4101 |
Frankische rijk (711 - 737) |
![]()
|
Zijn vrouw Plectrudis nam de zaken voor hem waar. Enkele dagen later liet hij zich naar zijn bezittingen in Jupille vervoeren. Na een korte herstelperiode kwam Pippijn op 16 december 714 te overlijden. Kort na het overlijden van zijn vader werd prins Grimoald in de kerk vermoord door Rangar, een heidense Fries. Was dit wraak voor zijn overspel, een politieke zet van Redbad? We kunnen slechts gissen. Van Theudesinde, Redbads dochter, wordt niets meer vernomen. In geschriften wordt de vrouw van graaf Ebroin van Kleef Theodswinth genoemd, misschien is deze vrouw wel dezelfde als de dochter van Redbad. Na de dood van Pippijn ll onderging het Frankische Rijk een zware crisis. Theudobald, de zoon van Grimoald (hofmeier van Austrasië van 643 tot 662) had het recht van opvolging, maar was pas zes jaar. Plectrudis nam het heft in handen. Weer viel het Frankische rijk in delen uiteen. De Neustriërs wilden Theudobald niet erkennen maar riepen Raganfred (Raganfried) tot hertog uit, terwijl ook een deel voorkeur had voor Karel Martèl. Het rijk werd gered door Karel Martel, een onwettige zoon van Pippijn en zijn maîtresse Alpaïs (Chalpaida). Als de nieuwe hofmeier werd hij, na de Merovingische koning rechts: Pippijn ll van Herstal |
![]() |
Karel Martèl, die op bevel van zijn stiefmoeder Plectrude gevangen was gezet, wist, op het moment dat Plectrude het zwaar te verduren had bij Keulen, te ontsnappen. Hij slaagde erin enkele Austrasische legereenheden aan zich te binden, maar was nog steeds te zwak voor de Friese overmacht. Tegen de Neustriërs lukte het ook niet erg. Bij toeval haalde hij een onbetekenende overwinning op een Neustrisch legeronderdeel in het bos van Amblava in Limburg. Dit sterkte het vertrouwen in zijn kunnen. Ook bij Austrasiërs. In 717 versloeg Karel Martel de Neustriërs, in 718 verdreef hij de Saksen en hield hij strafexpedities in hun gebied tot aan de Weser. Toen Theudobald kwam te overlijden, verzoende Karel zich met Plectrudis. Ze wisten een leger op de been te brengen dat in staat was de Friese aanvallen tot staan te brengen ( In 719, toen de Friese koning |
Van buitenaf werd het Frankische rijk van alle kanten bedreigd: vanuit het oosten door de Longobarden, de Slaven en de Saksen en vanuit het zuiden door de Arabieren (Saracenen). De Saksen, een volk dat tussen de Rijn, Elbe en de Eider woonde, drongen van alle kanten op en dwongen de ene trotse hertog na de andere de hulp in te roepen van de rijksregering. Ook al beschouwde Karel Martel zichzelf niet als koning over het Merovingische Rijk, hij was wel de enige die de macht in handen had. Hij stuurde zendelingen naar de nieuw veroverde gebieden. Die eerste zendelingen waren Engelsen, omdat zij Saksisch spraken en derhalve geen taalproblemen ondervonden. In de Lage landen waren zij eerst in het zuiden actief. De IJsselstreek kwam pas later met Bonifatius, Willibrord, Lebuinus en Liudger aan bod. De oorzaak van deze late bekering was dat de zendelingen met de Franken optrokken en derhalve door de Saksen die hier woonden, niet met veel vertrouwen tegemoet werden gezien. Zij heulden immers met de vijand. De Saksen woonden samen in stamverband. Eén Saksisch rijk is er nooit geweest. Zij trokken lootjes om te bepalen wie hun aanvoerder in oorlogstijd was. Er waren drie militaire groepen te onderscheiden; Westfalen, Oostfalen en Engeren. De leider van zo'n groep werd satraap genoemd, een soort landvoogd. Jaarlijks werd er door de satrapen vergaderd in Marklo aan de Weser. Samen met 12 edelen, 12 vrijen en 12 horigen uit iedere groep. Lebuinis had zich ooit eens bij zo'n vergadering beklaagd over de vernietiging van zijn kerk in Deventer, maar wist amper te ontsnappen. |
Dat Karel Martel een groot legeraanvoerder was, bleek door zijn veroveringen van Friesland, Hessen en Thüringen. Daarmee wist hij de Saksen te omsingelen. Maakten de zendelingen op religieus gebied een einde aan de Saksische zelfstandigheid, Karel Martel deed dat op politiek terrein. Hierdoor raakten de bewoners van deze streek betrokken bij een reeks veranderingen. Iedere bewoner werd onderdaan van een gouw en gelovige van een kerk. Tevens werden zij hierdoor deelgenoot van de agrarische revolutie.
rechts: Karel Martel |
|
![]() |
Boven: Slag bij Poitiers, Galerie des Batailles, Château de Versailles Slag bij Poitiers (732) Arabische ruiterbenden vormden al lange tijd een grote plaag voor de zuidelijke gebieden. Ze hadden Narbonne en Autun al ingenomen en ook al de bovenloop van de Seine bereikt. De stad Bordeaux was eveneens in hun handen gevallen. Karel Martel verzamelde alle strijdkrachten uit het land en stak daarmee de Loire over, op weg naar Bordeaux. Tussen Tours en Poitiers, in het hart van Neustrië, stootte hij op de voorhoede van de Arabieren. Zeven dagen lagen de legers onbeweeglijk tegenover elkaar, slechts elkander observerend. Toen tenslotte de Arabische ruiters op hun snelle paarden, met de kromme sabels opgeheven, op de vast aaneengesloten scharen der Franken afstormden, stuitten ze terug tegen een levende muur van Frankische soldaten, bewapend met zware slagzwaarden. |
![]() |
Tot het vallen van de avond boden de Franken bittere tegenstand. Bij het aanbreken van de dag stonden zij weer in slagorde opgesteld, gereed om de strijd voort te zetten. Er waren echter geen Arabieren meer te zien. Hun kamp was leeg en verlaten. De overwinning van Islam was gestuit (732). Daarmee was de aanvalskracht van de Arabieren echter nog niet volkomen gebroken. Nog verscheidene jaren moest Karel tegen hen strijden. In 734 werden de Friezen definitief verslagen door hofmeier Karel Martel. |
laatst gewijzigd: 21-11-07 |