5194

Het kasteel te Medemblik (Kasteel Radboud)

Kasteel Radboud bij Medemblik (z. foto rechts) is het enige kasteel van de reeks dwangburchten die Floris V tegen het eind van de 13e eeuw liet bouwen, die bewaard is gebleven, zij het in verminkte toestand. Van dit kasteel staan nog twee woonvleugels. twee vierkante torens en een ronde toren overeind. Kasteel Radboud moet een sterke burcht zijn geweest. 
Ook dit kasteel werd na de moord op Floris V (1296) door de West-Friezen bestormd, maar de aanval werd hier uiteindelijk afgeslagen, zodat dit kasteel gespaard werd. Om de geschiedenis van dit kasteel is een aantal legenden ontstaan, waarmee meestal de naam, Radboud, de legendarische koning van de Friezen van 679 tot 719, is verweven, zo zelfs dat het kasteel van Medemblik in de volksmond nog altijd de naam "Kasteel Radboud" draagt. Hij zou volgens de legende het kasteel zelfs gesticht hebben. De werkelijkheid is anders. Wel is Medemblik ooit koninklijk bezit geweest; er waren koninklijke tienden en er was zelfs een 'munt': er werden dus munten geslagen. Ook was er een tolhuis, waaruit je kunt opmaken dat de plaats Medemblik belangrijk was voor het handelsverkeer.

Ook komt er een naam van een keizer voor: Geen Radboud (Redbad), maar Otto. Keizer Otto III (983 - 1002), was een Duits keizer met veel macht. Een zekere graaf, Ansfried, had een gedeelte van de tol, de munt en de cijns in leen in het koninklijke bezit Medemblik. Het bezit van een 'tolhuis' en een 'munt', wijst op de aanwezigheid van versterkt huis (fortificatie, burcht). Beide gebouwen zullen zeker niet onbeschermd zijn geweest. Waar hebben de gebouwen gestaan? Men denkt daarbij natuurlijk in de eerste plaats aan een restant van een ander kasteel, op de plaats van het huidige, maar acheologisch onderzoek tijdens de laatste restauratie, heeft niets aan het licht gebracht. Dit laat twee mogelijkheden open: of het tolhuis en de munt stonden ergens anders, of de sporen ervan onder het kasteel zijn helemaal uitgewist.

De keizer gaf op 26 juni 985 dit allemaal aan de graaf in eigendom. Tegelijkertijd schonk de koning aan een andere graaf: Dirk II van Holland (939 - 988) het gebied tussen de riviertjes "Medemelacha" en "Chinnelosare". Dit stuk land, dat deze graaf tot nu toe van Otto III in leen had, lag waarschijnlijk tussen het riviertje de 'Middenleek', waaraan Medemblik zijn naam dankt en het riviertje 'Chinnelosare' langs de grens van Kennemerland. Deze schenking vond twee maanden later plaats na de schenking aan graaf Ansfried (25 aug. 985). Toen Ansfried in 995 tot bisschop van Utrecht werd gewijd, bezat de kerk daarmee alle rechten in Medemblik. 

De geschiedenis van Medemblik gaat nog veel verder terug dan het einde van de 10e eeuw.  Al rond 700 was Medemblik (Medemelaka of Medemelacha) ontstaan als een haven- en handelsplaats aan een noord-zuid verlopende scheepvaartroute door de Zuiderzee (toen nog het veel kleinere Almere) In de 7e eeuw ontwikkelde had Frisia zich ontwikkeld tot een belangrijk gebied, waarover legendarische "koningen" als Aldgisl (ca. 670 - 679) en Redbad (679 - 719) heersten. Sommige wetenschappers menen zelfs dat toen het huidige Noord-Holland het centrum vormde van waaruit de Friese koningen opereerden. Het is niet duidelijk of de Friese koningen een vast hof hadden, of net als hun hun Frankische collega's met hun hofhouding heen en weer reisden tussen een aantal versterkte nederzettingen. 

De hoger gelegen zandgronden in de kuststrook waren toen ook al bewoond. West-Friesland was verder in die tijd nog een groot veenmoeras, dat slechts door enkele betrekkelijk smalle geulen o.a. het Vlie (de verbinding tussen de Noordzee en het Almere) was gescheiden van Friesland. Het veenland strekte zich toen uit tot over een deel van het huidige IJsselmeer en de Waddenzee. Zie de kaart op p. 34 van 'Leefbaar Laagland' (1993). Tussen 800 en 1300 is veel land weggeslagen in het noordelijke IJsselmeergebied en het westelijke deel van de Waddenzee. Hierdoor raakte West-Friesland gescheiden van Friesland.

In 734 versloeg Karel Martel de Friese hertog Hrodbad bij de Boorne, een riviertje dat destijds in de Middelzee uitkwam. Het rivierengebied, de Vechtstreek, het Zuiderzeegebied, de streek van het tegenwoordige Velsen en tenslotte ook het verdere Friese gebied tot aan de IJsel en de Lauwers kwamen nu in zijn macht. Friesland verloor zijn onafhankelijkheid en werd Friesland als nieuw hertogdom (tot 885) bij het Frankische rijk ingelijfd. ( De Lage Landen (700 - 734)) Een aantal landgoederen kwamen onder direct koninklijk gezag te staan. Deze goederen waren dus niet in leen gegeven, en de opbrengsten vloeiden rechtstreeks naar de koning. Het is aannemelijk dat de Frankische koningsgoederen in de Friese gebieden vroeger Friese koningsgebieden zijn geweest en de belangrijkste gebieden vormden. De koningsgoederen in Noord-Holland waren Texel, Wieringen, Medemblik, Velsen en Muiden.

Daarna volgden invallen van Noormannen. Van 850 tot 885 heeft een Noormannenrijk bestaan in West-Nederland onder de Deense heerser Rorik (840 -ca. 874). In  864 kwamen de Friezen tegen Rorik  in opstand  en wisten hem daarbij te verjagen, maar Lotharius ll herstelde hem in zijn functie. ( De Lage Landen (880-900)) Na Rorik kwam Noormannen aanvoerder Godfrid "de Noorman" (879-885)

Nadat de Noormannen door de Franken waren verdreven kwam de macht, met instemming van de Frankische koning, in handen van de Friese graaf Gerulf lI, die wordt beschouwd als de stamvader van het Hollandse huis. De eerste Hollandse graaf was Dirk I (overleden in 939) ontving in 922 de kerk van Egmond met de daarbij behorende goederen in het noorden van Holland van koning Karel III (de Eenvoudige) der Franken. In die tijd begon de ontginning van het Hollandse veengebied. 

Circa 130 jaar later is de kerk van Medemblik door de bisschop van Utrecht geschonken aan het kapittel van Sint Maarten te Utrecht (1118). Dit kapittel bezat in de 9e eeuw ook al een koninklijke tiend en landbezit in Medemblik en het (daarbij gelegen?) Frieswijk.

In de 13e eeuw, tijdens zijn strijd tegen de West-Friezen, gaf de Hollandse graaf Floris V, het strategisch belang van Medemblik de hoogste prioriteit. Na de zijn overwinning bouwde hij zijn dwangburchten, met als doel de West-Friezen onder de duim te houden en zo zijn overwinning kracht bij te zetten. Hofdichter en geschiedschrijver van Floris V, Melis Stoke, memoreert deze gebeurtenissen in zijn Rijmkroniek van Holland: eerst bouwde Floris V het slot te Wijdenes en daarna het kasteel in Medemblik. Ook zijn er ook nog drie burchten vanaf Alkmaar naar het noorden neergezet: de Middelburg, de Nieuwburg en de Nuwendoorn aan de monding van het riviertje de Rekere.

Wanneer het kasteel in Medemblik is gebouwd is niet goed bekend, maar dat zal in ieder geval vóór het jaar 1290 zijn geweest. Wat wel vast staat is het feit dat reeds in 1282 de opdracht daarvoor is gegeven. Het kasteel was gebouwd volgens een vierkant ontwerp en was daardoor destijds een ultra modern kasteel, dat aan de West-Friezen behoorlijk tegenstand kon bieden. Er is dus een tijd geweest dat Medemblik de belangrijkste plaats in de huidige provincie Noord-Holland was, en die eer werd gedeeld met Muiden. Graaf Floris V gaf Medemblik in 1289 stadsrechten.
Na de moord op Floris V in 1296 en aangezet door de bisschop van Utrecht, Willem van Mechelen, kwam een groot deel van de bevolking van Holland in opstand, waaronder de West-Friezen. Toen de West-Friezen na de belegering van het het Muiderslot vandaar al plunderend terugtrokken, veroverden zij onderweg het kasteel te Wijdenes en maakten het deze burcht met de grond gelijk. Hetzelfde lot trof ook het kasteel de Nuwendoorn. 

rechts: Kasteel van Medemblik

Ook het kasteel in Medemblik werd bestormd, maar de aanval werd afgeslagen door het garnizoen van de graaf. Dit zou onder leiding van de slotvoogd Hugo van Assendelft zijn gedaan, waarbij Hugo sneuvelde. De Westfriezen gaven niet op en besloten om het slot lang te belegeren en de mensen binnen het kasteel uit te hongeren zodat zij zo tot overgave werden gedwongen. Maar onder leiding van de nieuwe slotvoogd Florens Wouterz. van Egmond, hielden de verdedigers van het kasteel stand totdat zij in 1297 werden ontzet door het grafelijke leger, onder leiding van Floris V's neef Jan van Avesnes (van Henegouwen), samen met heren van Arkel en Putten. ( Daarna duurde het niet lang meer tot de Westfriezen definitief door de Hollanders waren onderworpen! 

Op 24 juni 1517 voerde de Friese piraat en vrijheidsstrijder Grote Pier met zijn bende "De Zwarte Hoop", een ongeregelde bende van 4000 Gelderse en Friese soldaten naar West-Friesland, om bij Wervershoop aan land te gaan In een mum van tijd werd Medemblik overrompeld. Vele inwoners werden gedood en enkele gevangen genomen en weer tegen een hoge losprijs vrijgelaten. Een gedeelte van de inwoners zocht een veilig toevlucht in kasteel Radboud. Slotvoogd Joost van Buren wist de overvallers buiten de poort en de muren van het kasteel te houden, maar kon niet verhinderen dat Piers bende de stad plunderderden en daarna in brand staken. Omdat de meeste huizen van hout waren, brandde het stadje als een fakkel. kerk, kloosters en raadhuis gingen in vlammen op, inclusief het stadsarchief.

laatst bijgewerkt: 04-02-04

colofon