3792

Nieuw Babylonische Rijk (561 - 540 v. Chr.)

Nieuw Babylonische rijk (605 - 561 v. Chr.)
Nebuchadnezzar ll werd opgevolgd door zijn zoon Amel Marduk (561-560). Hij werd vermoord door zijn zwager Neriglissar, maar deze regeerde slechts drie jaar (559-556). Tijdens een veldtocht werd ook hij vermoord. 

links: Zigurrat van van Narbonidus

Nabonidus (555-539) 

Nabonidus was de vijfde en laatste koning van het Nieuw-Babylonische rijk. Hij was een zoon van de vorst van Harran in Mesopotamië, Nabu-balassi-iqbi en van de opperpriesteres van de Maantempel aldaar, Adad-Guppi. Hij kwam na een samenzwering tegen zijn voorganger op de troon.

Nabonidus leidde in 555 en 553 campagnes tegen Cilicië, een landstreek aan de zuidoostkust van Klein-Azië, maar leek verder een meer wetenschappelijke belangstelling te hebben gehad dan praktisch is voor een regerend vorst. Hij restaureerde tempels, onder andere die van de maangod Sin, de zonnegod Sjamasj en de liefdesgodin Isjtar. 

Nabonidus op een stèle uit Harran; nu in het British Museum

Zijn fanatieke verering van Sin kwam hem te staan op een conflict met de priesters van Mardoek, de traditionele Babylonische oppergod. Door zijn religieuze ketterij, vervolgingen en verzaak van zijn koninklijke plichten verspeelde hij de trouw van zijn volk . Men betichtte hem er ook van dat hij onder de plak zat van zijn moeder, een priesteres van de oude maangod Sin en dat hij met vrije hand uit de rijksschatkist zou hebben geput om een tempel te bouwen ter ere van maangod. Jaar na jaar werd zijn ketterse gedrag nauwkeurig in de annalen opgetekend: "De koning kwam niet naar Babylon voor de ceremonie van de maand Nisanu (maart-april)... de god Mardoek werd niet in processie meegevoerd... Het feest van het nieuwe jaar werd niet gevierd." 

Hij vertrok voor tien jaar naar het Arabisch schiereiland voor een militaire expeditie die de karavaanwegen en -handel langs de Perzische Golf in handen moest houden. In die tijd verbleef hij in de oase van Theima. Door zijn afwezigheid kon in Babylon het Akitufestival (het Babylonische Nieuwjaarsfeest dat regeneratie van de natuur en vruchtbaarheid van het land en de mensen moest brengen) niet worden gevierd, wat andermaal niet bijdroeg aan 's konings populariteit.
Zijn zoon Belsazar (Belshazzar)  (535-533) nam in die tijd voor zijn vader in Babylon als regent de honneurs waar.  

Belshazzar regeerde als een wreed heerser. In de Bijbel (Daniël 5) wordt beschreven hoe hij eens een groot feest gaf voor zijn rijksgenoten, die het einde van Babylon inluidde. Toen hem de wijn goed smaakte beval Belsazar de gouden en zilveren vaten te halen die Nebukadnezar uit de tempel van Jeruzalem had meegebracht opdat daaruit hij en zijn gasten zouden drinken. Terwijl zij dit deden verschenen er vingers van een mensenhand die op het pleister van de muur van 's konings paleis de woorden schreef: "Menah, tekal, peras paras!" De Babyloniërs begrepen niet wat deze woorden betekenden, behalve Daniël, die net als talrijke anderen door Nebukadnezars soldaten uit zijn geboortestad Jeruzalem was weggevoerd en die in Babylon in hoog aanzien stond. Hij verklaarde de aanwezigen wat er op de muur geschreven stond: "God heeft uw koningschap geteld. God heeft gewogen en U bent te licht bevonden. "God heeft gescheiden en uw rijk aan de Perzen gegeven. Uw koningschap is ten einde." De woorden bevestigden wat al lang duidelijk was: dat koning Cyrus ll van Perzië onvermijdelijk het Babylonische rijk zou aanvallen.

Nabonidus - bewust van het gevaar - keerde ijlings naar Babylonië terug en begon beelden van de goden uit andere steden van het rijk naar zijn hoofdstad te brengen om die daar veilig te stellen. In zekere zin getuigde die overbrenging van voorzichtigheid, maar het resultaat was slechts dat zijn onderdanen nog kwader werden. Zij wisten dat Mardoek Babylon niet ter wille zou zijn als zijn eigen stad onderdak verschafte aan al die concurrerende goden. Tezelfdertijd beschermden de overgeplaatste goden de steden die generaties lang op hen hadden vertrouwd niet meer. 

In Babylon was echter een groot gedeelte van het land eigendom van de tempels. Dankzij renten, tienden, riviertol, belastingen en handelsmissies verzamelden de hogepriesters reusachtige schatten voor de god Mardoek. De koning probeerde zoveel mogelijk van die inkomsten naar zich toe te trekken, maar de macht van de priesters was te groot. Ze konden niet omver geworpen worden en de oorlogskosten en grootse bouwplannen veroorzaakten zo'n inflatie en hongersnood dat Babylon in een zo zwakke positie raakte, dat de Perzische koning Cyrus ll in 540 ten aanval trok tegen Babylon. Nadat Cyrus ll zijn leger over de ondoorwaadbare rivier de Gyndes had overgebracht, trokken zijn legers Babylonië binnen en versloegen het Babylonische leger in een beslissende slag bij de oude stad Opis ( 12 oktober 539). 

Kort daarna leidde Gobryas, een Babylonische gouverneur die in dienst van Cyrus was overgegaan, zijn eigen soldaten en een deel van het Perzische leger Babylon binnen en nam de stad "zonder slag of stoot" in bezit. Zij ontzagen de tempel van Marduk, verzekerden zich ervan dat alle traditionele ceremoniën in acht werden genomen en zagen erop toe dat het drukke zakenleven van de stad ongehinderd voortgang vond. Het schijnt dat de enige opwinding werd veroorzaakt door de komst van de koning, die zijn hoofdstad binnenijlde op zoek naar een veilig heenkomen en ontdekte dat deze bezet was en hijzelf een gevangene was geworden. Cyrus daarentegen kreeg kort daarna een hartelijk welkom. Volgens het verslag van een kroniekschrijver "spreidde men groene twijgen voor hem uit", en heerste er vrede in de stad. "De bewoners van Babylon gevoelen nu vreugde in het hart. Zij zijn als gevangenen als de gevangenissen worden ontsloten." Cyrus liet zich uitroepen als koning van Babylon en lijfde het rijk in als deel van het Perzische rijk. 

Voor zover het volk nu nog enige angst koesterde voor het nieuwe regime, werd het snel door Cyrus gerustgesteld. Hij zond zijn groeten naar alle inwoners van Babylon en introduceerde zichzelf niet als vreemde veroveraar, maar als koning van Babylon, persoonlijk verkozen door Mardoek, die hij dag en nacht vereerde en de goden die Narbonidus had gevorderd weer terugbracht naar hun wettige onderkomens, over het gehele koninkrijk verspreid. Bovendien hield hij zijn leger goed onder de duim en stond hij niemand toe het land te terroriseren. Tactvol liet hij de meeste ambtenaren van de regering op hun posten. Door zijn vroegere vijanden te vertrouwen wist hij zich van hun trouw te verzekeren. 

Babylon bleef nog gedurende verscheidene eeuwen de belangrijkste van het Nabije Oosten. Geleidelijk aan echter werden andere steden belangrijker en geraakte Babylon in verval. 

Perzische Rijk (547 - 529 v. Chr.)

laatst bijgewerkt: 12-09-08

colofon