5641 |
Arnhem (ca. 726 - 1500) |
![]() |
![]() |
Archeologisch onderzoek heeft nog niet kunnen vaststellen of er sprake is van voortdurende bewoning van Arnhem in de vroege middeleeuwen. De jaren tussen 400 en 700 kunnen met recht 'de donkere middeleeuwen' genoemd worden. Met enig speur- en denkwerk is een vermelding van de vroegste middeleeuwse bewoning in het gebied van het huidige Arnhem te plaatsen rond het jaar 726. In dat jaar schenkt de hofmeier (hoogste ambtenaar) Karel Martel van het groeiende Frankische Rijk aan de eerste bisschop van Utrecht, Willibrord verschillende landerijen. Onder deze landgoederen bevindt zich ook een nederzetting bij Elst in de buurt van een castrum. Als dat fort Castra Herculis is, dan betekent dat er een Arnhemse nederzetting is geweest.
Rond 814 na Christus is er een duidelijker schriftelijke vermelding van een nederzetting in de onmiddellijke omgeving van Arnhem: Meginhardeswich, het huidige Meijnerswijk op de zuidelijke oever van de Rijn. Dus weer in de buurt van het voormalige Castra Herculis. Met dit Meginhardeswich liep het slecht af. Het werd in 847 geplunderd door de Noormannen, die deze keer hun buit verder stroomopwaarts dan de rijke handelshaven Dorestad (Wijk bij Duurstede) zochten. ( |
![]() |
De kerstening van Noord-Nederland gaat door en ook in Arnhem werd een kerk gebouwd. Dat blijkt als in 893 Arnhem definitief in de geschreven geschiedenis opgenomen als het klooster (de Sint-Salvatorabdij) van het Duitse Prüm als een van zijn bezittingen 'Arneym' vermeldt. Dit Arneym, ten noorden van de Rijn, bestaat uit een kerk en enkele hoeven (boerderijen). ![]() links: Salvator abdij in Prüm |
Het andere deel van het koninklijke domein stond onder bestuur van de graven van Hamaland, waarvan Everhard (880-898) en Meginhard lll (898-902) de bekendste vertegenwoordigers zijn. Wichman (9??-968), graaf van Hamaland, die afstamde van de familie Meginhard, had delen van zijn bezit afgestaan aan het Sint-Vitusklooster in Elten. Het bleef wel in de familie, want Wichman had zijn dochter Liutgarde als hoofd (abdis) van het klooster aangesteld. Een tweede dochter, Adela, was het er helemaal niet mee eens dat vader Wichman besloot om al zijn bezittingen aan het klooster over te dragen. Het liep zo hoog op dat Adela haar zuster waarschijnlijk vergiftigde. De keizer van het Duitse Rijk, want daarin was inmiddels het Frankische Rijk in overgegaan, greep in 996 in. De grond van de familie werd in tweeën gedeeld: de helft ging naar het klooster van Elten en de andere helft kwam in handen van de familie van Wassenberg. Uit deze laatste familie kwamen uiteindelijk de graven van Gelre voort.
Het gebied van Arnhem had dus drie bestuurders. Het geestelijke bestuur van de abdij van Prum bezat een gebied waarvan het centrum (de hof) lag tussen de Grote of St. Eusebiuskerk en de Jansbeek. De tweede geestelijke bestuurder, het Sint-Vitusklooster in Elten, bezat een kleiner gebied in de buurt van de beek (op de plaats van de huidige Rietgrachtstraat). Het domein van de latere graven van Gelre lag ten westen van de Koningstraat. Het strekte zich uit vanaf het huidige Land van de Markt tot de Rijn. Dit gebied werd langzaam uitgebreid tot aan de huidige Korenmarkt. De boeren van Arneym waren horigen. Ze mochten het domein van hun geestelijke of wereldlijke heren niet verlaten. |
Stadsmuur en poorten Graaf Otto II maakte in de stadsrechtenbrief ‘van de versterkte plaats Arnhem een stad’. Arnhem had dus al een vorm van een verdediging, die in 1291 is uitgegroeid tot een stadsmuur. Uit dat jaar is een overeenkomst bewaard gebleven waarin de toevoer van water door de stadsmuur wordt geregeld. Op de oudste stadsplattegrond uit circa 1560 is de stadsmuur goed te zien. Dan heeft de stad al verschillende belegeringen en aanvallen te verduren gehad. De verdediging werd dan ook een aantal malen (1505, 1519, 1533) uitgebreid, waarbij stadsmuur, stadspoorten en toren werden verstevigd. De stadsmuur had vier grote stadspoorten en ronde versterkingen (rondelen): Rijnpoort, St. Janspoort, Velperpoort en Sabelspoort. |
Graaf Otto II gaf in 1233 de inwoners van Arnhem vrijheid van ‘lijf en goed’. Het was de jonge graaf van Gelre een doorn in het oog dat hij geen zeggenschap had over het domein en de bewoners van de abdij van Prüm. Zo kon hij ook niet profiteren van de groei en bloei van de nederzetting. De abt van het klooster in Prüm liet dit niet op zich zitten, maar moest in 1281 toestaan dat zijn bezittingen overgingen op de 'vrije burgers' van Arnhem. De stad kreeg een eigen bestuur van twaalf schepenen met wetgevende en rechtsprekende macht. Daarnaast beschikte het bestuur over eigen financiën en politietaken. De graaf zorgde ervoor dat zijn stem gehoord werd door middel van grafelijke ambtenaren in de stad. De graaf benoemde de voorzitter van de rechtbank, de richter. En de rentmeester, of de onder zijn gezag vallende marktmeester, moest ervoor zorgen dat de belastingen in de vorm van tollen en accijnzen van de markten bij de graaf terechtkwamen. De twaalf schepenen waren in het begin afkomstig uit de twee belangrijkste families van de stad: Van Arnhem en Van de Gruythuis. Officieel moesten die elk jaar gekozen worden, maar velen oefenden het schepenschap hun leven lang uit. De ambachtslieden en handelaren vonden deze machtspositie van de oude rijke families maar niets. Zij zorgden voor de inkomsten en bloei van de stad en eisten inspraak in het bestuur op. In 1406 was een dergelijke machtsgreep op niets uitgelopen. Ongeveer vijftig Arnhemmers was het burgerrecht ontnomen en zij kregen dit pas terug als zij beloofden nooit meer tegen de twee bestuursfamilies in opstand te komen. |
Arnhem en Gelre Zowel het zittende bestuur als de partij van de ambachtslieden en handelaren probeerden gebruik te maken van de graven, sinds 1339 hertogen, van Gelre om de macht in de stad te verkrijgen. En als de hertogen van Gelre elkaar onderling de macht betwisten, dan moest er partij gekozen worden. In 1465 werd Arnold, hertog van Gelre, door zijn zoon Adolf opgesloten. Het stadsbestuur had de kant van Adolf gekozen. Dat was voor de burgerij aanleiding om voor hertog Arnold te kiezen. Die stuurde zijn, hem trouw gebleven, zoon Willem van Egmond naar de stad en de burgers openden voor hem de poort. Adolf nam dit op zijn beurt weer niet en belegerde de stad twee jaar lang. Een belegering met hongersnoden, pest, en kanonsbeschietingen. Uiteindelijk kwam het tot een akkoord tussen vader Arnold en zoon Adolf. Het leverde de burgers van Arnhem niet meer invloed op. |
Mensen in de middeleeuwse stad
Van het Arnhem voor 1500 zijn geen statistieken of tellingen bekend. Evenmin zijn er kaarten of plattegronden van voor 1560, waarop we het aantal huizen kunnen achterhalen. Van de telling uit 1431/1432 zijn helaas geen cijfers bewaard gebleven. Wel kunnen we op basis van gegevens van andere steden uit de 13e t/m 15e eeuw en bronnen uit de zestiende eeuw een ruwe schatting maken hoeveel mensen Arnhem ongeveer in de late middeleeuwen geteld moet hebben. Dat moeten er rond 1400 zo’n 4.000 zijn geweest. Rond 1500 zou Arnhem 1.000 inwoners meer hebben gehad. Als we dan terugrekenen, dan moet de bevolking rond 1200 ongeveer uit 2.000 personen hebben bestaan. Burgers en boeren De Arnhemmers hadden niet alleen buiten de stadsmuren hun akkers en veeweiden. De uiterwaarden van de Rijn en de IJssel werden door de bewoners hier voor gebruikt. In de stad zelf stonden veel boerderijen, grote moestuinen, boomgaarden, stallen, varkenshokken en alles wat bij het boerenbedrijf hoorde. Het Sint Catharinagasthuis bezat in 1396 bijvoorbeeld de ‘Sente Clarenbongart’ met vierentwintig hofsteden (boerderijen) tussen de Jansbeek en de stadsmuur; midden in de stad dus. De graaf van Gelre had in de 14e eeuw ook verschillende hofsteden in de stad (o.a ‘Die Schure’). Daarnaast werd het graan van de graaf opgeslagen in ‘De Hooybergh’, een boerderij/opslagplaats in de stad. |
Huis en (brand) haard
Aan het einde van de dertiende eeuw nam het stadsbestuur een steenbakker in dienst. Deze’ stadstichelaar’ bakte in opdracht, en volgens contract, de stenen en pannen, waarbij kwaliteit en vorm van tevoren werden afgesproken. In de ‘raetcamer’ van het stadhuis werd een steenvorm bewaard, die als model diende voor de te bakken stenen. De stadssteenbakkerij maakte vooral stenen voor de bouw van de stadsmuur maar bakte daarnaast ook stenen voor huizen. Na 1350 nam het aantal steen- en panovens toe. De grondstof voor de stenen en pannen was in de onmiddellijke nabijheid. Rivierklei kon zo uit de Rijn worden geschept om er vervolgens stenen of pannen van te bakken. Om aan de enorme vraag naar stenen te voldoen, werden er ‘steenboetes’ ingevoerd Bij een overtreding moest de boete in stenen worden betaald; vissen in verboden water kostte de dader vijfduizend stenen. Het duurde nog tot 1600 voordat de houten voor- en achtergevels werden verboden. |
Rijnhandel en riviertol Arnhem in de Duitse Hanze |
Gelre en Bourgondië Er waren andere grote veranderingen op komst. Vanuit het zuiden probeerde het hertogdom Bourgondië de macht te vergroten. De oorlogszuchtige hertog Karel de Stoute veroverde in 1473 het hertogdom Gelre. Vanaf dat moment moest het stadsbestuur de controle van de Bourgondiërs verdragen. Toen Karel de Stoute in 1477 sneuvelde in de Slag bij Nancy ging de macht over op hertogin Maria van Bourgondië. Maar bovenal nam haar echtgenoot, Maximiliaan van Oostenrijk, de touwtjes in handen. In 1487 stond deze toe dat in Arnhem officieel gilden mochten bestaan. De gildenmeesters kregen een plaats in het stadsbestuur. Maximiliaan was wel zo slim om vast te leggen dat hij de gildenmeesters mocht benoemen. |
Karel van Egmond wordt Karel van Gelre Toen Gelre bereid was een aanzienlijk losgeld te betalen, liet Lodewijk XI de zoon van de vroegere hertog Adolf vrij. Die zoon, Karel van Egmond, bond namens Gelre de strijd aan tegen de buitenlandse overheersers. Toen de Gelderse steden hem in 1492 erkenden als hertog ging Karel van Egmond verder door het leven als Karel van Gelre. Een jaar later kreeg Bourgondië in de persoon van Filips de Schone een nieuwe vorst, hoewel de invloed van zijn vader Maximiliaan jarenlang groot bleef. Bourgondië kreeg steun van de hertog van het Duitse Kleef. In 1502 probeerde Arnhem het op Kleefs grondgebied gelegen Huissen te veroveren. Dat liep op een mislukking uit en Karel wist ternauwernood, geholpen door een ‘Moor’, in een klein bootje over de Rijn te ontsnappen. Filips de Schone sloeg terug en veroverde even later in datzelfde jaar de stad. Het bestuur van de stad werd gedwongen om blootsvoets de overgave aan te bieden. In 1505 moest Karel van Gelre zijn meerdere erkennen in Filips de Schone en hem trouw beloven. Karel echter wist in vermomming te ontsnappen aan zijn Bourgondische heer. Een volgende legerinval in 1511 kreeg Karel ook niet op de knieën en in 1513 erkenden de Bourgondiërs hem als hertog van Gelre. Karel ondernam daarop zelf een aanval op het noorden van de Nederlanden, daarbij gesteund door de Friese zeerover “Greate Pier’. In 1514 veroverde Karel van Gelre, met een variant op het ‘paard van Troje’, Arnhem. Soldaten verstopten zich op een wagen onder een vracht van zakken met koren en drongen zo de stad binnen.Het einde van de Gelderse vrijheid Gemaakt 13-01-04; laatst bijgewerkt: 29-03-04 |