2721

De Lage landen (600 - 650)

  Lage Landen 500 - 600; Franken 600 - 700; Friezen (600 - 679)

Na Clovis' dood (511) hadden de Friezen geprofiteerd van de onenigheid over de opvolging in het Frankenrijk en de nederzettingen U()Trecht en Dorestad veroverd. In het westen kwam het hele gebied tot aan Zeeland onder het gezag van de Friezen. De handelsplaatsen aan de Oude Rijn gaven toegang tot de handelsroutes van de Noordzee naar het Europese achterland. Vervolgens bouwden de Friezen een handelsmonopolie op de Noordzee op. In de zevende eeuw raakte Frisia tamelijk dicht bevolkt en kende naast een bloeiende handel blijkbaar ook een sterk gezag. Vermoedelijk stonden de Friezen toen al onder leiding van één koning. Hoe deze voorgangers heetten is niet bekend. 

Het is mogelijk dat in het centrale rivierengebied van Nederland, aan het begin van de zevende eeuw, een Friese koning Audulfus heerste. De geschreven bronnen maken geen vermelding van deze vorst, maar er zijn vijf munten gevonden waarop “Audulfusen “Frisia” staat. Bij vier munten staat op de voorzijde AUDULFUS FRISIA en op de achterzijde VICTORIA AUDULFO. Bij één munt staat AUDULFUS op de voorzijde, en FRISIA op de achterzijde. De munten zijn gevonden in Escharen, in Engeland en in de omgeving van Arnhem. Ze zijn waarschijnlijk tussen 600 en 630 geslagen.

De zevende en de achtste eeuw staan te boek als een bloeiperiode voor Frisia, maar in hoeverre dat ook geldt voor het Oer-IJ-gebied is de vraag. Dit zijn de eeuwen van de zogeheten Friese handel en het Friese koninkrijk. De Friezen bevoeren de Noord- en Oostzee en domineerden de handel in dat hele gebied. Friese koningen beheersten het kustgebied tussen de monding van de Schelde en de Weser en leverden strijd met de Franken om de macht over steden Utrecht en Dorestad. Maar het Oer-IJ-gebied was noch politiek noch commercieel the place to be. De beroemde Friese koningen hebben hier niet geregeerd en handelscentra van enige betekenis waren er evenmin.
Dat betekent niet dat er geen machthebbers of kooplieden waren. Er moeten in deze tijd edellieden zijn geweest die vanuit Velsen het gebied beheersten. En de vele vondsten van importaardewerk en andere spullen van elders bewijzen dat de bewoners handelden met de buitenwereld. Dat is ook logisch, aangezien het gebied zowel vanuit het westen, over zee, als uit het oosten, over de Rijn, de Vecht en het Oer-IJ, uitstekend te bereiken was. Maar koningen als Radbot en handelscentra als Dorestad of zelfs maar het bescheidener Medemblik – nee, op mannen en plaatsen van die allure kon dit gebied niet bogen.

Bron: Een ontdekkingstocht naar het onbekende verleden van Noord-Holland - Bewoners

Het deltagebied van de Rijn en Maas was door het opdringende water en in de afgelopen eeuwen steeds drassiger geworden bodem, een betrekkelijk geïsoleerd gebied. Nederzettingen waren alleen te vinden langs de mondingen van de grote rivieren en op sommige hoger gelegen gronden. Het groeiende Friese handelsverkeer, met als centrum Dorestad, gaf de impuls tot het ontstaan van nieuwe nederzettingen in Holland, waaronder Rothulfuasheim (Rudolfsheim). Later werd die naam veranderd in Rinusburg (Rijnsburg). 

Bijna een eeuw lang streden de Franken tegen de Friezen. Het ging de Franken vooral om het zo belangrijke rivierengebied ten zuiden van de Rijn. 

Het grote, rijke en vruchtbare land van de Friezen lokte de machtswellustige Franken al heel lang. Hun veroveringszucht hadden zij in de voorgaande eeuwen kunnen uitleven op Wenden, Saksen, Thoringi, Gothen en Bourgondiërs. Vanaf het begin van de 6e eeuw, richten de inmiddels gekerstende Franken zich ook op het heidense Friesland. Delen worden ingelijfd bij het Frankische rijk en gepoogd wordt de bevolking te bekeren. De strijd verloopt in een golfbeweging. 

(U)Trecht en Dorestad zouden in de zevende eeuw maar liefst 3 keer van het ene naar het andere kamp geslingerd worden. In 628 ondernam de Frankische koning Dagobert I (629-639) een grote oorlogsexpeditie naar het noorden. Het Fries-Saksische leger bood nauwelijks weerstand. Daarna trokken de Frankische benden ongehinderd door het stille land. Hier en daar plunderden ze een boerderij en moordden de bewoners uit. Veel Friezen en Saksen werden krijgsgevangen gemaakt. Bisschop Eligius van Noyon kocht op de slavenmarkt enige van deze krijgsgevangenen, kerstende ze en stuurde ze voor missiewerk naar hun gebieden terug. 

Dagobert breidde het Frankische gezag uit tot aan de Rijn over de Betuwe, (U)Trecht en Hamaland. In de door hem veroverde nederzetting (U)Trecht richtte hij een kerkje op, van waaruit het bekeringsproces van de Friezen zou gebeuren. Rond 650 na Chr. werden er Frankische munten geslagen in Dorestad. 

Op de puinstenen van het oude Romeinse castellum in Trecht (z. afb. hierboven) bouwden de Franken de muren weer op. Ook bouwden zij er een kerkje, het eerste kerkje in de Lage Landen. Uit Engeland en Ierland liet Dagobert evangeliepredikers overkomen om de heidense Friezen door hen te laten bekeren tot het Christendom, niet omdat Dagobert zo'n vroom Christen was, maar om de Friezen gemakkelijker te kunnen onderwerpen, want wie gekerstend was, onderwierp zich tegelijk aan de enige Christelijke vorst in deze streek: Dagobert, de koning der Franken. 
Lage Landen (650 - 679)

laatst bijgewerkt: 23-10-06

colofon