3803

Kanaän (609 - 500 v. Chr.)

Kanaän (700 - 600 v. Chr.)

Jojakim (609 - 598), koning van Juda

Jojakim was de opvolger van zijn jongere halfbroer Joachaz. Over zijn leven valt in de Bijbel te lezen in 2 Koningen 23 en in 2 Kronieken 36. Jojakim werd geboren als Eljakim. Hij was de oudste zoon van koning Josia, die in 609 v.Chr. was gesneuveld in een oorlog tegen Egypte. Zijn moeder was Zebudda, de dochter van Pedaja, uit Ruma. Na de dood van Josia werd niet Eljakim, maar diens jongere broer Shallum, door het volk tot nieuwe koning gekozen. Shallum naam de naam Joachaz aan bij zijn troonsbestijging.

Kort na het aantreden van Joachaz viel de Egyptische farao Necho II opnieuw Juda binnen en zette Joachaz af. Daarna benoemde hij de 25-jarige Eljakim tot de nieuwe koning van Juda die de naam Jojakim kreeg.

Na deze interventie, bemoeiden de Egyptenaren zich niet meer met de interne politiek in Juda. Egypte had inmiddels de oorlog tegen de Babyloniërs verloren (Slag bij Karkemish, 605 v. Chr.) en niet veel later (597 v. Chr.) vielen de Babyloniërs onder leiding van koning Nebukadnezar (605-561 v. Chr.) Juda binnen. Nadat zij Juda hadden veroverd werd Jojakim gevangen genomen en als gevangene afgevoerd naar Babylon, samen met veel volksgenoten (waaronder Daniël).

Later werd Jojakim door de Bayloniërs weer vrijgelaten en opnieuw tot koning van Juda benoemd, maar Juda was nu een vazalstaat van Babylon. In die periode verkondigde de profeet Jeremia zijn profetieën, die door Baruch in de tempel van Jeruzalem werden voorgelezen. Toen Jojakim hiervan hoorde, liet hij Baruch ontbieden om hem de profetieën voor te lezen. De woorden bevielen Jojakim niet waarna hij de boekrol in stukken liet scheuren en verbranden. Tijdens  Jojakims bewind viel Juda terug in afgoderij en corruptie.

Na drie jaar een vazalstaat van Babylon geweest te zijn kwam Juda in opstand. Om deze te onderdrukken sloot Nebukadnezar een verbond met Juda's oude vijanden: de Chaldeeërs, Arameeërs, Moabieten en Ammonieten. Kort daarop volgde een strafexpeditie, waarbij Juda zwaar werd geplunderd.  

In Koningen 24 vinden we dit verhaal terug:
Tijdens de regering van Jojakim viel Nebukadnezar van Babylonië het land binnen en maakte hij Jojakim tot zijn vazal. En toen Jojakim na drie jaar rebelleerde en tegen Nebukadnessar in opstand kwam, stuurde de HEER benden Chaldeeën, Arameeërs, Moabieten en Ammonieten op hem af, die hij Juda liet binnenvallen om het te vernietigen, zoals hij bij monde van zijn dienaren, de profeten, had voorzegd. Dit overkwam Juda omdat de HEER zelf het zo beschikt had; hij verstootte het vanwege alle zonden die Manasse had bedreven. Wat de HEER hem vooral niet vergaf, was dat hij onschuldig bloed had vergoten – hij had Jeruzalem gevuld met onschuldig bloed. 

Jojakim kwam tijdens de rebellie om het leven. Om de vijanden van Juda ervan te overtuigen dat hij echt dood was, werd zijn lichaam over de stadsmuur van Jeruzalem gegooid. Zijn lichaam werd weggevoerd en ergens buiten Jeruzalem begraven. Nebukadnezar stelde Jojakims zoon Jojachin aan als opvolger van Jojakim.

Jojachin (597 - 587) koning van Juda

Volgens het boek 2 Koningen was Jojachin achttien jaar oud toen hij de troon besteeg. Zijn regeerperiode heeft slechts drie maanden en tien dagen geduurd. Al die tijd werd Jeruzalem door de Babyloniërs belegerd. Toen de Babylonische koning Nebukadnessar II zelf bij het beleg verscheen, gaf Jojachin zich over. Samen met zijn familie en de voornaamsten van Juda werd hij als gevangene afgevoerd naar Babylon. 

Toen koning Nebukadnessar zelf voor de omsingelde stad verscheen, gaf koning Jojachin zich samen met zijn moeder, zijn hovelingen, zijn legeraanvoerders en zijn kamerheren aan de koning van Babylonië over; deze nam hem gevangen in het achtste jaar van zijn regering. Nebukadnessar haalde alle schatten weg uit de tempel van de HEER en het koninklijk paleis en haalde alle gouden versieringen los die koning Salomo van Israël in de grote zaal van de tempel had aangebracht, zoals de HEER had voorzegd. Heel Jeruzalem werd in ballingschap weggevoerd: alle legeraanvoerders en alle krijgslieden, tienduizend man, en alle handwerkslieden en smeden; alleen de onaanzienlijksten van het gewone volk  (= landarbeiders) bleven achter. Koning Jojachin werd als balling meegevoerd naar Babel, samen met zijn moeder, zijn vrouwen, zijn kamerheren en de notabelen. Ook zevenduizend militairen en duizend handwerkslieden en smeden, allen betrokken bij het krijgsbedrijf, werden door de koning van Babylonië in ballingschap weggevoerd. (Bijbel Online - Nederlands Bijbelgenootschap)

Als opvolger van Jojachin werd Mattanja aangesteld, een oom of broer van Jojachin. Mattanja's naam werd hierbij veranderd in Sedekia (Zedekia)

Sedekia (Zedekia), (587 -) koning van Juda

Sedekia was 21 jaar toen hij koning werd. Ondanks dat de profeet Jeremia zijn adviseur was, deed hij –zoals zijn voorouders– "wat slecht was in de ogen van de Heer". Onder Sedekia was Juda een vazalstaat van Babylon. Maar na acht jaar regeren sloot Sedekia een bondgenootschap met de Egyptische farao Apries (589-570) (die in de Bijbel Chofra wordt genoemd) en kwam in opstand tegen Babylon. Nebukadnessar reageerde hierop door opnieuw een beleg van Jeruzalem te beginnen, dat achttien maanden zou duren. Na achttien maanden lukte het Jeruzalem te veroveren. Sedekia wist aanvankelijk te ontsnappen, maar werd bij Jericho gevangen genomen en overgebracht naar Ribla. Daar werd Sedekia gedwongen de executie van zijn zonen te zien, voordat hem de ogen werden uitgestoken en hij geketend werd overgebracht naar Babylon. Daar bleef hij de rest van zijn leven gevangene, hoe lang dat was is niet bekend.

Na de val van Jeruzalem werd de stad geplunderd en vrijwel volledig vernietigd. Alleen de allerarmsten mochten achterblijven om voor de akkers en de wijngaarden te zorgen, de rest van de bevolking werd in ballingschap afgevoerd. Over de achterblijvers stelde Nebukadnessar Gedalja aan als gouverneur. Hiermee kwam definitief een einde aan het koninkrijk Juda.

Tijdens hun Babylonische ballingschap zouden de in ballingschap leven Filistijnen en Joden al spoedig een alleszins opmerkelijke rol in het plaatselijke en politieke leven gaan spelen. Een Babylonische bron uit 592 v. Chr. meldt dat Jojachin en vijf zonen in Babylon voedselrantsoenen kregen uitgereikt. In gevangenschap werd Jojachin door de Babyloniërs nog steeds koning genoemd. In het 37e jaar van zijn gevangenschap (in 562 v. Chr.) kreeg Jojachin gratie ter gelegenheid van de troonsbestijging van koning Amel-Marduk (in de Bijbel wordt deze koning Ewil-Merodach genoemd). Jojachin hoefde niet langer gevangeniskleding te dragen en werd de rest van zijn leven in zijn levensonderhoud voorzien door de koning van Babylonië.  

Met de verovering van het Babylonische rijk door Cyrus ll van Perzië (540 v. Chr.) werden de Israëlieten bevrijd van de Babylonische heersers die hen sinds 589 v. Chr. gevangen hadden gehouden. Hij gaf hen de schatten aan goud en zilver terug die uit hun tempel waren weggevoerd en zond hen naar huis: 40.000 man sterk. 

Rechts: Jeremia treurend over de verwoesting van Jeruzalem, schilderij van Rembrandt Harmensz. van Rijn.

Dit grootse gebaar was volkomen in overeenstemming met zijn politiek van rechtvaardigheid en religieuze vrijheid voor zijn onderdanen. Het verschafte hem ook de dankbaarheid en trouw van een Kanaänitisch volk, en Kanaän beheerste de landroute naar het laatste grote land dat nog buiten zijn bereik lag: het oude, rijke Egypte met haar grote voorraden

Kanaän (500 - 141 v. Chr.)

laatst bijgewerkt: 21-08-02

colofon