6245 |
Slag bij Woeringen (1288) |
![]() |
Toen in 1280 hertog Walram III van Limburg stierf zonder mannelijke opvolgers werd het hertogdom, (niet verwarren met het huidige Limburg, dat in de Middeleeuwen Loon heette), door Rooms-koning
|
|
Als Reinald I, de machtigste graaf aan de Maas, Limburg verwierf, zou deze de Maas beheersen van Gorkum tot bij Luik. Hertog Jan I van Brabant zou dan waarschijnlijk voor eeuwig van de handelsweg naar de Rijn afgesneden worden en zou Lotharingen nooit herrijzen. Kortom, de ambities waren groot. Diverse allianties werden gevormd. Zo sloten de aartsbisschop van Keulen, Na vijf jaren van schermutselingen en rooftochten over en weer kwam het tot een bemiddelingspoging. De schoonvader van Reinald I, graaf Guy van Vlaanderen, trad als bemiddelaar op. Op Pinksteren 1288 zouden beide partijen samenkomen om vrede te sluiten. Reinald I verwachtte in het geschil niet erg sterk te staan en verkocht zijn rechten op Limburg aan graaf Hendrik van Luxemburg voor 1000 marken in Brabantse penningen. Hertog Jan I van Brabant hoorde onderweg naar de onderhandelingstafel van deze rechtsafstand. De hertog ontstak in woede toen hij over deze zoveelste streek van Reinald I hoorde. Het verhaal gaat dat hij een stok doormidden beet. Graaf Reinald I bevond zich op dat moment in de vesting van de heer Walram 'de Rosse' van Valkenburg voor overleg met zijn bondgenoten. Toen de hertog van Brabant hier lucht van kreeg, aarzelde hij geen moment. Hij rukte met zijn troepen op. Helaas voor hem werden Reinald I en zijn makkers tijdig gewaarschuwd en zij vluchtten. De heren ontsnapten, maar met een legertje van1500 man drong de Brabantse hertog door tot Bonn. Het gebied waar hij door trekt ging in vlammen op. |
De burcht van Woeringen was inmiddels ingenomen door de aartsbisschop van Keulen. Deze bezetting was een grote last voor het handelsverkeer. De Keulenaars deden hierover hun beklag bij de hertog van Brabant. De Keulse burgers wilden zich aan het gezag van hun aartsbisschop onttrekken en een vrije rijksstad worden. De graven van Berg en Mark adviseerden de hertog vervolgens deze burcht in te nemen om te laten zien dat wie de ware hertog van Limburg was. Eén van de taken van de hertog van Limburg was immers om de roofburchten die in zijn gebied lagen te verwoesten om de landvrede te bewaren. Hertog Jan I besloot hierop naar Woeringen te trekken en de aartsbisschop uit te dagen. Daar kwam het in 1288 eindelijk tot een treffen tussen de verschillende legers. Veldslagen waren immers schaars in de Middeleeuwen. | ![]() |
![]() |
Hertog Jan I was nu ver van huis geraakt en bevoorrading was moeilijk geworden. De aartsbisschop van Keulen begreep dit ook en schreef zijn bondgenoten: "Er is in ons land een walvis aangekomen die ons rijk zal maken. Hij heeft zich zover in de dijken gewaagd, dat men de harpoen naar hem uit kan werpen, maar hij is zo vet en zwaar, dat ik hem alleen niet meester kan worden." Met spoed begaf men zich naar Woeringen. De bondgenoten van de aartsbisschop hadden 2500 ridders en 3000 man voetvolk verzameld. |
De hertog van Brabant beschikte over 1200 ridders en 4000 voetknechten, voornamelijk burgers uit Keulen en boeren uit Berg. Op 5 juni 1288 stevenden Gelre, Luxemburg en Nassau in drie colonnes op Woeringen af. Op de kaart zijn de Brabantse troepen rood, de Gelderse bondgenoten paars, de boeren van Berg blauw en de burgers van Keulen groen. Eén van de colonnes werd geleid onder aanvoering van de graaf van Luxemburg, zijn broers en de heer van Valkenburg. De derde colonne werd aangevoerd door de graaf van Gelre. Voordat het tot een treffen kwam las de aartsbisschop in de abdijkerk van Brauweiler de mis en sprak de kerkelijke ban over de hertog van Brabant en zijn aanhangers uit. De hertog van Brabant was niet bang aangelegd en rukte de verzamelde legers tegemoet. Naar goed gebruik had hij enkele volgelingen tot ridder geslagen en een toespraak gehouden, waarin hij zei: "Blijft allen aan mijn zijde, zo dicht en dapper, dat men mij niet kan aanvallen van achter en terzijde. Hen, die mij van voren aanvallen, zal ik zelf verslaan. En als gij mocht zien, dat ik mij overgeef of vlucht, slaat mij dan zelf neer.". De Brabantse troepen herinnerde hij aan de dapperheid van hun voorgangers: "Na het coenen aert van uwen vordren seldi drinken". |
De bondgenoten vielen zonder enige orde hun vijanden aan. Een aanval op de troepen van Berg en de stad Keulen werd abrupt afgebroken toen de Brabanders naderden. De Luxemburgers, Geldersen en Limburgers troffen nu de Brabantse troepen. Graaf Hendrik IV van Luxemburg botste het eerst met het Brabantse leger. Zijn tegenstander was meteen een voorname, de broer van de hertog van Brabant. Het paard van graaf Hendrik IV van Luxemburg werd getroffen en wilde er in galop vandoor gaan. De graaf van Luxemburg wist echter zijn paard onder controle te houden en stevende vervolgens op hertog Jan I van Brabant af. Beiden kenden elkaar uit toernooien en verlangden er allebei naar om hun krachten in het echt te meten. Woedend sloegen ze met zwaarden op elkaar in. De schildknapen van graaf Hendrik IV van Luxemburg wisten het paard van de hertog van Brabant te doden, maar de hertog had enkele paarden achter de hand. Met een geweldige klap sloeg hij de banierdrager van Luxemburg neer. Daarbij raakte hij gewond aan de arm en graaf Hendrik IV van Luxemburg rook zijn kans eeuwige roem te verwerven. Hij stormde op hertog Jan I toe, maar overzag daarbij een Brabantse schildknaap die graaf Hendrik IV's paard met een zwaard stak, "dat hem die derme vielen op deerde". Toen graaf Hendrik IV van zijn gewonde paard wil stijgen werd hij van achteren door een Brabantse ridder dodelijk getroffen. |
![]() |
De strijd verloopt ongemeen fel en het Gelderse kamp leek in het voordeel. Pas toen de graaf van Berg zich met frisse troepen in de strijd mengde, sloegen de kansen om. De aartsbisschop van Keulen had zich inmiddels naar het heetst van de strijd begeven. Ondanks zijn troepen die hem voor een groot deel in de steek hadden gelaten. De aartsbisschop werd echter ernstig gehinderd door een wagen waarop zijn banier in de wind wapperde. Het was een logge kar, als een mobiel kasteel, getimmerd van planken. | ![]() |
Een aantal mannen stonden op de wagen om de banier te verdedigen. Een aantal Brabanders bestormden de strijdwagen, hun aantal groeide en de banier van de aartsbisschop ging ten onder. De aartsbisschop zelf trok zich hier niets van aan. Hij hield stand, ook toen de nek van zijn paard met een strijdbijl wordt doorklieft. Tussen zijn dode knechten en gehinderd door zijn dode paard verdedigde hij zich als een razende, maar tevergeefs. De aartsbisschop werd gevangen genomen door de graaf van Berg en meteen over de Rijn afgevoerd. Met graaf Hendrik IV van Luxemburg gedood en de aartsbisschop van Keulen gevangen genomen zag het er slecht uit voor de Gelderse zaak. Toen graaf Reinald I van Gelre bemerkte dat de aartsbisschop in moeilijkheden verkeerde, probeerde hij nog bij hem te komen om te helpen. Menig Brabantse ridder bezweek onder zijn dadendrang. Iedereen was inmiddels moe, want de slag duurde al uren. De banierdrager en andere leden van het gevolg van Reinald I gingen ten onder, waaronder Hendrik III van Borculo. Reinald I 'de Strijdbare' bleef alleen over, maar raakte gewond aan zijn hoofd. Het toeval wilde dat graaf Arnold van Loon (Belgisch Limburg), die aan Brabantse zijde streed, in de buurt was. Graaf Arnold was een persoonlijke vriend van graaf Reinald I. Hij nam Reinald I gevangen en liet hem zijn verraderlijke wapenkleed uitdoen. Hij dwong hem het kleed van een schildknaap aan te trekken en gaf hem vervolgens over aan de kastelein van Montenacken om hem uit het strijdgewoel te krijgen. Reinald I had de pech dat 4 Brabantse knapen hem ontdekten toen de kastelein even niet oplet. Zij bonden hem vast en voerden hem naar het Brabantse kamp. Een groot gejuich weerklonk, toen men de hoge rang van de gevangene bemerkte. Graaf Reinald I was een hoog losgeld waard. Eén bondgenoot hield nog stand. Heer Walram van Valkenburg wist niet van wijken. Zijn vervaarlijke strijdbijl glanste in de namiddagzon. De hertog van Brabant besloot om persoonlijk met heer Walram af te rekenen. De ene na de andere Brabander bezweek onder de dodelijke slagen van heer Walram. De banier van hertog Jan I ging ten onder, maar een nieuwe wapperde weer snel in de wind. De proost van Aken werd toen met één klap door heer Walram gedood. Hertog Jan I wist de helm van heer Walram te klieven, waarbij de hertog heer Walram het puntje van de neus sloeg. Daardoor moest heer Walram van Valkenburg zich terug trekken, waarop de Geldersen die onder zijn banier streden, omver werden gelopen door de Brabanders. Velen werden gevangen genomen, enkelen gedood, de rest vluchtte. Brabant had de slag bij Woeringen gewonnen. Limburg werd bij Brabant gevoegd, wat 5 eeuwen zo zou blijven. De hertog van Brabant werd daardoor één van de machtigste mannen van het Nederrijn-gebied. Het aantal slachtoffers wordt aan de Gelderse kant geschat op 1100 ridders. De telling van het aantal gesneuvelde Brabanders stokt bij 40 ridders. Een aantekening in het missaal van der kerk van Woeringen houdt het op 2400 doden. Hoe dan ook het is een grote veldslag geweest. Graaf Reinald I werd naar Leuven gevoerd, waar hij goed werd behandeld, tenslotte was hij veel geld waard. De bondgenoten van Reinald I werden verschillend behandeld. Toen graaf Adolf van Nassau voor hem werd gebracht, besloot hertog Jan I hem zonder losgeld vrij te laten voor zijn tijdens de strijd betoonde moed. Deze geste zal de hertog geen windeieren leggen toen deze Duitse edelman in 1392 tot Rooms-koning werd gekozen. Heer Walram van Valkenburg weigerde hertog Jan I te erkennen als de hertog van Limburg. Dit had tot gevolg dat in augustus 1288 zijn kasteel te Valkenburg werd belegerd. Heer Walram 'de Rosse' ontsnapte via geheime gangen, die tegenwoordig nog steeds zijn te vinden in de Fluwelengrot te Valkenburg. Later kwam het tussen beide heren tot een verzoening. De burcht van Woeringen werd nog een week belegerd, waarna deze ook viel en uitgemoord wordt. De aartsbisschop van Keulen kreeg het zwaarder te verduren. Als gevangene van graaf Adolf van Berg moest de aartsbisschop zijn zware wapenuitrusting, inclusief helm, waarin hij bij Woeringen had gestreden voortdurend dragen. Een vol jaar was hij de gevangene van de graaf van Berg. Nadat de aartsbisschop voor een grote som was vrijgekocht lichtte hij graaf Adolf op en liet hij hem gevangen nemen. Vervolgens hing hij hem naakt met honing besmeerd op in een ijzeren kooi, als attractie voor bijen en vliegen. De rijke graaf bood tevergeefs een driedubbel losgeld aan, maar de aartsbisschop was zijn vernedering niet licht vergeten. De wraak van de aartsbisschop was letterlijk zoet. Pas in 1289 kwam er een einde aan de opvolgingsperikelen rond Limburg. Toen kwam Jan I van Brabant met behulp van de Franse koning in het bezit van Limburg. De oorlog werd dus uiteindelijk gewonnen aan de diplomatentafel en niet te vuur en te zwaard. laatst bijgewerkt: 03-11-03 |