5106

Verovering van Jeruzalem door de Kruisridders (1099)

De kruisvaarders hadden onderhandeld met de Fatimiden uit Egypte, gedurende hun tocht richting Jeruzalem, maar er kon geen overeenkomst gesloten worden. De Fatimiden wilden wel het gebied rond Syrië uit handen geven, maar het Palestijns gebied was uitgesloten. Voor de kruisvaarders was dit niet acceptabel, voor hen was het grootste doel het bereiken van de Heilig Grafkerk in Jeruzalem.

Op een juniochtend in 1099 zagen de kruisvaarders voor de eerste keer de kantelen en torens van de Heilige Stad Jeruzalem glanzen in het morgenrood. "Jeruzalem, Jeruzalem!" klonk het van aller lippen en terwijl de tranen stroomden, wierp het gehele leger zich op de knieën en kuste de grond.

Maar de dikke muren en torens van de stad trotseerden de eerste aanval van de kruisridders. Zij moesten overgaan tot belegering van de stad. Zwaar hadden zij in de zomerhitte te lijden door de dorst, want het water moest helemaal uit de Jordaan worden gehaald en in leren zakken naar het kamp worden gedragen. In de tussentijd werden er belegeringstorens en werpmachines voor projectielen gebouwd.

Bijna twee etmalen hadden de stormrammen van de Normandiërs tegen de vestingmuren gebeukt, voordat de belegeringstorens tot dicht tegen de muren aan konden worden gerold. Nu zou men uit een van die torens een brug tot op de muur kunnen neerlaten. Bovenop deze toren stonden Godfried van Bouillon en zijn mannen. 

Plotseling zagen zij een engel, in blinkende wapenrusting, die op de Olijfberg stond en met zijn glanzend schild naar Jeruzalem wenkte. Dit deed de strijdlust weer opvlammen.

De brug werd neergelaten en gevolgd door zijn manschappen stormde Godfried over de muur de stad in. Tegelijkertijd doorbrak Tancred met zijn Normandiërs de muren aan de tegenovergestelde zijde van de stad, terwijl Raimond de Sionspoort forceerde. Meedogenloos traden de kruisvaarders op tegen de bevolking. Velen van hen stortten zich liever van de minaretten dan om door de kruisvaarders te worden gedood. In de moskeer van Omar vloeide het bloed bij stromen. De schatten van het heiligdom, waaronder veertig zilveren lampen, werden door Tancred in beslag genomen.

Op de derde dag - zondag - lieten de kruisvaarders hun wapenen rusten en werden er plechtige kerkdiensten gehouden in de kerk van het Heilig Graf. Maar de dag daarop werd het bloedbad voortgezet. Niemand werd gespaard, vrouwen noch kinderen.

Links: Gustave Doré: de verschijning van St. George op de Olijfberg

Na de inname van Jeruzalem (15 juli 1099) vernamen de kruisvaarders dat er een Fatimidisch leger onderweg was om hen te belegeren. Kort daarna arriveerden er twee Fatimidische ambassadeurs, die de kruisvaarders bevalen de stad te verlaten, maar de kruisvaarders negeerden deze oproep. Op 10 augustus leidde Godfried zijn overgebleven leger uit Jeruzalem naar Ascalon (Ashkelon), wat een dag marcheren was. Robrecht II van Vlaanderen en Arnulf vergezelden Godfried naar Ashkelon, terwijl Raymond IV van Toulouse en Robert van Normandië achterbleven in de stad omdat ze het aankomend nieuws van de Fatimiden liever van hun eigen verkenners vernamen. De volgende dag marcheerden zij met hun manschappen Godfried achterna. Bij Ramala sloot het leger van Tancred en Eustatius van Boulogne, die een maand daarvoor er op uit waren gestuurd om Nablus te veroveren, zich bij Godfried aan. Op kop van het kruisvaardersleger, droeg Arnulf van Choques, die tot Patriarch van Jeruzalem was benoemd, de Relikwie van het Heilige Kruis en Raymond van Aguliers, de Relikwie van de Heilige lans die gevonden was tijdens het Beleg van Antiochië.

De Fatimiden werden geleid door de vizier al-Afdal Shahanshah, die mogelijk een leger van 50.000 manschappen aanvoerde (al spreken andere bronnen van 15-20.000 man of zelfs 200.000 manschappen). Zijn leger bestond uit diverse huurlingen, waaronder Seltjoeken (Turken), Perziërs, Armeniërs, Koerden en Ethiopiërs. al-Afdal was van plan om de kruisvaarders in Jeruzalem te belegeren, al had hij geen grootschalig belegeringsmaterieel bij zich. Wel had hij een vloot tot zijn beschikking die voor de havenpoort van Ascalon lag. Het precieze aantal kruisvaarders dat op de been was gebracht is onduidelijk. De hoogste schatting werd op 20.000 manschappen gehouden. 

Volgens de meeste verslagen (zowel christen als moslim), werden de Fatimiden door de kruisvaarders compleet verrast en waren ze volkomen onvoorbereid. De veldslag was kort en bondig en leek al voorbij voordat de Fatimiden de zware cavalerie in kon zetten. De verliezen aan Egyptische zijde werden geschat op 10-12.000 manschappen. De verliezen aan kruisvaarderszijde zijn niet bekend. 

Na de veldslag brachten de kruisvaarders de nacht door in het verlaten kamp en breidden zich voor op een volgende aanval. Maar de volgende morgen ontdekten zij dat het Fatimidische leger zich naar Egypte had teruggetrokken. Raymond achtervolgde een aantal de zee in, anderen namen hun toevlucht in bomen, waarna ze met pijl en boog neer werden geschoten. al-Afdal liet zijn kamp en enorme krijgstent met vele rijkdommen achter. 

De rest van het tentenkamp werd verbrand. Hierna trokken de overwinnaars terug naar Jeruzalem, waar zowel Godfried als Raymond de stad Ashkelon opeisten.

Na dit militaire succes besloten bijna alle kruisvaarders terug te keren naar huis. Hun belofte als pelgrim hadden ze vervuld. Volgens oud pelgrimsgebruik baadde zij zich eerst in de Jordaan en sneden palmtakken aan de oever. Met een klein leger bleef Godfried van Bouillon achter om de stad te verdedigen. Hij noemde zichzelf "Wachter van het Heilig Graf". Reeds na een jaar overleed hij (1100). Zijn jonger broer Boudewijn (Baldwin) van Boulogne volgde hem op als koning van Jeruzalem. Godfried had die titel geweigerd.

Aan het eind van het jaar waren er nog maar enkele honderden kruisvaarders in het Heilig Land. Ze werden in de loop der tijd aangevuld door nieuwe kruisvaarders die ook een pelgrimsgelofte hadden afgelegd.

laatst bijgewerkt: 14-10-04

Kruisvaardersstaten

colofon