3932

Han-dynastie (189 - 87 v. Chr.)

Han-dynastie (206 v. Chr. - 189 n. Chr.)

Lu (keizerin) (188 - 180 v. Chr.)

Bij de dood van Lu Hou in 180 voor Chr. trachtte de Lu familie de macht van de Han over te nemen. De drie overlevende zonen van Gaodi konden dit verhinderen en werd de volledige Lu clan uitgemoord. De ambities van de familie van de keizerin waren een steeds terugkerend destabiliserend fenomeen tijdens de Han-dynastie. Toch is het hen nooit gelukt om de plaats van de Liu-clan op de troon in te nemen (met als uitzondering de genoemde keizerin Lu en het korte interregnum van Wang Mang, 9 - 24 na Chr.

Tijdens de tweede helft van de Han-dynastie werden de boeren steeds armer door de geleidelijke uitbreiding van de grote landgoederen.

Wendi (180 - 157 v. Chr.)

Gaodi's zonen brachten opnieuw stabiliteit. Ze duidden eensgezind hun halfbroer Wendi als rechtmatige keizer aan,omdat diens moeder geen invloedrijke familie had. Onder Wendi en zijn opvolger, zijn zoon Jingdi kende het Chinese keizerrijk opnieuw een grote bloei. Het Confucianisme werd opnieuw de basis voor een wijs bestuur. Vooral de vreedzame opvolging van zoon op vader bracht weer groot vertrouwen in de Han dynastie. De economie bloeide, handelaars die onder Qin Shihuangdi en Gaodi misprijzend werden behandeld en zeer hoge taksen moesten betalen, werden in eer hersteld. Grote graanschuren werden gebouwd en volgepropt voor slechtere tijden. In 168 voor Chr. liep alles zo vlot dat Wendi bijna alle taksen op productie afschafte.

 

Keizer Wendi nam de taoïstische denkbeelden als uitgangspunt van zijn bestuur. Hij gaf geleerden opdracht met behulp van bewaard gebleven kopieën of reconstructies van uit het hoofd geleerde teksten nieuwe versies te maken van de confuciaanse boeken die onder Qin Shi Huangdi  waren verbrand. 

links: Confucius

Aan de stilte aan het front kwam een einde toen onder de krachtige leiding Lao-shang (174 -161), de Xiong Nu in 166 v. Chr. hun militaire campagnes tegen de Chinezen hervatten, dit op advies van een overgelopen Chinese eunuch. Lao-shang zakte met zijn horden af tot in de nabijheid van de Chinese hoofdstad, maar nadat hij zich tactisch had teruggetrokken voor de numerieke Chinese overmacht sloot hij een gunstig verdrag met de Chinese keizer waarin de Chinezen de heerschappij van de Xiong Nu erkenden over het gehele gebied ten noorden van de Grote Muur, m.a.w. Mantsjoerije, Mongolië, Dzungarije en Kashgarië. Bovendien bepaalde het verdrag dat de Chinezen ieder jaar brokaat, zijde en rijst zouden sturen naar de Xiong Nu-heerser, hetgeen erop neerkwam dat de Chinezen schatplicht betaalden aan hun barbaarse noorderburen.
Jingdi (157 - 141 v. Chr.)

Jingdi besefte dat 90% van de bevolking leefde van landbouw en erkende het belang van deze sector. Hij voerde een dienstplicht ( bij het leger ) in van 2 jaar en een jaarlijkse plicht van 1 maand om publieke werken uit te voeren, zoals herstellingen aan wegen, bruggen en gebouwen of vervoer van graan. Samen met deze grote welstand ontwikkelde zich de belangstelling voor het hiernamaals, met als gevolg de uiterst weelderige graven.

Wudi (Woe Ti) (141 - 87 v. Chr.)

Wudi, de zoon van Jingdi, bleef lang aan de regering. Zijn keizerschap duurde meer dan vijftig jaar en was één van de hoogtepunten van de hele Chinese geschiedenis. De nieuwe keizer was even heerszuchtig en genadeloos maar hij zei dat hij een volgeling van Confucius was en probeerde zich alzo te gedragen. Wu Di stimuleerde de bestudering van de nieuwe versies van de confuciaanse boeken door ze als basis te laten dienen voor examens die moesten worden afgelegd door de vele burgers en ambtenaren die hem hielpen bij het bestuur van het land. Hij zette het staatsonderwijs op, waarbij het belangrijkste onderwerp was het bestuderen van de werken van Confucius.

De keizer deed, terwijl hij het voorbeeld volgde van Confucius, ook mee met de gewoonten van de Taoìsten. Wudi zette een aanval tegen de Hioe/Noe in en bracht na drie jaar strijd de Chinezen een grote overwinning. Daarna marcheerden de keizerlijke legers naar het zuiden waar zij optrokken tegen kleine, zwakke legers ten zuiden van de Jangtze. Het koninkrijk rond Kanton en de provincie Noord-Vietnam werden een deel van het rijk.In het noordoosten viel het Chinese leger Korea aan en vanuit Korea bereikten Chinese gewoonten en ideeën de eilanden van Japan, waar de bevolking nog steeds primitief en onontwikkeld was.

  Succesvolle militaire campagnes brachten het Tarim-bekken in het westen onder controle van de Han. Het Centraal-Aziatische nomadenvolk Xiongnu vormde in de tweede eeuw v. Chr. een continue bedreiging voor de Han. Keizer Wudi en zijn opvolgers wisten de bedreiging van Xiongnu effectief te bestrijden. 

Reeds van 111-110 v. Chr. werden de zelfstandige staten Minye (qua ligging en oppervlakte ongeveer overeenkomend met de huidige provincie Fujian) en Nanye gelegen rondom het huidige Guangzhou (Canton) en zich uitstrekkend tot in het huidige (Noord-)Vietnam, gepacificeerd. Tenslotte werd het militaire machtsgebied rond 108 v. Chr. uitgebreid met grote delen van Korea en het zuiden van Mantsjoerije.

Tijdens de vroege Han dynastie werd de Zijderoute tot stand gebracht. Ze liep, vertrekkend uit de hoofdstad Chang'an ( de huidige stad Xi'an) via Dunhuang, Turpan en Anxi over centraal Azië via Indië richting Perzië tot aan de Middellandse zee. Wegens de bloeiende handel kwam er meer welstand en stabiliteit in het keizerrijk. Voor het eerst kreeg men er het gevoel " één land en één volk " te zijn. Om de macht van de handelaars in te dammen en de staatskas te spekken, voerde keizer Wudi (r. 141-87 v. Chr.) staatsmonopolies in op ijzer, zout en sterke drank. Verder regelde hij een systeem van door de staat beheerde graanvoorraden, dat speculanten de wind uit de zeilen nam.

De filosofische grondslagen van het staatsapparaat dat oorspronkelijk op legalistische leest geschoeid was, werden ten tijde van Wudi min of meer vervangen door confucianistische principes.

In 111 v. Chr. stichtte Wudi aan de uiterste grens van het door hem ver naar het westen uitgebreide rijk de garnizoensstad Dunhuang

In 124 werd de Keizerlijke Academie opgericht waar toekomstige bureaucraten werden onderricht in de confucianistische en taoïstische klassieke werken. Deze bureaucraten werden succesvol door het hof ingezet voor functies waar vroeger, tijdens de Zhou-dynastie, de feodale vorsten en families hun machtsbasis aan ontleenden. Zij waren alleen trouw verschuldigd aan de keizer en daarmee een belangrijk bindend element binnen de Han-staat.

Tijdens de Han-dynastie werd de stad Hanyang aan de Yangtze een drukke haven. In 206 n. Chr. kreeg de stad stenen muren. In 223 kreeg ook de aangrenzende stad Wuchung stadswallen, waardoor deze tot dan toe afzonderlijke steden in elkaar opgingen, waaruit de stad Wuhan ontstond.

Rechts: muntstuk uit de regeringsperiode van keizer Wudi

 

Prins Liu Sheng was koning van Zhongshan. Hij werd in 113 v.Chr. begraven in een grot in een klif bij Lingshan, provincie Hebei (200 km Z.W. van Beijing). Zijn lichaam was eerst gewikkeld in 12 lagen zijde en daarna gekleed in een gewaad lijkend op een harnas, gemaakt van 2.498 kleine plakjes jade, die met gouddraad aan elkaar bevestigd waren.
Op de voorgrond liggen de jade pluggen waarmee de lichaamsopeningen werden gesloten. Geschat wordt dat het tien manjaren gekost heeft om dit jade gewaad te vervaardigen. Het graf werd in 1968 opgegraven.

Het gebied van Urumqi werd aan het einde van de 2de eeuw v.Chr. veroverd door de legers van de Chinese keizer Wudi. Deze liet het gebied in cultuur brengen en er troepen stationeren. Het werd een belangrijke stop op de noordelijke zijderoute. De naam Urumqi (ook geschreven als: Urumchi, Ürümqi en Wulumuqi) is afkomstig uit een oude Mongoolse taal van de Junggur stam en betekent ongeveer 'mooi grasland'.

Onder Wudi strekte het Chinese rijk zich uit van de Stille Oceaan tot de Kaspische Zee en van de Grote Muur tot Vietnam. Het systeem dat tijdens de regering van Wudii werd ingevoerd bleef tweeduizend jaar lang bestaan. Het keizerrijk dat hij zijn zonen naliet was hetzelfde dat door Tj'n Sje Hwang-ti  was gesticht, maar het was groter en had een hogere beschaving.
Toen de Chinese keizer Wudi  in 138 v.Chr. een vrijwilliger zocht voor een diplomatieke missie naar gebieden ten westen van het Chinese rijk om steun te zoeken in de strijd tegen de uit het noorden opdringende nomadenstam der Xiongnu, bood Chang Ch'ien,  commandant van de poortwachters van het keizerlijke paleis in Chang'an zich aan. 

Keizer Wudi  besloot, om in tegenstelling tot zijn voorgangers, de Xiongnu (nomadenstammen uit het noorden) die het Chinese rijk regelmatig binnenvielen), niet af te kopen maar te gaan bestrijden. Na een aantal vergeefse pogingen kwam hij tot de conclusie dat hij de Xiongnu alleen effectief zou kunnen bestrijden als hij over net zulke goede paarden beschikte als zij. Zijn tegenstanders konden zich snel langs de grenzen van het Chinese rijk verplaatsen en een zwakke plaats in de verdediging zoeken om over de grens te trekken. Hij kon hen nooit definitief verslaan, omdat als de krijgskansen zich tegen hen keerden konden de Xiongnu zich op hun snelle paarden gewoon buiten schootsafstand terugtrekken en waren dan veilig. Het was belangrijk dat hij zijn troepen sneller zou kunnen verplaatsen en dat hij zijn tegenstanders zou kunnen achtervolgen.

z. verder: Hemelse Paarden

Rechts: Hemels Paard (1ste - 2de eeuw n.Chr.)

Han-dynastie (87 v. Chr. - 24 n. Chr.)

Laatst bijgewerkt: 10-10-08

colofon