4043

Willibrord (Willibrordus) (657 - 739)

Lage Landen (600 - 650); Frankische Rijk (587 - 600); Frankische Rijk (600 - 639); Christendom
Het brede kustgebied langs de Noordzee tussen België en Denemarken was het woongebied van de Friezen, de streek die thans wordt aangeduid met West-Vlaanderen, Zeeland. Brabant, Zuid- en Noord-Holland, Friesland, Groningen en Sleeswijk-Holstein.
Door de Frankische vorsten was echter in 690 het zuidelijk deel van dit Friese gebied tot aan de Waal, de Lek en de Rijn veroverd ( z. Lage landen 7e eeuw), waarna het prediken onder de Friezen werd voortgezet. 

Als prediker in de Lage Landen stelde de hofmeier van Austrasië, Pippijn ll van Herstal, Willibrord aan, een leerling van Winfrith (Winfried) van Essex (later bekend geworden en heilig verklaard onder zijn Latijnse naam Bonifatius). 

Pippijn ll had groot belang bij de bekering van de Friezen omdat de onrustige Friezen, wanneer ze eenmaal bekeerd zouden zijn, zich wellicht makkelijker zouden schikken in het Frankische gezag, dat immers door de kerk werd gesteund. Willibrord was volgens Pippijn de ideale persoon om dat te bewerkstelligen. Als Angelsaks kon hij zich bij de Friezen redelijk verstaanbaar maken en werd hij door hen vermoedelijk niet bij voorbaat gewantrouwd, in tegenstelling tot de predikers uit Gallië, die werden gezien als handlangers van de Franken.

Wie was Willibrord? Willibrord werd in 658 geboren in Northumberland (Engeland). Zijn vader, de edelman Wilgils, en moeder brachten hem toen hij nog kind was naar een klooster. Een in die tijd niet ongebruikelijke gewoonte om jonge kinderen voor hun opvoeding en vorming toe te vertrouwen aan een klooster. Immers, daar kon men kennis nemen van lezen, schrijven, rekenen, Latijn, godsdienstleer en bijbelkennis. Plaatsing op zo'n "kostschool" behoefde niet altijd in te houden dat de leerlingen ook kozen voor een later kloosterleven. 
Willibrord koos wel daarvoor. Hij trad op vijftienjarige leeftijd in als monnik van het klooster in Ripon. Toen hij ongeveer twintig jaar oud was besloot hij (evenals meerdere Engelse monniken hadden gedaan) in te treden in het Ierse klooster te Rathmelsigi. Als verklaring daarvoor wordt wel gegeven dat Willibrord werd aangetrokken door de meer rijke spiritualiteit van het Ierse kloosterleven, dat nog zo herkenbaar aansloot bij de vroeg christelijke traditie. Met name bij die van de oude "woestijnvaders", die vanaf de 3e eeuw in Egypte de eerste kloostergemeenschappen hadden gesticht. Het is niet duidelijk of de kwestie van de herindeling van de Angelsaksische bisdommen voor hem mede een overweging is geweest om naar Ierland te vertrekken. Andere bronnen voegen daar aan toe dat het kloosterleven in Ierland een sterkere binding had met de paus dan in Engeland het geval zou zijn. Hetgeen Willibrord sterk aansprak.

Willibrord verbleef ongeveer twaalf jaar in het klooster te Rathmelsigi. In deze periode werd hij ook tot priester gewijd. Geleidelijk groeide in hem het verlangen om zich meer in te zetten voor het actieve leven van missioneren dan te verblijven in een klooster dat zich hoofdzakelijk concentreerde op een beschouwend leven. Zijn abt Egbert steunde hem hierin. En zo kwam de dag dat hij vertrok voor prediking op het vasteland. Een pelgrimstocht met als doel de heiliging van de medemens. Willibrord wilde niet uitsluitend afhankelijk zijn van de Frankische machthebbers en daarom reisde hij tweemaal naar Rome. Van de Paus kreeg hij in 695 de titel van Aartsbisschop met als standplaats Trecht. Hier bouwde hij twee kerken, één gewijd aan St. Maarten, de Frankische heilige en één aan "De Verlosser" (S. Salvator). Radboud moest toestaan dat Willibrord in het hele Friese gebied ongestoord doorging met het prediken onder de Friezen. In korte tijd werd Willibrord een machtig en gezien kerkvorst. 

Maar de politieke toestand was nog lang niet veilig en de strijd tussen Franken en Friezen was nog lang niet beslecht. 

Willibrord zou de eerste Engelse monnik in het Friese gebied zijn, afkomstig uit York. Gegevens uit het leven van de missionaris, hebben we van de hand van Alcuïn, een hofgeleerde van Karel de Grote, die van Willibrords familie was. Familiebanden spelen trouwens een bijzonder grote rol in het missioneringswerk. Gedurende twaalf jaar zou Willibrord doorgebracht hebben in het Ierse klooster van Rathmelsigi (het huidige Melfont). Van daaruit vertrok hij naar de Lage Landen. Ondertussen had Peppijn van Herstal, de machtige hofmeier van de Franken, de ‘heidense’ Radboud verslagen en hem al het land ten zuiden van de Rijn afgenomen. Het was de wens van Peppijn dat het ganse gebied nu christelijk zou worden en daartoe liet hij zendelingen uit Ierland overkomen. Redbad daarentegen ambieerde de smalle kuststrook van Vlaanderen tot Denemarken in één rijk te verenigen. Maar dat werd hem dus in 689 onmogelijk gemaakt door Peppijn. 

In 690 landde de Angelsaksische monnik Willibrord in de uitmonding van de Oude Rijn met 11 medebroeders. Tussen Katwijk en Wassenaar zette hij, na een niet ongevaarlijke overtocht met een kleine open boot, voet aan wal voor een pelgrimstocht om de Germaanse stammen te bekeren. Zoals de Friezen, die nog niet of nauwelijks met het christendom kennis hadden gemaakt en in hun dagelijks leven sterk beheerst werden door angst voor natuurkrachten en boze demonen.

Willibrord was niet de eerste missionaris onder de Friezen. Vóór hem werd het christendom gepredikt door de Frankische monnik Wulfram. Het verhaal gaat dat het hem bijna was gelukt om de Friese koning Radboud te dopen. Toen Radboud al met een been in het doopvont stond vroeg hij aan Wulfram of hij in de hemel ook zijn voorouders zou ontmoeten. Beslist niet, antwoordde Wulfram, want dat waren heidenen en die komen niet in de hemel. Toen trok de verontwaardigde Radboud zijn been terug. De doop ging niet door. Teleurgesteld ging Wulfram terug naar het Frankenland. Ook twee Angelsaksische monniken hebben de Friezen bezocht. De eerste, Wilfried, abt van het klooster in Ripon en leermeester van Willibrord, overwinterde bij koning Aldgisl (de vader en voorganger van Redbad) op zijn reis naar Rome. Dit in verband met wijzigingen in de gebiedsindeling van de bisdommen in Engeland. Er zijn aanwijzingen dat Wilfried in die periode ook een aantal Friezen heeft bekeerd. De tweede was Wigbert die in opdracht van Egbert, abt van het klooster in Rathmelsigi in Ierland, twee jaar heeft gemissioneerd onder de Friezen. Echter met weinig succes door tegenwerking van Redbad. 

Als steunpunt voor zijn zendingswerk onder de Friezen koos Willibrord Caloes (het huidige Antwerpen) gebruikt, dat destijds op de grens tussen het rijk van de Friezen en dat van de Franken lag, en dat gefrequenteerd werd door Friese vissers en handelaars. Het is van daaruit dat Willibrord de Kempen bewerkte. De Friezen ten noorden van de Rijnmonding liet hij voorlopig met rust, want het klimaat was er zeker niet gunstig. Geregeld waren er opstanden tegen de Franken. In 695 vond een tweede veldtocht tegen Friesland plaats en de confrontatie was het hardst nabij Dorestad. De Friezen vluchtten naar het noorden en Utrecht en West-Friesland vielen in handen van de Frankische bezetter. Uiteindelijk, met het schrikbewind van Karel Martel in de achtste eeuw, kwam Friesland volkomen in Frankisch bezit.   

Pippin ll probeerde de Friezen door giften om te kopen en verordende dat Willibrord en zijn gevolg niet lastiggevallen mochten worden. Daaruit blijkt dat de christelijke geestelijke niet zulk een goede reputatie had bij de bevolking. Hoe die verordening door het volk werd nagevolgd, weten we niet. In ieder geval bleven de Friezen op gespannen voet leven met de Frankische bezetter sedert hun legendarische koning Radboud door Pepijn was verdreven. Er kwam pas verbetering in de verhoudingen toen Grimoald, de zoon van Peppijn, in het huwelijk trad met de dochter van de Friese koning Radboud. En prompt verlegde Peppijn de zetel van het Friese bisdom van Antwerpen naar Utrecht. Op 22 november 695 werd Willibrord dan aartsbisschop gewijd en daarmee verkreeg hij ook de officiële zendingsopdracht de Friese bevolking volledig te kerstenen. Peppijn zou instaan voor zijn veiligheid. Hij herbouwde de Frankische kerk van St.-Maarten die destijds, als represaille, door Radboud was verwoest. Vanaf 699 waagde hij zich in het vijandige gebied en drong hij zelfs door tot in Denemarken. Maar het lot zat hem niet mee. Zijn schip werd door een storm uit koers geslagen en hij strandde op een Fries eiland waar hij prompt gevangen genomen werd en voor koning Radboud gebracht. Radboud liet uiteindelijk de zendeling gaan en Willibrord achtte het sedertdien niet meer aangewezen het Noorden te bezoeken. In het Frankische Brabant was trouwens nog werk genoeg te doen.   

Toen Peppijn kwam te sterven wist Radboud zich terug meester te maken over de ontstolen gebieden. Willibrord sloeg met zijn monniken op de vlucht. In ieder geval geven de kronieken aan dat Willibrord door een ‘heiden’ bijna vermoord werd toen hij een Godenbeeld neerhaalde. Verder weten we dat Willibrord op kruispunten en bronnen zichtbare kersteningstekens aanbracht. En de lezer zal ondertussen wel snappen dat uitgerekend die plaatsen binnen de sacrale geografie van de Noordse volkeren een belangrijke rol speelden in de oude religie. Het betreft de z.g. Willibrordputjes in Brabant, aan beide zijden van de grens: in Aldeneyck, Asten, Bakel, Berkel, Deurne, Diessen, Eersel, Geysteren, Kasterlee, Meyel, Munsterbilsen, Neeroeteren, Oss, Poppel, Reppel, Ruimel, Stamproy, Vessem en Viersel. Waar die heilige bronnen voorheen gekoesterd werden als geneeskrachtig en vruchtbaarheidschenkend, deden ze nu dienst als doopvonten. Verder is ook bekend dat de kerk van nieuwe christengemeenten meestal gebouwd werd op of bij een oud-sacrale put, die naderhand gekerstend werd. Zo lag de oudste parochiekerk van Oss nabij de Willibrordusput, evenzo de kapel (later de kerk) van Berkel. De kerk van Eersel staat boven een Willibrordusput en in Poppel ligt de Willibrordusput onder de sacristie. Een niet onbelangrijk gegeven is het feit dat men bij het beeldje van Sint-Willibrordus in Berkel zakjes rogge offerde. De pastoors van Oisterwijk (waartoe Berkel behoorde) bestreden dat gebruik, maar tevergeefs. Na de dood van Radboud kreeg Willibrord versterking van Bonifacius, een ‘heilige’ die nog gehaaider en intoleranter was.

De methode die Willibrord toepaste, verschilde geenszins van zijn voorgangers. Hij knoopte nauwe relaties aan met de Frankische overheersers die er alle belang bij hadden dat de Saksen en Friezen geknecht zouden worden. Hij verkreeg van de heren grote stukken landgoederen in Brabant en Limburg, in Luxemburg en aan de Nederrijn. Die schenkingen omvatten hele gemeenten (villae), bestaande uit herenhof met kerk, hofland en slaven, een groot aantal keuterhuizen, bossen, weiden, moerassen, heidegronden, wateren, molens, opstallen, uitwegen, enz. Die giften kwamen stuk voor stuk van de familie van Pippin en van Hubertus. In totaal betrof het slechts vijf machtige families die alle aan elkaar verwant waren. Men kan dus bezwaarlijk stellen dat Willibrord zó geliefd was onder de bevolking dat hij rijkelijk geschenken ontving. Veeleer was het zo dat de machtige Frankische potentaten beseften dat de geestelijke strijd van de christen monniken hen politiek in de kaart kon spelen en hun macht nog kon versterken. Om het gevaar van de constante Friese dreiging te ontlopen, zorgde Willibrord ervoor dat zijn goederen, na zijn dood, niet aan het bisdom Utrecht geschonken werden, maar aan de abdij van Echternach, die omgeven werd door familiegoederen van de Peppijnen. Zo kon hij ervan op aan dat zij voor de bescherming van zijn landerijen zouden instaan.

Over Radboud gaat volgend christelijk volksverhaal. Willibrord had Radboud kunnen overhalen zich te laten dopen. “Reeds stond hij met één voet in de doopvont, toen de satan hem naderde in de gedaante van een engel, en aldus tot hem sprak: «O gij sterke held! Wie heeft u zo misleid, dat ge op het punt staat de dienst aan uw Goden ontrouw te worden! Laat u toch niet op een dwaalweg voeren en blijf trouw aan de godsdienst, waarin gij van kindsbeen af zijt opgeleid, dan zult gij de gouden woningen bezitten welke ik u spoedig zal tonen.»

Radboud, door twijfel bestormd, wendde zich tot de bisschop en vroeg hem, of de zielen van zijn voorvaderen zich in de hemel dan wel in de hel bevonden. Deze antwoordde, dat men volgens Gods woord moest vrezen, dat de meesten van hen niet zalig waren, daar de Heer had gezegd: «Wie niet aan mij gelooft, zal verdoemd worden.» Toen trok Radboud zijn voet uit de vont, en zei: «Het is mij veel liever om met mijn voorvaderen, ouders en vrienden temidden van de heidenen in de hel te verkeren, dan met uw handjevol christenen in het hemelrijk te zijn.”Dit christelijk getint volksverhaal illustreert duidelijk de honkvastheid van de trotse Friezen ten overstaan van de oude religie.

Het missiegebied van Willibrord 
Alhoewel Willibrord het land van de Friezen had gekozen voor zijn missiearbeid, trok hij na aankomst aan de kust van ons land naar het zuiden. Naar het Frankenland. Na het vertrek van de Romeinen werd dit gebied geregeerd door de Frankische koningen. Het eigenlijke bestuur van de deelgebieden daarvan werd uitgeoefend door hofmeiers. De hoogste ambtenaren aan het hof van de koning. Met een daarvan, Pepijn II, zocht Willibrord nu eerst contact. Hij wilde zich namelijk verzekeren van zijn politieke steun en financiële medewerking. Het kostte Willibrord niet veel moeite die ook te verkrijgen. Pepijn zag snel de politieke voordelen van het bekeringswerk van de Angelsaksische missionarissen.
Tussen de jaren 690 en 695 bouwde Willibrord zorgvuldig zijn thuisbasis in het Frankenland op. Waarschijnlijk opereerde hij vanuit Antwerpen. Richtte steunpunten op ten zuiden van de grote rivieren en ook in enkele delen ten noorden daarvan die door nieuwe veroveringen van Pepijn onder Frankisch bestuur waren gekomen. In deze periode (691 ?) reisde Willibrord naar Rome om de officiële goedkeuring van paus
Sergius voor zijn missiewerk te verkrijgen. En deze werd hem uiteraard onmiddellijk verleend.

In het jaar 695 vertrok Willibrord, daartoe aangespoord door Pippijn II, naar Rome om de pauselijke volmacht voor zijn bekeringswerk in het noorden van Nederland te krijgen. Het is de tweede maal binnen korte tijd dat hij een bezoek bracht aan de paus. Drie jaar daarvoor kreeg hij de bevoegdheid om het christendom onder de Friezen te verbreiden. Het fort Utrecht, met daarin de ruïnes van het kerkje van Dagobert I, was door Pippijn aan de nieuwe bisschop als missiecentrum toegewezen.

Op 21 november 695; wijdde Paus Sergius de Angelsaksische prediker Willibrord tot aartsbisschop van de Friezen gaf hem de nieuwe naam "Clemens". Willibrord werd gewijd tot "aartsbisschop van de Friezen"; niet tot aartsbisschop van (U)Ttrecht, maar tot aartsbisschop van een volk. De stad (U)Trecht, gelegen in het machtsgebied van de Franken, werd wel de stad waar Willibrord zijn "zetel" had. Het was een goede "uitvalbasis" voor zijn missiearbeid. In (U)Trecht liet Willibrord een kerk bouwen en een klooster met een kloosterschool, die spoedig in de stad en omgeving grote faam verwierf. Leerlingen van deze school werkten later mee bij de missionering van de Friezen.

In 714 schonk Frankische hofmeier Pippijn II aan Willibord de kerk en het klooster in het Zuid-Limburgse Susteren. Het was de bedoeling dat Willibrord de abdij tot een verblijfplaats voor missionarissen zou uitbouwen. De monniken kregen van Pippijn toestemming om uit hun midden een abt te kiezen. De hofmeier zegde tevens toe dat de gemeenschap onder zijn directe bescherming zou staan. Het klooster van Susteren behoorde tot een reeks schenkingen die Willibrord de afgelopen jaren in Brabant en Limburg ten deel was gevallen.

Willibrords missietocht bij de Friezen 
Na het jaar 695 breidde Willibrord zijn missioneringsactiviteiten ook uit tot de Friese gebieden in het noorden. Tot in Sleeswijk-Holstein en Denemarken. Interessant is hierbij te vermelden dat de missionarissen nauwelijks taalproblemen hadden in hun contacten met de Friezen. In die tijd waren de onderscheiden talen nog zo met elkaar verwant dat ze elkaar verstonden.
Het was voor Willibrord en zijn gezellen een tijd van onafgebroken reizen, prediken en bouwen. Hier en daar werden parochies gesticht, kerkjes en kloosters gebouwd. Centra van waaruit de meer afgelegen nederzettingen konden worden bereikt.
In tegenstelling tot het Frankenland bestond bij de Friezen geen sterk centraal gezag. De bevolking leefde in kleine dorpjes die ver van elkaar waren verspreid. Elke nederzetting had een eigen stamhoofd. De hoogste wetgever en legeraanvoerder in Willibrords tijd was koning Radboud. Hij was sterk anti-christelijk omdat het de godsdienst was van aartsvijand de Franken. Merkwaardigerwijs trad Radboud desondanks Willibrord met enig ontzag beleefd tegemoet.

Willibrords bekeringsmethode
Die was bepaald niet altijd zachtzinnig. Om de Friezen duidelijk te maken dat hun goden niets voorstelden werden heilige eiken omgehakt, godenbeelden stukgeslagen en heilige bronnen ontwijd. Een methode die gezien moet worden als passend in de geest van die tijd. Ze waren zelfs in een richtlijn van paus Gregorius I (590-604) aan missionarissen aanbevolen. De Angelsaksische missionarissen pasten deze drastische bekeringsmethode toe om daarmee de macht van hun God en de onmacht van de Germaanse goden aan te tonen. Er kwam immers geen straffende bliksemstraal van Wodan uit de hemel om de "heiligschenner" te doden !
De geloofsverkondiging was eenvoudig en direct. De basis werd gelegd door het leren van het Onze Vader, de geloofsbelijdenis en de tien geboden. Als men dit kende kon men worden gedoopt. De missionarissen trokken dan verder. Vanuit in een bepaalde regio gestichte parochie zou wat verder nog heilzaam en leerzaam was wel worden verkondigd. 

Toen in 715 de Friese Redbad van de onrust in Frankische rijk na de dood van Pippijn ll gebruik maakte om opnieuw naar de wapenen te grijpen en grote stukken grondgebied op de Franken te heroveren. Kerken en kloosters werden verwoest en de missionarissen werden verdreven. Willibrord moest zelfs Trecht hals over kop ont vluchten. 

Hij week uit naar het door hem gestichte klooster Echternach (Luxemburg).  Evangelieprediker Winfrith trof het dan ook bijzonder ongelukkig toen hij hier in 716 aankwam. Toen Karel Martel in 719 het Frankische gezag weer had hersteld, kon Willibrord terugkeren. Nadat in 722 Winfried door de Paus tot missiebisschop was gewijd, begonnen zij samen vanuit Trecht het Friese bisdom op te bouwen. Overal werden kerken gesticht: in Noord-Holland in Vlaardingen, Velsen, Oegstgeest, Heilo en Petten, en in de Betuwe bij Elst.
In 718 begon Karel Martel, de opvolger van Pepijn, met de herovering van de verloren gegane Frankische gebieden. Dat lukt snel toen in 719 Radboud overleed. Het herstel van de Frankische macht werd zelfs voltooid met het onderwerpen van het Friese kerngebied.
Willibrord, inmiddels ruim zestig jaar oud geworden, haastte zich terug om de schade te herstellen. Hij kreeg hierbij de assistentie van de in midden-Duitsland werkende Bonifacius. In een paar jaar tijd was de heropbouw van het aartsbisdom van de Friezen gerealiseerd.

Na deze inspannende arbeid trok Willibrord zich terug in de door hem gestichte abdij van Echternach. Op zeventigjarige leeftijd schrijft hij in de marge van zijn kalender de naar zijn mening belangrijkste gebeurtenissen van zijn leven en zijn missiewerk. Volgens sommige bronnen was de ijverige pionier van de Friese kerk moegestreden. "Hij verlangde naar de hemel". 

rechts: de abdij van Echternach

De tekst op Willibrords kalender luidt: "In de naam des Heren kwam Clemens Willibrordus in het jaar 690 na Christus' geboorte over zee naar het Frankenland en in de naam des Heren werd hij in het jaar 695 na 's Heren geboorte - hoewel hij onwaardig was - in Rome tot bisschop gewijd door de apostolische man, Heer Sergius, Paus. Nu echter leeft hij in de naam van God in het jaar 728 na de geboorte van onze Heer Jezus Christus gelukkig". Drie zaken vindt hij kennelijk belangrijk: zijn overtocht naar het vaste land van Europa omstreeks 690, zijn bisschopswijding in 695 door paus Sergius I, die hem de naam Clemens gaf, en het feit dat hij op het eind van zijn leven tevreden mag terugzien op zijn ruim veertigjarige missiearbeid. Het is de enige tekst die Willibrord zelf ons heeft nagelaten. Alle overige gegevens over hem zijn geschreven door tijdgenoten. Misschien roept dat wat verbazing op. Maar kennelijk was Willibrord niet het type van de middeleeuwse monnik die zijn leven sleet met het overschrijven en illustreren van bijbelteksten, liturgische verhandelingen en andere stichtelijke geschriften. Willibrord was een man van de praktijk. Een echte missionaris die er op uit trok om het geloof te verkondigen, te dopen en kerken en kloosters te bouwen.

Clemens Willibrordus overleed 7 november 739 op 81-jarige leeftijd in de abdij van Echternach waar hij ook werd begraven.
Het was echter de vraag of Winfried en Willibrord met hun bekeringswerk ten noorden van de Oude Rijn veel succes hadden. Wynfrith (die zich nu Bonifatius noemde) werd tijdens één van zijn prediktochten bij Dokkum door rovers vermoord. De kerstening in Brabant zou eveneens een lang en moeizaam karwei blijken. Ze heeft niet minder dan twee eeuwen geduurd, vermoedelijk doordat de missie zonder al te veel plan en samenhang werd ondernomen. Waarschijnlijk vond de hoge geestelijkheid van het Frankische rijk het nogal achtergebleven Brabant niet belangrijk genoeg om er veel aandacht aan te besteden. Bekende evangeliepredikers in Brabant waren: Lambertus (vermoord door een gewapende bende bij Luik) en Hubertus. De laatste werd bisschop van Tongeren in 709. Hij verplaatste de bisschopszetel naar Maastricht. Het bisdom Luik strekte zich uit van de Maas tot aan de Dijle. Het bisdom Kamerijk-Atrecht van Dijle tot de Schelde. 

Gemaakt: 28-09-06

colofon