5584 |
Vlaanderen (1093 - 1128) |
![]() |
Robrecht ll van Jeruzalem (1093-1111) Robrecht II, de oudste zoon en opvolger van Robrecht I, had reeds sinds 1080, vóór zijn vaders vertrek op pelgrimstocht naar Jeruzalem, gedeeltelijk het bestuur over het graafschap in handen gekregen. Bij zijn terugkeer uit Jeruzalem regelde Robrecht op doortocht door Bourgondië, het huwelijk van zijn zoon. Hij bracht Clementia, dochter van graaf Willem I van Bourgondië, mee naar Vlaanderen en gaf haar, wegens haar voorname positie, een aanzienlijk weduwengoed van 12 dorpen (bijna een derde van zijn graafschap). Dit weduwengoed zou later nog voor problemen zorgen bij opeenvolgende erfopvolgingen. Het huwelijk werd waarschijnlijk voltrokken in 1090. Toen Robrecht II na de dood van zijn vader in 1093 officieel graaf van Vlaanderen werd, bestendigde hij het beleid van zijn vader door zijn streven naar een beter en krachtiger bestuur, zowel op buitenlands als op binnenlands gebied. Zijn huwelijk met Clementia, de zuster van de latere paus Callixtus II, buitte hij uit om zijn bondgenootschap met de paus te verstevigen. In de Investituurstrijd (1075 - 1081) stelde hij zich uiteraard op aan de kant van de paus. Van 1096 tot 1100 nam Robrecht deel aan de Eerste Kruistocht, waarbij hij een van de belangrijkste figuren werd en zich bij verschillende belegeringen onderscheidde. Hij stond er bekend als een wreed veroveraar die graag meedeed aan de moorden en plunderingen in het veroverde Jeruzalem (1099). Deze kruistocht bezorgde hem de titel "Robrecht van Jeruzalem, bevrijder van het H. Graf". Robrecht ll overleed te Meaux (of te Chelles ?) aan de verwondingen opgelopen toen hij, na een zware val van zijn paard, vertrapt werd door de paarden van zijn vluchtende troepen tijdens een expeditie van koning |
Boudewijn Vll (bijgenaamd Hapkin of met de Bijl) (1111-1119) Als zoon van Robrecht II van Jeruzalem en van Clementia van Bourgondië, volgde hij, nauwelijks achttien jaar, zijn vader op in 1111. Hij was zelfs nog niet tot ridder geslagen. De Franse koning Aanvankelijk deelde Boudewijn Vll het bestuur met zijn moeder Clementia van Bourgondië. Maar al in 1113 kwam hij in conflict met haar om haar weduwengoed, dat haar was toegezegd door Robrecht de Fries bij haar huwelijk met Robrecht II. Het ging om een omvangrijk gebied, misschien wel een derde van het graafschap Vlaanderen. Boudewijn VII aanzag dit terecht als een ernstige aantasting van zijn gezag en zijn financiële middelen. Zij dreigde, met behulp van bisschop Lambert van Atrecht, de zaak aan te spannen voor de Vlaamse edellieden in de Vlaamse curia of zelfs voor de Franse koning, als opperrechter. Later werd echter alles in de minne geregeld met de graaf als hoeder van de gronden van zijn moeder. Hij werd bijgestaan als raadgever door zijn neef Karel van Denemarken, de zoon van de vermoorde koning In het spoor van zijn voorgangers, Robrecht I en Robrecht II, gaf Boudewijn Vll bij de opkomst van de steden en de handel blijk van grote gestrengheid inzake de godsvrede, die hij herhaaldelijk hernieuwde, o.a. in 1114 te Sint-Omaars. Hij deed grote inspanningen om recht en orde te doen zegevieren. Zelfs als jeugdige graaf viel er met hem niet te spotten. Amper twee maanden na zijn aanstelling, liet hij, naar men verhaalt, een roofridder levend koken op de markt van Brugge. Boudewijn Vll werd gevreesd voor zijn strenge optreden tegen boeven, roofridders en rebellerende edelen, met name de Zuid-Vlaamse leengraven Walter II van Hasdin en Hugo II van Saint-Pol, die zich poogden aan het grafelijke gezag te onttrekken. Beiden moesten inbinden en het kwam tot een vredesakkoord. De steun die hij in ruil van de steden genoot, diende hem in zijn strijd tegen de adel. Boudewijns bijnamen herinneren aan zijn krachtdadig optreden tegen de verstoorders van de landvrede. Boudewijn Vll wasgehuwd met Havoise van Bretagne, een dochter van hertog Alan IV, maar het huwelijk werd niet lang na de huwelijksvoltrekking door paus Paschalis II ontbonden. De internationale situatie was intussen veranderd. Bretagne had de zijde gekozen van de Engelse koning, terwijl Vlaanderen aan de zijde van de Franse koning stond. Omdat Robrecht kinderloos was gebleven, zou het Vlaamse gravenhuis der Boudewijnen na zijn dood in rechtstreekse mannelijke lijn zijn uitgestorven. Kort vóór zijn dood (1111) had hij zijn neef prins Karel van Denemarken aangewezen als zijn troonopvolger en liet hij de edelen van Vlaanderen en zijn moeder Clementia de eed van trouw zweren op zijn troonopvolger. Nog kort voor zijn dood werd hij nog monnik. Boudewijn overleed op de terugreis naar het kasteel van Wijnendale. Op 19 juni werd hij begraven in de Sint-Bertijnsabdij in Sint-Omaars, in het bijzijn van Karel van Denemarken en veel buitenlandse edellieden. Maar zijn opvolger zou niet Karel zijn, maar Karel de Goede. |
Karel van Denemarken bijg. de Goede (1119-1127) Karel van Denemarken (* ca. 1080/86), later Karel de Goede genaamd, was geboren in Denemarken als zoon van koning Na de moord op haar echtgenoot in 1085 was zijn moeder Adela met haar kinderen Ingertha, Cecilia en Karel gevlucht naar haar vader Robrecht de Fries. Zij hertrouwde met Rogier Bursa, hertog van Apulië. Karel bleef bij zijn grootvader en oom aan het grafelijk hof en genoot er een goede opvoeding. Zoals veel ridders uit die tijd, vertrok Karel van Denemarken op pelgrimstocht naar het Heilige Land (1107-1108). Hij fungeerde als raadgever voor zijn neef, graaf Boudewijn VII van Vlaanderen. Ook nam hij deel aan het neerslaan van de opstand van de Zuid-Vlaamse leengraven in 1115 en 1117. Toen Boudewijn Vll op veldtocht ging naar Normandië in 1117 -1118 en tevens tijdens de laatste levensmaanden van de graaf in 1119. was Karel regent van Vlaanderen. Karel trouwde met Margaretha van Clermont, dochter van Reinoud II van Clermont. Na de dood van Boudewijn Vll volgde Karel zijn kinderloze neef op, die hem kort voor zijn dood had aangewezen als zijn opvolger. Ondanks enige weerstand tegen zijn persoon werd hij toch als graaf van Vlaanderen erkend. Rechts: Karel de Goede, muurschildering in de Gravenkapel van de Onze Lieve Vrouwekerk in Kortrijk (foto: Bert Woudstra, 2009) |
![]() |
Zijn bijnaam de Goede kreeg hij tijdens de hongersnood die in 1124-1125 heel Europa teisterde. Via verschillende maatregelen kon hij verhinderen dat het dodenaantal nog hoger opliep. Karel was een godvruchtig vorst. Zijn hele binnenlandse politiek was vooral gericht op de vestiging en de handhaving van de openbare vrede door de bestrijding van onrecht en armoede tot onvrede van een deel van de kleine adel, waaronder de rijke familie Erembald uit Veurne, die er net in was geslaagd in de adelstand te worden opgenomen. De Erembalden leverden de burggraven van Brugge. |
Toen Karel naar aanleiding van een juridisch dispuut de onvrije (niet adellijke) afkomst van de Erembalden in het openbaar beklemtoonde, werd hij het slachtoffer van een samenzwering, geleid door Bertulf, proost van het Brugse Sint-Donaaskapittel en zelf lid van de clan der Erembalden. Karel werd in de Sint-Donaaskathedraal te Brugge vermoord. Achtentwintig samenzweerders werden gevangen genomen en op bevel van de Franse koning De aanleiding en gevolgen van de moord zijn erg gedetailleerd beschreven in het dagboek van zijn secretaris Galbert van Brugge. |
![]() |
|
In 1884 werd Karel de Goede door de Katholieke Kerk zalig verklaard. Zijn neogotische reliekschrijn (1883-1885) staat in een zijkapel van de Sint-Salvator kathedraal van Brugge. In de middenbeuk kan men het oud houten portret van hem terugvinden. Zijn rechter bovenrib werd bewaard in een kristallen, neogotisch reliekschrijn, die sinds 1880 was tentoongesteld in de Torhoutse St.-Pieterskerk. Het werd er gestolen op 16 juli 2004. laatst bijgewerkt: 12-03-08 |