5732 |
Stadsrechten |
Het stadsrecht was een pakket van allerlei rechten of vrijheden. Deze rechten heetten in die tijd "keuren". Stadsrecht betekende niet dat de stad volledig zelfstandig was geworden. De heer van Amstelland en na hem de graaf hadden ook nog bepaalde rechten. De graaf mocht bijvoorbeeld de schout benoemen. De schout vertegenwoordigde de graaf in het stadsbestuur. De schout en de schepenen mochten voor de stad allerlei keuren of wettelijke regelingen uitvaardigen, met betrekking tot de meest uiteenlopende zaken. |
Niet alleen betreffende de handel en de nijverheid, maar ook tal van dagelijkse zaken als het houden van ganzen, het dobbelen of het messentrekken. Tot de taken van de schout en de schepenen behoorde ook de rechtspraak. Van de boetes die aan wetsovertreders werden opgelegd kreeg de graaf een bepaald deel. Stadsrecht hield in: eigen bestuur, wetten en rechtspraak. De burgers moesten deze rechten afkopen. Ook moesten de burgers de graaf geld afdragen als hij ten strijde trok. 1122: Utrecht Middelburg kreeg in 1217 als eerste Hollandse stad stadsrechten. |
![]() |
Dordrecht kreeg stadsrechten in1220 en later ook het stapelrecht van een groot aantal handelsproducten, waaronder hout, graan, wijn en zout. Stapelrecht wil zeggen, dat deze producten alléén in deze stad mochten worden uitgeladen en verkocht. De kooplieden moesten zich aan dit stapelrecht houden. Voor de andere steden was dit stapelrecht natuurlijk niet gunstig. Dordrecht werd dan ook de meest gehate stad van Holland.
Zutphen (ca. 1226); Zwolle (1230); Nijmegen (1230); Arnhem (1233); Medemblik (1289); Sneek (1294) In 1323 kregen Amsterdam en Medemblik het stapelrecht voor bier. Op al het bier dat vanuit het noorden (vooral uit Hamburg) in Holland werd ingevoerd moest accijns (tol) worden betaald. Om dat beter te kunnen controleren bepaalde de graaf nu dat alléén in bepaalde steden een bepaald produkt mocht worden verhandeld. Het bier dat naar Amsterdam werd gebracht, werd uitgeladen aan de kade van de Oudezijds Voorburgwal. Deze kade kreeg al gauw de naam "Bierkaai". Door de biertol werd Amsterdam een belangrijke biermarkt. Er is veel bier nodig in die tijd. Het gewone volk dronk niets anders. Water, dat dronken de beesten en was om je kleren in te wassen, vonden de mensen. Het drinkwater was ook heel slecht van kwaliteit en bovendien de oorzaak van allerlei besmettelijke ziekten. De stadsgrachten waren niets dan stin-kende riolen. Melk was goed voor kinderen. Wijn was voor de gewone man te duur. Schippers die de biertol (accijns) dachten te kunnen ontduiken door hun lading ergens anders op de markt te brengen, riskeerden dat hun handel in beslag werd genomen. Ontduiken van de accijns was bijna niet mogelijk, want handelaren moesten een bewijs kunnen tonen dat de accijns betaald was. Door de biertol werd Amsterdam een belangrijke biermarkt. In 1369 werd 1/3 van de totale Hamburgse bierexport verscheept naar Amsterdam. Het Hamburgse bier was in die tijd zeer geliefd om zijn goede kwaliteit. De bierbrouwerijen in de Hollandse steden maakten toen nog een goedkoop, slap bier. Floris V slaagde erin van Dordrecht een echte handelsstad te maken. Hij heeft geprobeerd om er een wolindustrie te laten ontstaan, door de invoer van wol uit Engeland en grondstoffen uit de Oostzee-landen. Na Dordrecht kregen verschillende andere dorpen in Holland stadsrechten: Haarlem en Delft in 1245, Alkmaar, bij de Abdij van Egmond, in 1254, Leiden in 1266, Amsterdam in 1300 en Vlissingen in 1315. Meestal kregen de steden met het stadsrecht ook automatisch ook vrijstelling van het betalen van tol op de Hollandse waterwegen. In 1357 kreeg (of beter: kocht) Hoorn stadsrechten. Bolsward (1455) Stadsrechten kregen de dorpen vrij gemakkelijk. De graaf zag wel in dat steden zijn land tot grotere welvaart brachten en hem ook verzekerde van een vaste bron van inkomsten. Horige boeren leverden hem enkel produkten op, zoals vlees, melk, graan. De burgers in de steden betaalden hem belastinggeld en stelden hem een uitgeruste troepenmacht ter beschikking. Later zouden de burgers ook tal van andere rechten mogen afkopen. Ook de grootgrondbezitters moedigden deze stichtingen aan in de hoop op winst uit de ontginningen van de gronden in de buurt en de verkoop van producten. Als tegenprestatie zegden de heren allerlei voorrechten (privileges) toe, bijv. het marktrecht. De burgers van de steden wilden zich losmaken van allerlei verplichtingen aan de vorsten, zoals de plicht om mee te doen aan de oorlogsavonturen van hun heer. De burgers wilden ook zelf wetten kunnen uitvaardigen en rechtspreken. Het document, waarin een vorst stadsrechten verleende aan een stad, werd zorgvuldig bewaard in een kluis. In Amsterdam was die kluis in een muur van de Oude Kerk. Dat een stad stadsrechten had gekregen was zichtbaar aan de stadsklokkentoren, de wachttoren die dag en nacht bewaakt werd om in geval van nood de bel te luiden, een stadhuis waar de stadsbestuurders konden samenkomen en een stadszegel om de stadswetten mee geldig te verklaren. Het stadsbestuur, waarin vertegenwoordigers van kooplieden en handelaars zaten, hief belastingen en marktgelden, hield toezicht op de reparaties aam muren en wegen, organiseerde de levensmiddelenvoorziening en hield een legertje soldaten op de been. In de stadsrechten werd ook bepaald hoe zwaar de wetsovertreders moesten worden bestraft. In de nieuwe stadsrechten die Amsterdam in het jaar 1342 kreeg werden de volgende straffen genoemd: Wie een man doodsloeg werd ter dood veroordeeld. Zijn nabestaanden moesten bovendien een boete betalen van 20 Hollandse ponden. Nam hij de vlucht, dan mocht hij niet meer in de stad terugkeren. Wanneer iemand een ander letsel toebracht, moest hij een boete betalen van 5 Hollandse ponden, of zijn hand missen. Maar was iemand zwaar letsel toegebracht, bijv. een oog uitgestoken, een hand of een voet afgeslagen, dan kostte dit de dader 10 Hollandse ponden. Wie een mes had getrokken kreeg een boete van 1 pond en wie op de vuist was gegaan een boete van 10 schellingen. Wie later nog eens veroordeeld werd wegens vredebreuk moest 5 pond boete betalen. Van alle opgelegde boetes kreeg de graaf krijgt 2/3 deel. 1/3 deel ervan moest worden gedeeld door de schout en de stad. De boetes voor doodslag en vredebreuk kwamen echter geheel toe aan de graaf. Mensen van buiten die burger van de stad wilden worden, hadden zes weken de tijd om zich binnen de stad te vestigen. Burgers die in de stad woonden mochten in de lente en in de zomer zes weken op het land buiten de stad werken. laatst bijgewerkt: 05-11-03 |