5105

Op weg naar Antiochië (april - oktober 1097)

Eerste ridderkruistocht (1096 - 1099)
In april 1097 verlieten de kruisvaarders de stad Constantinopel en begon de tocht door Klein-Azië op weg naar Syrië. De eerste stad op hun weg was Nicea, het hedendaagse Iznik

Nicea was in 1078 veroverd door de Seldjoeken op het Byzantijnse rijk en werd de hoofdstad van het sultanaat van Rum. In 1096 waren de omringende landerijen geplunderd door de volkskruistocht, die daarna een halt werd toegeroepen door de Seldjoeken. Vanwege deze overwinning zag sultan Kilij Arslan I geen bedreiging in de tweede golf van kruisvaarders en liet hij zijn familie en schat in de stad achter om naar het oosten te trekken om de stad Malatya in zuidoost Anatolië te verdedigen tegen het koninkrijk Danişmenden aan de Zwarte Zee in Oost-Anatolië (hoofdstad Niksar)

Beleg van Nicea (14 mei - 19 juni 1097)

Godfried van Bouillon, de hertog van Neder-Lotharingen, was de eerste die in Nicea arriveerde, gevolgd door Bohemund I van Taranto, Bohemund's neef Tancred, Raymond IV van Toulouse en Robrecht II van Vlaanderen samen met Pieter de kluizenaar, wat overgebleven mensen van de volkskruistocht en een klein leger Byzantijnen onder leiding van Manuel Boutoumites. Bij hun aankomst op 6 mei was er een tekort aan voedsel, maar Bohemund zorgde voor toevoer via land en zee. Op 14 mei werd begonnen met de belegering van de stad. De legers werden verspreid langs de stadsmuren die goed werden verdedigd door 200 torens. Bohemund nam de noordkant voor zijn rekening, Godfried de oostflank, en Raymond en Adhemar van Le Puy de zuidkant.

Op 16 mei deden de belegerden een uitval, maar ze werden teruggedrongen en verloren 200 manschappen. Hierna smeekten ze Kilij Arslan om terug te keren en zo de stad van de ondergang te behoeden. Deze zag nu in dat de kruisvaarders sterker waren dan gedacht en keerde met spoed terug. Een vooruitgezonden leger werd op 20 mei verslagen door Raymond van Toulouse en Robrecht van Vlaanderen en op 21 mei werd ook Kilij Arslan verslagen in een slag die tot diep in de nacht duurde. Beide zijden kenden grote verliezen maar uiteindelijk trok de sultan zich terug, ondanks de smeekbeden van de Niceaanse Seldjoeken. Gedurende de maand mei kwamen de rest van de kruisvaarders aan, zoals Robert Curthose en Steven van Blois.

De Byzantijnse keizer Alexius I Comnenus had er voor gekozen om de kruisvaarders niet te vergezellen, maar volgde hen op de voet en sloeg zijn kamp op nabij Pelecanum. Van daar stuurde hij schepen, die over het land werden gerold, naar de kruisvaarders om het meer van Ascanius te blokkeren, dat werd gebruikt om de inwoners van de stad te bevoorraden. De schepen arriveerden op 17 juni onder leiding van Manuel Boutoumites. Ook de generaals Taticius en Tzitas werden gestuurd, samen met 2000 peltasten (licht bewapende infantersiten).

De Niceaanse Seldjoeken hadden reeds een bode naar Alexius gestuurd met een verzoek om hulp indien Kilij Arslan zich zou terugtrekken. Alexius gaf zijn generaal Boutoumites opdracht om in het geheim te onderhandelen over de overgave van de stad. Taticius kreeg de opdracht om met de kruisvaarders mee te vechten en een directe aanval op de omwalling te lanceren; Boutoumites moest veinzen hetzelfde te doen zodat het zou lijken dat de Byzantijnen de stad met geweld veroverd hadden. Toen de kruisvaarders ontdekten wat Alexius in zijn schild voerde, waren ze woest, omdat ze hadden gehoopt de stad te kunnen plunderen. Boutoumites, door Alexius benoemd tot dux van Nicea verbood de kruisvaarders de stad binnen te trekken in groepen groter dan 10 man. De kruisvaarders kregen in ruil daarvoor geld, paarden en andere gunsten, maar zij waren niet tevreden, omdat ze vonden dat ze veel meer zouden hebben gekregen als zij de stad zelf hadden veroverd. Het vertrouwen in de Byzantijnen was diep gezonken.

Slag bij Dolyraeum (1 juli 1097)

Op 26 juni 1097 verlieten de kruisvaarders Nicea in twee groepen: de voorhoede werd geleid door Bohemund, Tancred, Curthose, Robrecht en Taticius en de achterhoede door Godfried, zijn broer Boudewijn, Steven en Hugo I van Vermandois. Taticius werd meegestuurd om zeker te zijn dat de veroverde steden naar het Byzantijnse rijk zouden gaan. Iedereen was opgewekt en Steven schreef naar zijn vrouw Adela dat men verwachtte binnen 5 weken Jeruzalem te bereiken. Dat zou tegenvallen: pas twee jaar na hun vertrek uit Nicea zouden de kruisvaarders Jeruzalem bereiken. 

Na enkele dagen viel het Bohemund op dat zijn leger geschaduwd werd door Seldjoekse verkenners. Er waren voorheen ook schaduwaanvallen geweest, waarmee de Seldjoeken het kruisvaardersleger probeerden uit te dunnen. Bij Doryleum verzamelden Kilij Arslan I en zijn bondgenoten Hasan van Cappadocia en de Seldjoekse koning Ghazi ibn Danishmend hun legers, bestaande uit Seldjoeken, Perzen en Albanezen. Prediker Richard van Aguiliers schreef dat dit leger rond de 150.000 manschappen telde. Volgens historici was dit leger 25.000 a 30.000 man. sterk.

Bij het opkomen van de zon de volgende dag 1 juli, stormde een lichte cavalerie het kamp van Bohemund binnen, die een dag daarvoor met zijn soldaten een kamp had opgeslagen bij de rivier Thymbres vlakbij de ruines van Dorylaeum (Eskişehir). Bohemund had zo'n aanval niet verwacht en stelde meteen orde op zaken stellen. Alle soldaten met harnas moesten de zwak bewapende soldaten af dekken door in een kring om hen heen te gaan staan, dit lukte ten dele. Kilij Arslan I liet zijn cavalerie vervolgens terugtrekken, waarna hij zijn boogschutters inzette en het kamp onder vuur nam. Bohemund hield stand doordat vele van zijn mannen harnassen en schilden droegen. Hierna stuurde Bohemund een boodschapper naar het kamp van Godfried en Raymond, die ten zuidwesten hun kamp hadden opgeslagen. In de na middag gingen de Seldjoeken over tot een zware cavalerieaanval. De kruisvaarders moesten zich terug trekken naar de rivier Thymbres, maar wisten daar de aanval af te slaan doordat de paarden van de Seldjoeken dreigden weg te zakken in de rivierbedding. 

De Seldjoeken zetten nu hun boogschutters in. Intussen slaagde Godfried van Bouillon erin met 50 ridders een bres slaan in de vijandelijke linie en wist daarna het kamp van Bohemund te bereiken en met zijn ridders een linie te vormen. De genadeslag kwam toen Raymond van Toulouse en Adhemar van Monteil de Seldjoeken vanachter aanvielen. Op deze aanval hadden zij geen antwoord, waardoor de kruisvaarders konden zegevieren. Na de slag vergaarden de kruisvaarders vele rijkdommen vooral dankzij de achtergelaten schat van Kilij Arslan I, die gevlucht was. 

Verovering van Antiochië

Nadat Boudewijn van Boulogne en Tancred van Apulie oostwaarts trokken naar Edessa om daar de Graafschap van Edessa op te richten, zetten het hoofdleger van de Eerste kruistocht hun reis verder zuidwaarts richting Jeruzalem. De kruisvaarders deden er drie maanden over om heel Antolië te doorkruisen, 

Plots besloot Bohemund van Tarenta echter om de rijke handelsstad Antiochië te belegeren. Het beleg begon op 21 oktober 1097. De stad was onmogelijk te betreden en was versterkt met vierhonderd torens. Ruim een half jaar belegerden de kruisvaarders de stad gedurende de winter. Op hun beurt werden de Kruisvaarders omsingeld door een groot Turks leger onder bevel van sultan Kerboga van Mosul. Weldra waren de belegerden door hun voorraad levensmiddelen heen, zodat zij hun paarden en trekdieren moesten slachten. Zelfs ratten en honden aten ze en ook hun christelijke bondgenoten, die de honger niet hadden overleefd.

 In deze wanhopige toestand kreeg Raimond van Toulouse bezoek van een arme priester uit de Provence: Peter Bartholomeus.

Deze vertelde dat de apostel Paulus in een droom aan hem was verschenen en hem in het geheim had toevertrouwd dat in een van de kerken in de stad de heilige lans was begraven, waarmee Jezus aan het kruis in de zij was gestoken. Raimond liet zich door de priester naar de aangegeven kerk brengen en liet daar de stenen vloer openbreken. Twaalf mannen groeven daar de hele dag, terwijl buiten in angstige spannen duizenden kruisvaarders wachtten. Toen de schemering viel daalde de priester zelf neer in de groeve en kwam vervolgens weer naar boven met de "heilige lans" in de hand. Toen brak onder de wachtende scharen een luid gejubel los. Het verspreidde zich van man tot man en wekte een extatisch vertrouwen op de overwinning bij alle christenen.

Toen de kruisvaarders met de heilige lans aan de spits hun vijanden aanvielen, waren onweerstaanbaar. Bohemond van Tarente voerde het opperbevel. Dankzij zijn veldheersbekwaamheid en het fanatiek overwinningsgeloof van de kruisvaarders werden de Turken op de vlucht gedreven. In het door hen verlaten legerkamp vonden de kruisvaarders voedsel en drank in overvloed en de krijgsbuit was groot. 

De overwinning bij Antiochië is geroemd als het grootste wapenfeit van de kruistochten, maar duizenden kruisvaarders verloren erbij hun leven. Bovendien was het gedaan met de onderlinge eendracht. De afgunst tussen Bohemond en Raimond ging over in openlijke vijandschap.

Op naar Jeruzalem (1099)

laatst bijgewerkt: 27-02-08

colofon