3916 Zijde
Zijde is een bijzondere stof, die door velen gewaardeerd wordt om haar schoonheid.
Plezierige eigenschappen van zijde zijn:

* De stof kan tot 30% van haar gewicht aan vocht opnemen zonder nat aan te voelen.
* Doordat zijde een slechte warmtegeleider is voelt het koel aan in de warmte en warm aan wanneer het koud is.
* Zijde is sterk en elastisch en kreukt bijna niet.
* Het laat zich goed verven.

Er zijn ook een paar negatieve eigenschappen:

* Het kan niet zo goed tegen fel zonlicht.
* Zijde is gevoelig voor bepaalde chemische stoffen zoals b.v. de zouten in menselijk zweet.
De oorsprong van zijde en het verwerken daarvan tot stoffen is oud en in nevelen gehuld. Ongetwijfeld zijn beide echter in China ontdekt.
Volgens de legenden staat de ontdekking van zijde op naam van de 14 jarige Hsi-Ling-Shih. Zij was de echtgenote van de Chinese keizer Huang Ti (ca. 2600 v.Chr.). Het verhaal gaat dat terwijl zij onder een moerbeiboom zat er een cocon in haar thee viel en zij toen ontdekte dat daar een hele lange en mooie draad uitgetrokken kon worden.

Links: Zijde stof uit 1ste eeuw n.Chr.

Heel lang wisten de Chinezen te voorkomen dat het geheim van de zijderups en de zijdefabricage buiten hun land bekend werd. Ook toen die kennis wel uitlekte ging de verspreiding daarvan heel langzaam, omdat iedereen die achter deze geheimen gekomen was, die kennis ook weer voor zich hield om daar maximaal profijt van te kunnen hebben.

Aan het einde van het 1ste millennium v.Chr. kwam de handel in zijde stoffen met het buitenland op gang. India, Turkistan en Perzië waren de eerste gebieden waar de karavanen naar toe trokken.

In China werden speciaal voor de export rollen zijde geweven van bepaalde vaste afmetingen. Prijs en plaats van herkomst werden op de rollen aangegeven.

Mogelijk was de zijdeteelt al in 440 v.Chr. doorgedrongen tot de omgeving van Khotan.
Er is een verhaal over een Chinese prinses die werd uitgehuwelijkt aan een vorst van Khotan. Omdat zij in dat, in haar ogen barbaarse gebied, mooie zijde gewaden wilde blijven kunnen dragen smokkelde zij eitjes van de zijderups en moerbeizaden mee, die zij bij de Chinese grens in haar ingewikkelde pruik verborg. (Soortgelijke verhalen noemen als jaar 140 v.Chr. of 120 n.Chr.)

Aristoteles (Griekse filosoof en wetenschapper, 384 - 322 v.Chr.) beschreef in één van z'n werken een hele dunne, vrijwel doorzichtige stof. Mogelijk is dit de vroegste vermelding in de westerse wereld van zijde.

De Romeinen waren diep onder de indruk van de zijde vaandels van de Parthen. Zij gaven deze vaandels, die schitterden in het zonlicht, de schuld van de paniek die in hun leger uitbrak tijdens de slag tegen de Parthen (53 v.Chr.) bij Carrhae (huidige naam: Haran, gelegen in Mesopotamië. Door die paniek verloren de Romeinen de slag, waarbij hun aanvoerder Crassus gedood werd.

De volgende vermelding in het westen is te vinden bij Gaius Plinius Secundus (Romeins militair, magistraat en wetenschapper, 23 - 79 n.Chr.), die in zijn encyclopedie 'Naturalis historial' schreef over een wondermooie stof, afkomstig uit een ver land. Hij schreef: In een land ver weg, achter Scythia (Zuid-Rusland) leven de Seres (Chinezen). Zij maken weefsels van een soort dons dat op boombladeren groeit. Er is daar een vlinder, die om zich tegen de kou te beschermen dit dons van de bladeren schraapt, daar eerst een soort web van maakt en vervolgens een nest. De Seres nemen ze dan van de bomen en stoppen ze in vaten waar ze warm gehouden worden en gevoed. Dan beginnen ze een cocon te vormen. De Seres weken deze cocons in warm water en vervolgens maken ze er een hele mooie draad van.
In de 2de eeuw n.Chr. was de kennis van de zijdeteelt doorgedrongen tot in India en werd Perzië een belangrijk centrum van de zijdehandel. In het Nabije Oosten ontstonden vervolgens centra waar men uit China en India afkomstige ruwe zijde verfde en weefde. Omdat er in het westen veel meer vraag naar zijde was dan aanbod, werden stoffen steeds weer uiteengerafeld en tot nieuwe stoffen geweven.

In de 6de eeuw n.Chr. was het Byzantijnse rijk in staat om zelf zijde te produceren. Hun kennis hadden ze verkregen doordat omstreeks 550 n.Chr. twee nestoriaanse monniken de eieren van zijderupsen en moerbeizaden in holle bamboe stokken naar het hof van Justinianus I in Constantinopel smokkelden.
Het monopolie lag in Byzantium vooral bij de kerk. Vanaf het midden van de 15de eeuw bloeide de zijdecultuur vooral in een aantal Italiaanse stadsstaten en in Frankrijk. In het midden van de 19de eeuw trof een ernstige ziekte de zijderupsen in Europa. Als gevolg hiervan kwam er een einde aan de zijdeproductie in Frankrijk. Door de opkomst van nylon en andere kunstmatige stoffen is sinds de Tweede Wereldoorlog de vraag naar zijde producten aanzienlijk kleiner geworden.

Vlinder - eitje - rups - pop
Ontwikkelingsfasen Bombyx mori

De zijdevlinder (Bombyx mori) is een onopvallende vlinder die van oorsprong uit Assam en Bengalen (Noordoost-India) komt. De huidige gedomesticeerde vlinder is niet meer tot vliegen in staat en kan bij gebrek aan monddelen ook niet eten.
In haar korte leven (7 dagen) legt ze 300 tot 500 gele eitjes, elk zo groot als een speldenknop.
Na 20 dagen komen uit deze eitjes kleine rupsjes, die de volgende 25 dagen van hun leven voor het grootste deel aan het eten van moerbeibladeren besteden.
In die tijd worden ze circa 10.000 keer zwaarder en bereiken een lengte van 10 centimeter.
Dan stoppen ze met eten en weven in twee dagen een cocon om zich heen.
Terwijl in iedere cocon een rups de metamorfose naar vlinder ondergaat, noemen we haar een pop. Als na 20 dagen de vlinders uit de cocons kruipen begint de cyclus opnieuw.

Witte Moerbei
De zijderups is een heel moeilijk eter. Hij wil uitsluitend de jonge bladeren van de Witte Moerbeiboom (Morus alba) eten. Deze tot circa tien meter hoge boom komt van oorsprong uit Midden- en Oost-China. De rupsen die uit één ons eieren komen, eten tijdens hun leven circa één ton moerbeibladeren.

Zijderups van brons, Han dynastie (206 v.Chr.-220 n.Chr.)

Zijdeproductie
Omdat een vlinder bij het uitkomen de cocon kapot maakt, moet voor de zijdeproductie het pop stadium na 10 dagen worden afgebroken door de pop met behulp van stoom te doden. Door de cocons in warm water te weken wordt de lijmlaag verwijdert die de cocons bijeen houdt. Daarna kunnen ze worden afgewikkeld. Een goede cocon levert één lange draad van tussen de 300 en 900 meter op. Acht à tien van deze hele dunne draadjes samengevoegd, vormen een draad sterk genoeg om tot garen te kunnen spinnen.
Er zijn ongeveer 2.000 zijderupsen nodig om één pond zijdedraad te produceren en deze hoeveelheid is genoeg om één jurk te maken.

In het oude China was in drie noordelijke provincies de zijdeproductie de belangrijkste bron van bestaan. Het werk was een huisindustrie en werd vrijwel geheel door vrouwen en meisjes uitgevoerd. Zij plukten de blaadjes van de moerbeibomen, voerden deze aan de rupsen, wikkelden de cocons af en sponnen de zijdedraden. Daarna moest de zijde geverfd worden en werden er stoffen van geweven.
Omdat tijdens het bewerkingsproces de zijdedraad haar glans verliest wordt deze aan het einde van het fabricageproces kunstmatig opnieuw aangebracht.

Toepassingen in de oudheid
Zijde stoffen werden natuurlijk gebruikt om daar mooie kleding voor de rijken van te maken.
Lange tijd was het dragen van zijde gewaden een privilege van de Chinese keizer en zijn directe verwanten.
Een tijd lang is zijde als 'papier' in gebruik geweest en ook voor schilderijen bleek het een geschikte ondergrond.
In China maakte men 3.000 jaar geleden vliegers en vliegertouw van zijde en vier eeuwen voor onze jaartelling worden vislijnen van zijde genoemd. In delen van het Chinese rijk werd belasting geheven in de vorm van zijdestoffen en -draad. De keizers gebruiken zijde als beloning en moesten ook af en toe (grote hoeveelheden) zijde als schatting betalen aan de ruitervolken.
In het Romeinse rijk bedekten de rijken soms hun muren met zijde stoffen.
Verder werd zijde gebruikt voor boogpezen en snaren van muziekinstrumenten.

Er bleken ook nog andere praktische toepassingen te zijn. Al vroeg ontdekte men dat met zijdedraad dichtgenaaide wonden zelden gingen ontsteken, wat met draden van andere materialen wel vaak gebeurde. Militairen ontdekten dat een pijl veel gemakkelijker verwijderd kon worden als de getroffene een onderkleed van zijde droeg. Het weefsel dat door de pijl in de wond geduwd werd, zorgde ervoor dat bij het uittrekken van de pijl deze niet bleef haken. Daardoor was het uittrekken minder pijnlijk en bleef de wond kleiner, wat weer het herstel bevorderde.

Wetten betreffende zijdegebruik
In sommige perioden hebben overheden (om diverse redenen) wetten uitvaardigt om zijdegebruik in te perken of zelfs te verbieden. De Romeinse keizer Tiberius (14 - 37 n.Chr.) verbood het dragen van zijde door mannen, omdat hij het dragen van deze dunne bijna doorzichtige stof onmannelijk vond. De Romeinse keizer Diocletanus (284 - 305 n.Chr.) stelde maximumprijzen vast voor zijde, om te voorkomen dat de economie ontwricht zou raken. In 1322 verbood de Republiek Florence het dragen van zijde buitenshuis omdat burgers zich steeds kostbaarder gingen kleden en daardoor de import/export balans verstoord werd.
Het Engeland van de 15de eeuw kende heel precieze kledingvoorschriften, waarbij het de lagere standen verboden was om kleding van kostbare stoffen (waaronder zijde) te dragen, omdat men van mening was dat je iemands sociale status aan de rijkdom van de kleding moest kunnen zien. In de 17de eeuw probeerde Frankrijk haar eigen zijde-industrie te beschermen door het gebruik van buitenlandse zijde te verbieden.

Gemaakt: 20-03-2005

colofon