3792 |
Nieuw Babylonische Rijk (561 - 540 v. Chr.) |
![]() |
![]() |
![]() ![]() ![]() links: Zigurrat van van Narbonidus |
Nabonidus was de vijfde en laatste koning van het Nieuw-Babylonische rijk. Hij was een zoon van de vorst van Harran in Mesopotamië, Nabu-balassi-iqbi en van de opperpriesteres van de Maantempel aldaar, Adad-Guppi. Hij kwam na een samenzwering tegen zijn voorganger op de troon. Nabonidus leidde in 555 en 553 campagnes tegen Cilicië, een landstreek aan de zuidoostkust van Klein-Azië, maar leek verder een meer wetenschappelijke belangstelling te hebben gehad dan praktisch is voor een regerend vorst. Hij restaureerde tempels, onder andere die van de maangod Sin, de zonnegod Sjamasj en de liefdesgodin Isjtar. Nabonidus op een stèle uit Harran; nu in het British Museum |
![]() |
Zijn fanatieke verering van Sin kwam hem te staan op een conflict met de priesters van Mardoek, de traditionele Babylonische oppergod. Door zijn religieuze ketterij, vervolgingen en verzaak van zijn koninklijke plichten verspeelde hij de trouw van zijn volk . Men betichtte hem er ook van dat hij onder de plak zat van zijn moeder, een priesteres van de oude maangod Sin en dat hij met vrije hand uit de rijksschatkist zou hebben geput om een tempel te bouwen ter ere van maangod. Jaar na jaar werd zijn ketterse gedrag nauwkeurig in de annalen opgetekend: "De koning kwam niet naar Babylon voor de ceremonie van de maand Nisanu (maart-april)... de god Mardoek werd niet in processie meegevoerd... Het feest van het nieuwe jaar werd niet gevierd." Hij vertrok voor tien jaar naar het Arabisch schiereiland voor een militaire expeditie die de karavaanwegen en -handel langs de Perzische Golf in handen moest houden. In die tijd verbleef hij in de oase van Theima. Door zijn afwezigheid kon in Babylon het Akitufestival (het Babylonische Nieuwjaarsfeest dat regeneratie van de natuur en vruchtbaarheid van het land en de mensen moest brengen) niet worden gevierd, wat andermaal niet bijdroeg aan 's konings populariteit. Belshazzar regeerde als een wreed heerser. In de Bijbel (Daniël 5) wordt beschreven hoe hij eens een groot feest gaf voor zijn rijksgenoten, die het einde van Babylon inluidde. Toen hem de wijn goed smaakte beval Belsazar de gouden en zilveren vaten te halen die Nebukadnezar uit de tempel van Jeruzalem had meegebracht opdat daaruit hij en zijn gasten zouden drinken. Terwijl zij dit deden verschenen er vingers van een mensenhand die op het pleister van de muur van 's konings paleis de woorden schreef: "Menah, tekal, peras paras!" De Babyloniërs begrepen niet wat deze woorden betekenden, behalve Daniël, die net als talrijke anderen door Nebukadnezars soldaten uit zijn geboortestad Jeruzalem was weggevoerd en die in Babylon in hoog aanzien stond. Hij verklaarde de aanwezigen wat er op de muur geschreven stond: "God heeft uw koningschap geteld. God heeft gewogen en U bent te licht bevonden. "God heeft gescheiden en uw rijk aan de Perzen gegeven. Uw koningschap is ten einde." De woorden bevestigden wat al lang duidelijk was: dat koning
In Babylon was echter een groot gedeelte van het land eigendom van de tempels. Dankzij renten, tienden, riviertol, belastingen en handelsmissies verzamelden de hogepriesters reusachtige schatten voor de god Mardoek. De koning probeerde zoveel mogelijk van die inkomsten naar zich toe te trekken, maar de macht van de priesters was te groot. Ze konden niet omver geworpen worden en de oorlogskosten en grootse bouwplannen veroorzaakten zo'n inflatie en hongersnood dat Babylon in een zo zwakke positie raakte, dat de Perzische koning Kort daarna leidde Voor zover het volk nu nog enige angst koesterde voor het nieuwe regime, werd het snel door Cyrus gerustgesteld. Hij zond zijn groeten naar alle inwoners van Babylon en introduceerde zichzelf niet als vreemde veroveraar, maar als koning van Babylon, persoonlijk verkozen door Mardoek, die hij dag en nacht vereerde en de goden die Narbonidus had gevorderd weer terugbracht naar hun wettige onderkomens, over het gehele koninkrijk verspreid. Bovendien hield hij zijn leger goed onder de duim en stond hij niemand toe het land te terroriseren. Tactvol liet hij de meeste ambtenaren van de regering op hun posten. Door zijn vroegere vijanden te vertrouwen wist hij zich van hun trouw te verzekeren. Babylon bleef nog gedurende verscheidene eeuwen de belangrijkste van het Nabije Oosten. Geleidelijk aan echter werden andere steden belangrijker en geraakte Babylon in verval.
laatst bijgewerkt: 12-09-08 |