5256

Het Roomse Rijk (936 - 973)

Het Roomse Rijk (911- 936)

Hendrik l van Saksen (919-936) werd opgevolgd door zijn zoon

Otto I de Grote (936-973) (Saksische Huis)

Otto I hield zich eerst bezig met de Slaven die in Noord-Duitsland woonden. Zij werden door hem bijkans uitgeroeid. Otto I hanteerde daarbij de beproefde methode van zijn grote voorganger, Karel de Grote, want na hem kwamen de zendelingen. Er werden vele bisdommen gesticht. 

Otto l was gehuwd met Eadgyth (Edith, Editha) van Wessex, de dochter van koning Edward l van Engeland.

De opstand van 939

Otto I was niet zo'n geduldig man als zijn vader. Hij joeg de Lotharingers flink tegen zich in het harnas door te stellen dat alle hertogen ondergeschikt waren aan de koning. Dit idee van rijkseenheid sloeg in Lotharingen niet aan. Daarnaast had Otto I een vertroebelde relatie met zijn broer Hendrik, hertog van Beieren (920 - 955), die geboren was toen hun vader Hendrik l van Saksen koning was. Hendrik was dus "in het purper" geboren en meende daarom meer recht op het koningsschap te hebben. De opstandige Lotharingers vonden in Hendrik van Beieren en Otto's andere broer Thankmar bondgenoten.

Rechts: Otto l

Opnieuw kwam Giselbert, de hertog van Lotharingen, in opstand, samen met Hendrik van Saksen en hertog Eberhard van Franken, de broer van voormalige koning Koenraad I. In 939 trok Otto I met een leger naar Lotharingen. De eerste veldslag bij Birthen bij Xanthen, al eerder toneel van een veldslag, werd gewonnen door Otto I. Giselbert stelde zich in verbinding met Lodewijk IV van Overzee (ca. 936-954) van West-Franken, die zijn vader Karel III de Eenvoudige inmiddels was opgevolgd. Otto I trok samen met zijn zwager hertog Hugo van Francië opnieuw naar Lotharingen en verwoestte er de bezittingen van Giselbert. Daarop vielen Giselbert en Hendrik van Saksen het thuisland van Otto I, Saksen, binnen. Otto I stuurde hen een leger achterna dat de opstandelingen inhaalde bij de oversteek van de Rijn bij Andernach (2 oktober 939). Opnieuw won Otto I's leger. Eberhard van Franken sneuvelde in deze slag, Zijn hertogdom verviel aan de kroon. Giselbert probeerde te vluchten, maar verdronk in de Rijn. De Lotharingse opstand van 939 was neergeslagen. Otto l trok Franken bij het koninklijk domein en gaf zoveel mogelijk hertogdommen aan familieleden in leen.

Giselbert liet na zijn dood een minderjarig zoontje, Hendrik geheten, achter. De andere opstandeling, Hendrik van Beieren, sloot vrede met zijn broer (Otto I), die hem vervolgens als dank benoemde tot hertog van Lotharingen. Een succes was dat niet. Prompt nadat Otto I Lotharingen had verlaten brak er een opstand uit en werd de kersverse hertog zijn land uitgejaagd (940).

Otto I zag in dat hij niet zomaar een hertog in Lotharingen kon aanstellen. Zijn beeld van een hertog als ambtelijk schakel tussen koning en graaf moest hij herzien. Hij herstelde het Lotharingse eergevoel door Otto van Verdun tot voogd van de zoon van Giselbert aan te stellen en hem tot hertog van Lotharingen te verheffen. 

In 944 overleden zowel Otto van Verdun als Hendrik, het zoontje van Giselbert. Hierop meende Lodewijk IV van West-Franken, die getrouwd was met Giselberts weduwe Gerberga van Saksen aanspraken op Lotharingen te kunnen maken. Otto I voorzag nieuwe moeilijkheden en stelde zijn schoonzoon Konrad der Rote (Koenraad "de Rode") aan als hertog van Lotharingen. Deze had ondanks zijn jonge leeftijd zijn sporen als militair inmiddels verdient en was goed opgewassen tegen de explosieve situatie in Lotharingen. Koenraad was graaf in Wormsgouw, Speyergouw, Nahegouw en Wetterau. Ook dit keer ontvingen de Lotharingers de vreemde hertog niet met open armen. Koenraad "de Rode" kon zich alleen handhaven door zwaar op Otto I's macht te steunen. 

In 946 marcheerde Otto l naar Rouen en veroverde Reims. In 950 werd Bohemen ingenomen en in 951 ondernam hij een expedities naar Italië, waarbij Otto in het bezit kwam van Noord-Italië. Hierdoor viel Rome, hoofdstad der westelijke Christenheid, nu ook onder hem. Hij ontmoette ook Adelheid, de weduwe van koning Lotharius van Italië, die in 950 was overleden (vergiftigd). Op Kerstmis 951 traden Adelheid en Ottol  in het huwelijk trad en kwam Otto rechtmatig in het bezit van Noord-Italië.

In maart 953 wist Otto's oudste zoon Liudolf, de hertog van Zwaben Koenraad de Rode (hertog van Lotharingen) en Hendrik, hertog van Beieren en broer van Otto en talrijke grote heren over te halen tot een opstand tegen de steeds groeiende inmenging van de koning in het bestuur van hun gebieden. Otto zette Koenraad af, waarop Reinier (Reginar) III van Henegouw, deze kans onmiddellijk aangreep om de "buitenlandse" hertog legitiem het land uit te schoppen. Reginar III's plan was tevens de goederen van zijn oom Giselbert te verwerven. Dat ging echter niet door, want Otto l stelde zijn eigen broer Bruno, de aartsbisschop van Keulen (953) aan als de nieuwe hertog.Bruno kon misschien beter met Lotharingers omgaan, want hij was immers in Lotharingen opgevoed.

Koenraad "de Rode" sloeg in 955 terug met een leger Magyaren en trok een spoor van vernieling door het gehele rijk, waaronder Lotharingen. Otto I zag zich genoodzaakt zelf in te grijpen. De verschrikkelijke verwoestingen die de Hongaren hadden aangericht, bewerkten dat allen zich weer eensgezind rond de koning schaarden. Op 10 augustus 955 werden de Magyaren door een gemeenschappelijk Duits leger verpletterd verslagen op het Lechfeld, (de vlakte tussen de Lech en de Wertach bij Augsburg),  zodat er een eind kwam aan hun plundertochten naar het  westen. In deze slag kwam Koenraad de Rode om het leven. Inmiddels had hij zijn bijnaam verdiend, Otto I de Grote. Hij was de stichter van het Duitse Roomse (= Romeinse) Rijk.

Detail uit het schilderij „Die Ungarnschlacht auf dem Lechfeld 955” von Michael Echter (1812-1879). Het originele schilderij evindt zich in de Stiftung Maximilianeum in München.
In 958 werd het hertogdom Lotharingen gesplitst in de hertogdommen Neder-Lotharingen (Brabant) en Opper-Lothearingen (Moezel). Beiden beven echter vazalstaten van de Duitse kroon. Frederik van Bar werd als hertog in Opper-Lotharingen aangesteld. 

Of Neder-Lotharingen van meet af aan ook een hertogdom was, is de vraag. In ieder geval kwam het ambtsgebied Neder-Lotharingen in handen van Godfried I, graaf van Keulengouw en paltsgraaf van Lotharingen. Bruno, de laatste hertog van Lotharingen, had Godfried goed gekend, want deze was een leerling van hem. 

Ondanks de de duistere regeling rond de hertogstitel komt Godfried I in 964 in de bronnen voor als "dux", maar zonder ambtsgebied. Om in zijn nieuwe hertogdom meer status te krijgen werd hij bekleed met de grafelijke macht in Henegouwen. De eerste opdracht van Godfried I was de uitschakeling van Irmfried II van Luikgouw. Hoe hij met zijn achterneef afrekende is onbekend, maar blijkbaar slaagde hij daar in. Veel tijd om een hertogelijke dynastie te stichten was Godfried I niet vergund. Al in 964 overleed hij aan de pest, toen hij keizer Otto I op zijn kroningsreis naar Rome begeleide. Godfried I overleed zonder kinderen achter te laten, waardoor er plotseling een hertogelijke functie vacant was. Neder-Lotharingen ging wederom onrustige tijden tegemoet. In Neder-Lotharingen werd een neef van Godfried I, Richer, graaf van Luikgouw, benoemd. 

In 962 werd Otto I in Rome met de keizerskroon van Karel de Grote door paus  Johannes Xll tot keizer van het eerste Duitse keizerrijk gekroond. Zijn echtgenote Adelheid werd gekroond tot keizerin. Daarmee verkreeg het rijksgezag een heilige karakter, ver uitstekend boven het ordinaire koningschap. Tegelijkertijd vaardigde Otto het Privilegium Ottomianum uit, die de verhouding regelde tussen de paus en de keizer. Iedere paus moest eem eed van trouw aan de keizer afleggen. Een jaar later werd de keuze van een nieuwe paus afhankelijk van de goedkeuring van de keizer. Het keizerschap werd pas na moeizame onderhandelingen erkend door keizer Romanos ll van het Oost-Romeinse (Byzantijnse) Rijk, die nog steeds aanspraken maakte op het hele Romeinse keizerrijk.

Het Heilige Roomse Rijk was leven ingeblazen. Otto I kreeg echter problemen met de pausen en zette enkele van hen af. Zijn beleid was gericht op het nauw samengaan van het  rijksgezag met bisschoppen en hun colleges van kanunniken. Wie het daar niet mee eens was moest vertrekken. Otto I was sowieso druk in Italië, waar hij een oorlog voerde met koning Berengarius. Ondertussen ontwikkelde er zich een aanzienlijke literatuur aan het hof en in enkele kloosters in het westen. Aan het thuisfront in Lotharingen was men ondanks het heilige randje van Otto I's bewind niet volgzamer of gedweeër geworden. Otto I's broer Bruno, aartsbisschop van Keulen, liet zijn gezag als gedelegeerde geducht gelden. Dit leidde tot ontevredenheid en onwilligheid onder de plaatselijke potentaten.

Het Roomse Rijk (973 - 1002)

laatst bijgewerkt: 07-01-08

colofon