3982

Gupta Rijk (320 - 544)

India (73 v. Chr. - 320 n. Chr.)

In de periode 320-544 werd Noord-India een politieke eenheid en bloeide de cultuur op. Tijdens deze zogenaamde Gupta-periode leefde het hindoeïsme op ten koste van het boeddhisme. 

Als stichter van de Gupta-dynastie wordt meestal Chandra-Gupta I ca 320-335 gezien - niet te verwarren met de stichter van het Maurya Rijk Chandragupta Maurya in ca 320 vóór Christus-, maar de namen van twee van zijn voorgangers (Sri Gupta en Ghatotkacha) zijn bekend. In Chandra-Gupta's tijd was het rijk nog beperkt tot de vlakte van de Ganges in zuidelijk Bihar en Uttar Pradesh maar in latere tijden zou het zich over geheel India behalve het zuidwesten verspreiden

Samudra-Gupta, de zoon van Chandra-Gupta l, was de maharajadhiraja van het Gupta Rijk van 335-375. Zijn belangrijkste vrouw was de Licchavi-prinses Kumaradevi. Het is goed mogelijk dat een goed deel van het rijk dat hij erfde van de kant van zijn moeder kwam. Zelf wist hij het rijk een aantal malen grotere omvang te geven. In een opschrift van een pilaar die waarschijnlijk in 375 is opgericht in Prayaga (nu Allahabad) wordt vermeld hoe hij de "onoverwonnen overwinnaar van onoverwonnen koningen" geworden was. Hij veroverde enige koninkrijken in wat nu Uttar Pradesh en Rajasthan is en wendde zich daarna naar het zuiden en veroverde de gehele oostzijde van India tot aan Madras. Daarna kwam het noorden aan de beurt en moesten West-Bengalen Madya Pradesh, de rest van Uttar Pradesh en stukken van de Punjab en Rajasthan zijn gezag erkennen. Op zijn munten komt de Garoeda-vogel voor als symbool van de god Vishnu, waar hij zichzelf een incarnatie van achtte. Hij wordt wel de Indiase Napoleon genoemd.

De informatie over de Guptas komt uit archeologische opgravingen, inscripties en munten. In de vroege vierde eeuw, was er een leider Sri Gupta genaamd die heerste over een kleine koninkrijk in Magadha. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Ghatokacha. Ze waren grotendeels kleine heersers in oost Uttar Pradesh en Bihar.

Het Gupta Rijk beheerste een groot deel van het huidige India. Als stichter van de dynastie wordt meestal Chandra-Gupta I ca 320-335 gezien -niet te verwarren met de stichter van het Maurya Rijk Chandragupta Maurya in ca 320 vóór Christus-, maar de namen van twee van zijn voorgangers (Sri Gupta en Ghatotkacha) zijn bekend. In Chandra-Gupta's tijd was het rijk nog beperkt tot de vlakte van de Ganges in zuidelijk Bihar en Uttar Pradesh maar in latere tijden zou het zich over geheel India behalve het zuidwesten verspreiden

Chandra Gupta I (320-335)
De eerste grote koning van de Gupta dynastie was Ghatokacha's zoon Chandra Gupta I. Hij trouwde met Kumaradevi, de dochter van de leider van de Lichhavis. De trouwerij was een ommekeer voor Chandragupta I. Hij kreeg Patliputra als bruidsschat van de Lichhavis. Vanuit Patliputra legde hij de basis van zijn koninkrijk en begon met het binnenvallen van vele naburige staten met de hulp van de Lichhavis.
Hij regeerde over Magadha (Bihar), Prayaga en Saketa (oost Uttar Pradesh). Zijn koninkrijk reikte van de rivier de Ganges tot aan Allahabad. Chandragupta kreeg ook de titel van Maharajadhiraja (koning der koningen) en regeerde over een periode van 15 jaar. Een belangrijke stap die Chandragupta I maakte was het opzetten van een bijeenkomst met raadsleden en leden van de koninklijke familie waar prins Samudragupta formeel werd voorgedragen als de troonopvolger van Chandra Gupta I als heerser van de Gupta rijk. Chandra Gupta Maurya versloeg
Seleucus Nicator.
Fa Xian (ook wel Fa Hien, Fa Hsien of Fa Hsian) (ca.337 - ca.422) was een Chinese Boeddhistische monnik, die (ca.) 399 - 414 een uitgebreide bedevaart naar alle heilige plaatsen van de Boeddha in India maakte en daar een beschrijving van heeft nagelaten.
Deze tijd was de gouden tijd van het Gupta Rijk en Fa Xian kon dan ook in alle veiligheid door het hele rijk heen en weer reizen. Hij beschijft het rijk met grote bewondering. De mensen hadden een goed leven er waren weinig belastingen, de straffen waren mild en redelijk en de mensen onthielden zich van wijn, het doden van dieren en het eten van uien en knoflook. Het enige waar hij met afkeuring over schrijft is de behandeling van de Chandalas. Zij waren de onaanraakbaren die de lijken op moesten ruimen en zij moesten hun aanwezigheid luidkeels aankondigen om anderen de gelegenheid te geven hun uit de weg te gaan. Fa Xian kwam via de passen van de Himalaya in India maar op de terugtocht ging hij per schip en maakte daarmee een grote omweg waarbij hij een aantal andere onder Gupta invloed staande gebieden in Zuidoost-Azië aandeed, mogelijk zelfs Java.
Samudra-Gupta, de zoon van Chandra-Gupta I en zijn belangrijkste vrouw de Licchavi-prinses Kumaradevi, was de maharajadhiraja van het Gupta Rijk van 335-375. Het is goed mogelijk dat een goed deel van het rijk dat hij erfde van de kant van zijn moeder kwam. Zelf wist hij het rijk een aantal malen grotere opvang te geven. In een opschrift op een pilaar die waarschijnlijk in 375 is opgericht in Prayaga (nu Allahabad) wordt vermeld hoe hij de 'onoverwonnen overwinnaar van onoverwonnen koningen' geworden was. Hij veroverde enige koninkrijken in wat nu Uttar Pradesh en Rajasthan is en wendde zich daarna naar het zuiden en veroverde de gehele oostzijde van India tot aan Madras. Daarna kwam het noorden aan de beurt en moesten West-Bengalen Madhya Pradesh, de rest van Uttar Pradesh en stukken van de Punjab en Rajastan zijn gezag erkennen. Op zijn munten komt de Garoeda vogel voor als symbool van de god Vishnu, waar hij zichzelf een incarnatie van achtte. Hij wordt wel de Indiase Napoleon genoemd.

Chandragupta II (ca. 380-414)

Kumaragupta (415-455)

De Gupta-dynastie werd tenslotte ten val gebracht door de woeste aanvallen van de Alchon-Hunnen. Zij begonnen hun stormlopen tijdens de regering van Kurmuragupta.

Pratapaditya II, ca. 500

In 430 viel de Alchon-Hunnen koning  Khingila India binnen. Toramana l die Khingila in 490 was opgevolgd, liep Kashmir onder de voet. Hij verrichte veel schade en versloeg de Gupta bij Gwalior en breidde daarmee zijn macht uit tot Malawa. Dit leidde het einde in van het Gupta Rijk en India viel weer uiteen in verschillende rijken (470).

Tegen het eind van de 6e eeuw doen de Alchon-Hunnen het gehele Guptarijk ineenstroten, met vernietiging van een groot aantal paleizen, tempels, schilderijen en beelden.

In de jaren die volgden bestond er nog maar één grote staat in Noord-India en die had slechts een kort leven.

Harsja (Harsha) (606 - 647)

Na 606 nam de heerser Harsja de meeste gebieden van het voormalige Gupta-rijk over. Gedurende de 41 jaar van zijn bewind toonde Harsja zich groot leider, een wijs staatsman met grote geestkracht. Evenals Ashoka werd hij door het Boeddhisme beïnvloed en was hij zeer verdraagzaam op godsdienstig gebied. Evenals Chandragupta ll was hij een vredelievend beschermer van de kunst.

Na Harsja's dood in 647 begon een nieuwe periode van wanorde in Noord-India - een periode waarin men volgens een historicus "de elkaar verdringende dynastieën en zich vermengende volkeren slechts vaag kan volgen." Opnieuw baanden horden indringers zich een weg naar het Indiase subcontinent, via bergpassen van het noordwesten en de Indus-Gangesvallei werd verscheurd door oorlogen tussen de verschillende koninkrijkjes. De loop van de volgende vier eeuwen van de Indiase geschiedenis werd bepaald door een groep militaire aristocraten, de Raipoeten (Radsjputen). Wellicht stamde dit geslacht af van de Alchon-Hunnen, maar zij behoorden niet tot een enkel ras of ene enkele stam.

De naam Radsjput werd hun na hun aankomst in India gegeven en betekent eenvoudig "zonen"of "verwanten van een koning." Zoals zo vele indringers vóór hen werden ze door de Hindoegemeenschap aanvaard als leden van de krijgersklasse en zij beschouwden zich als de rechtmatige overheersers van alle Indiërs, behalve de Brahmanen. Iedere Radsjputfamilie poogde de heerschappij te verkrijgen, zodat zij elkaar fel bestreden. Geleidelijk aan gingen zij zich echter in hun gewelddadige leven een code van ridderlijkheid opleggen die hen van alle anderen deed onderscheiden. Deze ridderlijkheid leek merkwaardig veel op die van de ridders en andere adel van het middeleeuwse Europa. Ook voor de Radsjputen gold: eerbied voor vrouwen, bijstand voor de hulpbehoevenden, genade voor een verslagen vijand en een wijze van oorlogvoering die zich onderscheidde door uiterst elegante formaliteiten en plechtigheden vooraf. Ook het leven aan het hof van een Radsjput was vol elegance. Hofdichters bezongen het heldendom van de Radsjputen en de hoofse manieren werden een kunst apart. Hoe hoofs en moedig de Radsjputen ook waren, het bracht de Indiërs niet tot eenheid en ook niet van hen zelf. Ze zorgden wel voor een soort culturele continuïteit na het hoogtepunt van de Guptaperiode. Er werden tempels gebouwd, beelden gemaakt, toneelstukken geschreven en opgevoerd. De kunsten en wetenschappen, die zo schitterend bloeiden onder de vreedzame Guptakoningen werden nog verrijkt gedurende e eeuwen van strijd en verwarring. Pas in de dertiende eeuw, toen de moslimheersres een nieuw rijk in India opbouwden, zou deze continuïteit worden bedreigd.


Jodhpur op een hoogte van 226 meter aan de oostrand van de Thar Woestijn werd in 1459 gesticht door Rao Jodha, de leider van de Rathoren, een Rajput-clan. Zijn nakomelingen hadden ook andere gebieden van Rajasthan onder hun gezag. De clan beweerde directe afstammelingen te zijn van Rama, de grote held in het heldenepos de Ramayana. Het rijk van de Rathoren stond eens ook bekend als Marwar, het 'Land van de Dood'. De oude stad van Jodhpur wordt omringd door een 10 km lange muur, die in de 16e eeuw is gebouwd en acht poorten telt.
Midden in de oude stad, op een rotsheuvel, staat het massieve fort dat het stadsgezicht domineert. Het Meherangarh Fort (Koninklijke Fort) verdient met recht zijn naam. Het fort staat op een 125 meter hoge heuvel en is het meest imponerende fort in Rajasthan. In het fort heerst nog altijd de Maharadja van Jodhpur. In het fort zijn vele paleizen en binnenhoven. De paleizen hebben tot de verbeelding sprekende namen als het Parel Paleis (Moti Mahal), het Genot Paleis (Sukh Mahal) en het Bloemen Paleis (Phool Mahal). In de paleizen is te zien welke kostbaarheden de Indiase vorsten in de loop der tijden verzamelden. Zo zijn er talrijke olifantenzadels, die door de Maharadja's werden gebruikt tijdens optochten door de stad. Er zijn verzamelingen van muziekinstrumenten, kostuums, meubels en natuurlijk van Rajput wapens. Aan de muren hangen miniatuurschilderijen uit diverse scholen. De muren van de paleizen zijn prachtig geschilderd en gedecoreerd en bevatten fijnzinnig gesneden vensters in rood zandsteen.
Jaisalmer
Laatst bijgewerkt: 25-03-06

colofon