3804

Kanaän - Judaea (500 - 141 v. Chr.)

Kanaän (609 - 600 v. Chr.)

Van 540 - 333 v. Chr. behoorde Kanaän meer dan twee eeuwen tot het Perzische rijk onder de heersers Cyrus de ll (547 - 529 v. Chr.), Cambyses ll (529 - 521), Darius l (521 - 486 v. Chr.), Xerxes (486 - 465) en Artaxerxes (Artachsjathra) l (465 - 424 v. Chr.). Kanaän zuchtte onder Perzische overheersing, totdat Alexander de Grote het land in 333-332 van de Perzen bevrijdde.

Na de dood van Alexander de Grote in 323 v. Chr. behoorde Palestina tot het Rijk der Ptolemaeën (323 - ca. 200 v. Chr.) onder Ptolemaeus l (321 - 285 v. Chr.), Ptolemaeus ll (285-246), Ptolemaeus lll Euergeter (246-222), Ptolemaeus lV Philopator (222-205) en Ptolemaeus V Epiphanes (205-180).

In 198 v. Chr. vielen de Seleuciden onder leiding van Antiochus lll (223 - 187) Palestina binnen en nadat de Ptolemaeën in de slag bij Panium (198 v. Chr.) waren verslagen werd Palestina een deel van het Seleucidische rijk.

Mattatias en de Makkabeese opstand (167 - 164 v. Chr.)

De Seleuciden onderdrukten de Joden en in 168 v. Chr. beval  Antiochus lV Epiphanes om het altaar van Baäl Hasjamaïm (het Syrische equivalent van Zeus) op te zetten in de joodse tempel te Jeruzalem. Het kwam zelfs zover dat de Seleucidische Grieken de Tempel in Jeruzalem ontwijdden door op het altaar een varken te offeren, een dier dat voor Joden onrein is. Een opstand kon natuurlijk niet uitblijven. De naar de woestijn gevluchte hogepriester Mattatias (Mattathias) verzamelde een groot aantal strijdvaardige aanhangers om zich heen en vernoemde zich naar één van de voorvaderen van Mattatias, Hasmon

Judea aan het begin van de Makkabeese opstand

Tot zijn zonen Johannes, Judas, Jonatan, Eleazar en Simeon, sprak Mattatias de woorden: "Ach, ben ik geboren om te zien hoe mijn volk wordt vernietigd, hoe de heilige stad wordt verwoest? Moet ik toezien hoe de stad aan de vijand wordt uitgeleverd, hoe het heiligdom in handen valt van vreemden? De tempel werd als een man zonder eer, het kostbare tempelgerei werd als buit weggevoerd. Jeruzalems kinderen werden gedood in de straten, haar jonge mannen vielen door het zwaard van de vijand. Welk volk bezit niet een deel van haar land, Beroofd is zij van al haar sieraden, zij is een slavin, haar vrijheid is haar ontnomen. Onze heilige tempel is verwoest, zijn pracht en praal zijn verdwenen, vreemde volken hebben hem ontwijd. Waarom nog zouden wij leven?" (citaat uit het Eerste Boek Makkabeeën - Hoofdstuk 2 uit de Nieuwe Bijbelvertaling).

Het begin en verloop van de opstand wordt beschreven in het boek I Makkabeeën, zij het vanuit een gekleurd (pro-hasmonees) perspectief. Aanvankelijk leidde Mattatias de opstand, maar na zijn dood nam zijn zoon Judas de leidersrol op zich. Hij is ook degene die als eerste de bijnaam 'Makkabeeër' kreeg (Makkabeeër betekent 'moker'). 

Links: Mattatias onthoofdt een Jood die wil offeren aan heidense goden

Judas Makkabeüs (165 - 160 v. Chr.)

Judas Makkabeüs (Jehuda haMaccabi) toonde zich een uitmuntend militair en veroverde in 164 v. Chr. Jeruzalem op de Seleuciden. Antiochus lV Epiphanes formeerde daarop een groot leger en probeerden het verloren terrein te heroveren en boden de Hasmoneeën vrede en vrijheid van godsdienst aan. Judas vocht echter door. Drie jaar na het begin van de opstand veroverde Judas de tempel op de Seleucidische troepen en wijdde deze opnieuw. 

Toen Judas en zijn manschappen de Tempel binnenkwamen, zagen ze dat de Grieken alles vernield hadden. De hoge Menora die in de Tempel stond, was omgegooid en moest weer recht gezet worden. Nadat dit gedaan was, merkten de priesters dat er geen oliekruiken meer waren, één van hen vond echter nog een klein kruikje, met daarin alleen nog maar genoeg olie om de Menora één dag te laten branden. De Menora werd aangestoken en de Tempel werd heringewijd. De hogepriester wist dat zij gauw op zoek moesten naar meer olie en tijdens dat proces, hielden ze de Menora goed in de gaten. De volgende dag brandde de Menora nog steeds, de priesters begrepen hier niets van. De dag daarop ook nog. Zo ging het acht dagen lang, totdat er nieuwe olie was voor de Menora. Deze wonderlijke gebeurtenis wordt door Joden jaarlijks herdacht in het Chanoeka (=herinwijding)-feest. 

Judas sneuvelde in de strijd in 160 v. Chr. Zijn broer Jonathan volgde hem op.

Jonathan Makkabeus (bijgenaamd Gaddi) (160 - 143 v. Chr.)

Toen kort na de dood van Judas Makkabeüs zijn broer Jonathan Makkabeüs de leiding van de opstand overnam, stelde de Seleucidische generaal Bakchides, die in Jeruzalem verbleef, alles in het werk om de aanhangers van de Makkabeeën op te sporen en gevangen te nemen. Om zich sneller te kunnen verplaatsen, stuurde Jonathan daarom Johannes aan het hoofd van een delegatie naar (koning Aretas van) de Nabateeërs, met wie de Makkabeeën vriendschappelijke relaties onderhielden. Alle bagage en bezittingen die de Makkabeeën niet direct nodig hadden in de tijd dat zij zich in de woestijn zouden schuilhouden, wilden zij de Nabateeërs in bewaring geven. Onderweg werd de delegatie van Johannes echter overvallen door de clan van de Jambrieten uit Medeba. De delegatie werd geplunderd en Johannes werd gedood. De Makkabeeën namen wraak door een rijke bruiloftsstoet van de Jambrieten te overvallen en te plunderen. Het directe gevolg van de schermutselingen was dat Bakchides besloot op te trekken tegen Jonathan. Jonathans troepen werden ernstig in het nauw gedreven en wisten door te vluchten ternauwernood zich het vege lijf te redden.

In 143 v. Chr. werd Jonathan Makkabeus  werd wegens politieke motieven vermoord.

Kanaän - Judaea (141 - 103 v. Chr.)

Gemaakt: 18-09-04; laatst bijgewerkt: 21-09-08

colofon