelfde periode volgden ook Oisterwijk, Geertruidenberg en Woudrichem. Al deze steden werden sterke steunpunten met loyale burgers. Door de bloeiende handel hadden zij de noodzakelijke middelen en het geld om aanvallers op veilige afstand te houden. De Hertogen van Brabant, zoals ze zich vanaf die periode noemden, zorgden via de verlening van stadsrechten voor veilige leefgebieden en daarmee voor de erkenning en handhaving van hun centrale gezag. Het was Hertog Hendrik van Lotharingen die als eerste tot dat inzicht kwam. In de loop van de 12e eeuw werd steeds meer gebruik gemaakt van de handelsweg Keulen - Noordzee-kust, omdat de tollen langs de Rijn de rivierweg minder lonend maakte. Om de eerst nog tamelijk onveilige landweg door Brabant veiliger te maken, stichtte de hertog van Brabant langs de weg tal van abdijen en liet hij grote stukken land ontginnen. Brussel, Leuven en Nijvel, die aan deze weg lagen, kregen stadsrechten en omwallingen. Met hun buren, de bisschop van Luik en de hertog van Limburg en de markgraaf van Namen voerden de hertogen van Brabant verschillende oorlogen. Daarbij slaagden zij erin om tal van tussenliggende gebiedjes bij hun vorstendom in te lijven. Aan het eind van de 12e eeuw kreeg de hertog van Brabant ook het rivierengebied in handen, met de handelsnederzetting Tiel en het land rond Dordrecht. De Maas werd een belangrijke handelsroute. Hendrik l, die, wegens zijn twistzieke karakter de “oorlogszuchtige” genoemd werd, was steeds in de weer om zijn grondgebied in stand te houden. |
Laatst bijgewerkt: 29-10-03 |