4044

Wynfrith (Bonifatius) (ca. 672 - 754)

 Frankische Rijk (711 - 768); De Lage Landen (700 - 734)
Van het christelijke missioneringswerk dat aanvankelijk door Amandus en Kunibert met veel moeite was opgebouwd, was na 50 jaar niet veel meer te bespeuren. De kerkjes waren ruïnes geworden. Toen Bonifatius – zijn echte naam was Wynfrith – in 716 bij de Friezen aankwam, waren de kerken door de legers van Redbad vernietigd en op veel plaatsen was de oude cultus terug ingevoerd. 

Winfried werd omstreeks 672, op z'n laatst in 675 in het Engelse koninkrijk Wessex geboren in het plaatsje Crediodonum (Crediton). Hij was van adellijke geboorte en ambieerde, geheel tegen de zin van zijn ouders een religieus bestaan. Na een opleiding van zeven jaar in het klooster in Exeter, ging hij naar het Benedictijner klooster van Nhutscelle, het huidige Nursling. Op dertigjarige leeftijd werd Winfried tot priester gewijd en werd hij hoofd van de kloosterschool waar hij grammatica- en literatuuronderwijs gaf. Hij genoot al gauw enige faam vanwege zijn preken, bijbelcommentaren, zijn Engelstalige grammatica van het Latijn en zijn vele gedichten, maar zijn grootste roeping vond hij de missie. 

In 716 vertrok hij naar de Lage Landen, in zijn tijd aangeduid met "Friesland" om daar missionaris te worden. Deze reis liep uit op een teleurstelling, daar de politieke situatie het hem onmogelijk maakte zijn missiewerk goed te verrichten. Van de Friese koning Redbad kreeg hij geen toestemming om te prediken. Hij keerde terug naar Engeland, waar hem gevraagd werd de overleden abt van zijn klooster op te volgen. Dit weigerde hij echter en hij besloot om eerst een bezoek te brengen aan paus Greorius ll in Rome in de hoop van deze een officiële missieopdracht te krijgen en vrijbrieven te krijgen voor een nieuwe reis. Eerst bezocht Winfried bisschop Willibrord in Trecht, die al veel missiewerk in Friesland had verricht. Op 15 mei 719 verleende paus Gregorius ll Winfried het recht om het evangelie te verkondigen onder de "heidenen" in Oost-Francië ter rechte zijde van de Rijn. Bij deze gelegenheid gaf de paus hem toen naar alle waarschijnlijkheid ook zijn nieuwe naam. Overeenkomstig een oud gebruik koos hij daarvoor de naam van de heilige van de voorafgaande dag, in dit geval de heilige Bonifatius van Tarsus (? - 307).. De Latijnse naam: Bonifatius betekent "weldoener" of "goed fortuin". Sinds die dag zou Winfried zijn oude naam niet meer gebruiken, wat tekenend is voor zijn missiezucht.

In Friesland overleed in hetzelfde jaar (719) de Friese koning Redbad. De Friezen hadden echter na zijn dood nog steeds geen boodschap aan het christendom. Ondanks de militaire druk van Karel Martel, die sinds 717 over het Merovingische Rijk, de macht in handen had, bleef het volk heftig weerstand bieden. 

Terug in het noorden reisde Bonifatius eerst enige tijd met Willibrord door Friesland en Thüringen. Van de oude bisschop leerde hij vooral om bij zijn plannen rekening te houden met het politieke krachtenveld.Willibrord wilde Bonifatius aanstellen als zijn assistent en opvolger van de bisschopszetel, maar Bonifatius weigerde dit en gaf daarvoor als voornaamste reden dat de paus hem had uitgestuurd om missiewerk te doen. Nauwelijks had hij echter zijn missiewerk hervat of hij werd naar Rome teruggeroepen, waar de paus hem wijdde tot missiebisschop. Gregorius ll gaf hem de opdracht de Kerk in Duitsland te organiseren en gaf hem een aanbevelingsbrief gericht aan Karel Martel, de Frankische heerser. Ook voor alle andere betrokken bisschoppen en vorsten kreeg Bonifatius brieven mee.

Bij zijn terugkeer in Hessen liet Bonifatius op tal van plaatsen de heidense heiligdommen met de grond gelijk te maken om er kerken en kloosters voor in de plaats te bouwen, waarvoor soms het hout van de omgehakte heilige eiken gewijd aan de Germaanse oorlogsgod Thor als bouwmateriaal werd gebruikt, om de bevolking te laten zien hoe machteloos deze god was. Volgens de overlevering bekeerden velen zich onmiddellijk tot het nieuwe geloof toen er geen bliksemschichten uit de hemel neerdaalden. Behalve kerken en kloosters stichtte Bonifatius ook instellingen waar religieus onderwijs werd gegeven teneinde de eenheid en continuïteit  van de christelijke leer te waarborgen. Als erkenning voor zijn werk benoemde de nieuwe paus Gregorius lll hem in 732 tot Aartsbisschop - zij het zonder zetel - en tot pauselijke vicaris voor het oostelijke deel van het rijk der Franken. Bovendien verleende de paus hem toestemming bisdommen te stichten.

Door zijn goede relaties met zowel Rome als met de Karolingische vorsten raakten deze laatsten nauw betrokken bij de ontwikkeling van Midden-Europa. In 738 werd Bonifatius dan ook tot pauselijke legaat voor het rijk der Franken benoemd. Het netwerk van bisschopszetels dat hij tot stand bracht vormde de kerkelijke structuur waarop Karel de Grote in het laatste kwart van de 8e eeuw zijn staatsstructuur tot stand kon brengen.

Toen Willibrord in 744 overleed, nam Bonifatius het bisdom Utrecht onder zijn hoede. Voor het dagelijkse bestuur stelde hij zijn medewerker Eoban aan als assistent-bisschop. Bonifatius, die als aartsbisschop nog steeds geen zetel had, liet zijn oog intussen vallen op Keulen, waarvan de zittende bisschop net was overleden. Hoewel paus Zacharias zijn goedkeuring verleende aan deze keuze, verzette de clerus van Keulen zich heftig tegen het plan. Nog voor dit verzet gebroken was, overleed de bisschop van Mainz, waarop de paus Bonifatius in 747 tot aartsbisschop van Mainz en primaat van Duitsland benoemde.

In 754, op ongeveer 80-jarige leeftijd, droeg Bonifatius het aartsbisdom Mainz over aan zijn leerling en neef Lullus. Het bisschop Utrecht droeg hij over aan zijn assistent Eoban. Zelf wilde hij zich opnieuw aan het missiewerk onder de Friezen gaan wijden. De opvolgers van Redbad aanbaden nog steeds de "heidense" goden, al waren ze officieel christenen. In een brief aan paus Zacharias meldde Bonifatius dat zelfs christelijke priesters er een gespleten praktijk op nahielden: soms offerden ze aan de oude Goden, soms aan Christus. In 752 vernam paus Stefanus dat – bij de Franken – een 30-tal kerken door heidenen waren platgebrand.  

Toen Bonifatius op 5 juni 754 onderweg was naar een door hemzelf afgekondigd doopfeest bij Dokkum, werden hij en zijn ca. 50 metgezellen, waaronder bisschop Eoban, door een groep Friezen die niet van het christelijke missiewerk gediend waren overvallen en op brute wijze vermoord. De oude missionaris zou daarbij nog geprobeerd hebben zich af te weren met het evangelieboek.

Hans Mol in Fryslân 10,4 (2004) p. 16-20 ziet de dood van Bonifatius en zijn metgezellen als het resultaat van een weloverwogen, gecoördineerde actie van de Friezen die zich teweer wilden stellen tegen de kerstening. De historische bronnen maken weliswaar geen melding van het omhakken van heilige bomen, er wordt wel vermeld dat Bonifatius de heidense riten heeft verstoord.

Bonifatius' lichaam werd in eerste instantie bijgezet in de Sint Salvatorkerk in Utrecht, maar op verzoek van aartsbisschop Lullus werd het al gauw naar Mainz overgebracht. Uiteindelijk werd hij - zoals hij zelf had gewild - begraven in zijn geliefde abdij van Fulda, door hemzelf in 744 gesticht. Daar had hij de laatste tien jaar van zijn leven zoveel mogelijk tijd in gebed en meditatie doorgebracht. De abdij werd al gauw een beroemd bedevaartsoord. Om zijn schrijn werden steeds grotere kerken gebouwd. In 1712 werd de Dom van Fulda ingewijd.

Gemaakt: 01-10-06

colofon