1865 |
Hunnen (Hunni) (300 v. Chr. - 350) |
![]() Midden-Azië, ten noorden van de Gobi-woestijn en ten zuiden van het Baikal Meer, rond in het Altai-gebergte in de tegenwoordige Volksrepubliek Mongolië werd sinds het tweede millennium voor Chr. bewoond door Turks-Mongoolse nomadenstammen. Deze vormden waarschijnlijk geen etnisch homogene groep, maar een heterogene groep, meer gekenmerkt door het erkennen van dezelfde koning dan door iets anders. Namen van koningen zijn bekend vanaf ca. 300 v. Chr., al bestonden ze volgens Chinese geschriften al sinds 1800 v. Chr. Deze stammen, door de Chinezen aangeduid met Hsiung-Nu (Xiongnu). zorgden in West-China regelmatig voor onrust aan de grenzen. In 352 werden zij door de Hua verdreven, waarna een groep (de Zwarte Hunnen) naar Rusland trok en een andere groep (de Witte Hunnen) naar Perzië en Noord-India trok waar ze een kortstondig rijk stichtten bekend als het rijk van de Witte Hunnen. De Alchon Hunnen (één van de vier takken van de Witte Hunnen of Heftalieten) drongen vanaf 390 naar het zuiden en vielen in 430 India binnen. Toen de Witte Hunnen verslagen werden door de Perzen trokken zij in de 6e eeuw ook richting Europa en werden daar berucht als de Avaren. |
De Hunnen zijn etnisch moeilijk thuis te brengen: naar het schijnt omvatten ze Turkse, Mongoolse en Fins-Oegrische elementen. Zij boden een angstaanjagende aanblik: overal waar de wilde horden verschenen, was bevolking verlamd van ontzetting. De Gotische geschiedschrijver Jordanes, die leefde in de 6e eeuw, was ervan overtuigd, dat de Hunnen van heksen en boze geesten afstamden. De Griekse geschiedschrijver Ammianus Marcellinus schrijft: "Hun woestheid gaat alle perken te buiten. Hun zoons geven zij dadelijk na de geboorte diepe inkervingen in de wangen om de haarwortels daar te vernietigen. Alle Hunnen zijn gedrongen en krachtig gebouwd, met brede nekken en een angstaanjagend uiterlijk. Zij zijn zo gehard, dat zij geen vuur nodig hebben en hun voedsel niet behoeven te koken of te braden; zij leven van in het wild gevonden wortels en van vlees, dat zij onder het zadel op de rug van hun paarden leggen en op die manier murw rijden. Onder dak komen zij nooit, daar zij zich binnenshuis niet veilig voelen." In het gevecht waren de Hunnen geduchte tegenstanders. Zij kwamen aanstormen als een orkaan, zonden een hagelbui van pijlen op de vijand af, wierpen lasso's om degenen, die zij niet met het zwaard konden bereiken - en waren even snel weer verdwenen. |
Omstreeks 350 trokken zij naar het westen, in de richting van Europa. (z. Oost-Europa 300 - 400) | ![]() |
laatst bijgewerkt: 24-08-05 |