5513

Vlaanderen (1035 - 1093)

Vlaanderen (918 - 1035)

Boudewijn V van Rijsel (1035-1067)

Boudewijn V van Rijsel, ook bijgenaamd de Grote was de zoon Boudewijn IV en van Ogiva van Luxemburg. Hij was gehuwde met Adela van Frankrijk, de weduwe van hertog Richard III van Normandië (?-1027) en een dochter van koning Robert II van Frankrijk en Constance van Arles.

Wegens zijn aansluiting bij de rebellie van hertog Godfried met de Baard van Opper-Lotharingen werd hem zijn Duitse rijkslenen in 1046 ontnomen, waaronder de mark Valenciennes. Na zijn verzoening met de Duitse keizer Hendrik lll (1039 - 1065) kwam hij in 1056/1059 definitief in het bezit van Ename, een belangrijk Lotharings bolwerk ten oosten van de Schelde en van oudsher de scheidingslijn tussen Frankrijk en het Duitse rijk. Hij consolideerde aldus met succes de door zijn vader begonnen politiek om ook Duitse rijkslenen te verwerven. Zijn opvolgers werden aldus leenmannen van de Duitse keizer. Het betrokken gebied wordt daarom ook Rijks-Vlaanderen genoemd.

Zijn oudste zoon Boudewijn werd door de Duitse keizer eveneens beleend met een markgraafschap (wellicht Ename), maar dit belette Boudewijn V niet zich een jaar later toch aan te sluiten bij hertog Godfried met de Baard in diens opstand tegen de keizer. In het kader van deze politiek dwong hij Richilde van Henegouwen, weduwe van Herman van Bergen tot een huwelijk met zijn zoon Boudewijn (VI). Door zijn toedoen werden de kinderen uit Richildis' eerste huwelijk van hun erfrechten beroofd en lijfde hij de facto Henegouwen bij Vlaanderen in. Na het plotseling overlijden van de Duitse keizer Hendrik III in 1056 en de minderjarigheid van diens zoon Hendrik IV werden door de Lotharingse rijksedelen, aartsbisschop Anno II van Keulen en paltsgraaf Hendrik I van Lotharingen, de vredesbesprekingen van Andernach (1056 en 1059) met Boudewijn gevoerd. Ook het wegens bloedverwantschap ongeldige huwelijk van zijn zoon Boudewijn met Richilde van Henegouwen werd door de paus gelegitimeerd.

Door het huwelijk van Boudewijns tweede zoon, Robrecht de Fries, met Geertruid van Saksen, de weduwe van de graaf Floris l (1049-1061) van Holland, strekte de Vlaamse invloedssfeer zich over een groot deel van de Nederlanden uit. Zo groot was Boudewijns aanzien, dat hij bij de dood van de Franse koning Hendrik I (1060) voogd werd over diens minderjarige troonopvolger Filips I.

Op het binnenlandse vlak heeft Boudewijn het grafelijke gezag verstevigd door het territoriale bestuur te reorganiseren (kasselrijen in plaats van gouwen) en de bevoegdheden van de kloostervoogden in te krimpen (mede door de invloed van de kerkelijke hervormingsbeweging van Richard van Saint-Vanne). Om het dun bevolkte en ongecultiveerde centrale gedeelte van zijn graafschap beter te verbinden met de rijke steden, die zich aan de kust en de Schelde ontwikkelden, legde hij een gordel van nieuwe steden aan in Binnen-Vlaanderen: Torhout, Ieper, Mesen, Rijsel, Kassel en Aire. Deze nieuwe stichtingen werden hoofdplaats van een kasselrij en kregen een jaarmarkt om de kooplieden aan te trekken.

Kort voor zijn dood steunde Boudewijn V nog de expeditie naar Engeland (1066) van zijn schoonzoon Willem de Veroveraar, die gehuwd was met zijn dochter Mathilda van Vlaanderen. Deze stellingname was echter niet zonder risico's: de opkomst van het Anglo-Normandisch blok, dat voor Vlaanderen gevaarlijk kon worden, werd er niet door tegengewerkt. Een van de redenen van Boudewijns keuze was waarschijnlijk dat hij op die manier de kans zag om een deel van de dissidente adel die Willem op zijn tocht vergezelde, onschadelijk te maken.

Boudewijn V overleed op 1 september 1067. Na zijn dood trok zijn weduwe Adela zich als non terug in een klooster te Mesen, waar zij in 1079 overleed.

Boudewijn Vl van Bergen als Boudewijn l graaf van Henegouwen (1051 - 1070), als Boudewijn Vl graaf van Vlaanderen (1067-1070)

Boudewijn VI (* 1030)  was de zoon van graaf Boudewijn V en Adela van Mesen. In 1051 ging hij onder druk van zijn vader (en in strijd met het canonieke recht) het huwelijk aan met zijn achternicht (5e graad), gravin Richilde van Henegouwen, weduwe van graaf Herman van Bergen (die was overleden in 1050 of 1051). Dit huwelijk gaf hem greep op het graafschap Henegouwen, vooral nadat de twee kinderen uit het eerste huwelijk van Richilde in de geestelijke stand werden ondergebracht. In de chronologie van de graven van Henegouwen wordt hij daarom aangeduid als Boudewijn I van Henegouwen.

Toen Boudewijn bij de dood van zijn vader in 1067 hem in Vlaanderen kon opvolgen, werd het graafschap Henegouwen in een personele unie met Vlaanderen verenigd (twee staten onder één vorst). Deze unie was slechts van korte duur, daar ze met de overwinning van Robrecht de Fries in de Slag van Kassel (1071), ongedaan werd gemaakt.

Boudewijn overleed in 1070 en werd begraven in de abdij van Hasnon. Omdat hij tevens de aanzet gaf tot de restauratie van deze abdij (1064), draagt hij ook de toenaam "van Hasnon".

Arnulf lll de Ongelukkige graaf van Vlaanderen (1070-1071), graaf van Henegouwen (1070 - 1071)

Arnulf III (* 1055) was de oudste zoon van Graaf Boudewijn VI van Vlaanderen. Tijdens zijn minderjarigheid stond hij onder de voogdij van zijn moeder Richildis van Henegouwen. Zijn oom, Robrecht de Fries, zo genoemd wegens zijn huwelijk met Geertrui van Holland, de weduwe van graaf Floris I van Holland, betichtte Arnulf ervan tiranniek over Vlaanderen te regeren. In 1071 kwam het tot een confrontatie in Kassel, waarbij Arnulf sneuvelde. Robrecht werd vervolgens als graaf van Vlaanderen erkend door de Franse koning Filips l (1060 - 1108).

Robrecht l de Fries graaf van Vlaanderen (1071-1093)

Robrecht l was de tweede zoon van graaf Boudewijn V van Vlaanderen en Adela van Frankrijk. Robrecht liet de bestaande versterking in Gent drastisch ombouwen. Een grote stenen donjon van 33 bij 18,8 meter, die drie verdiepingen telde, werd nu de kern.

Robrecht I de Fries was behalve graaf van Vlaanderen ook regent van de minderjarige Dirk V van Holland. Na zijn huwelijk met Geertrui van Holland, de weduwe van graaf Floris I van Holland, in 1063, vestigde hij zich in Holland, nadat hij van zijn aanspraken op Vlaanderen afstand had gedaan ten gunste van zijn neef Arnulf III de Ongelukkige, de zoon van zijn oudere broer Boudewijn VI. Robrecht kreeg drie kinderen: Robrecht (ll), Adela, die trouwde met koning Knoet lV van Denemarken en Getrudis, die huwde met Diederik van Opper-Lotharingen. Zijn zuster Hij huwelijkte zijn zuster Mathilda uit aan de hertog Willem van Normandië. Na het overlijden van Boudewijn Vl kwam het tot een gewapend treffen met de gravin-weduwe Richilde van Henegouwen en haar twee zonen Arnulf lll en Boudewijn. De familietwist, met als inzet het graafschap Vlaanderen, werd beslecht in de Slag bij Kassel op 22 februari 1071. Robrecht de Fries zegevierde en Arnulf III sneuvelde. Richilde en haar zoon Boudewijn moesten zich na deze nederlaag, tevreden stellen met het graafschap Henegouwen. Nochtans was Arnulf III voordien erkend als graaf van Vlaanderen door zijn leenheer, de Franse koning  Filips l (1060 - 1108) en had hij de steun gekregen van Willem van Normandië, die intussen koning van Engeland was geworden. De dood van Arnulf zette kwaad bloed bij de Franse koning en ook bij de paus.

Richilde wilde zich bij haar nederlaag niet neerleggen. Het testament van haar man had bepaald dat bij het overlijden van één van zijn zonen, de overlevende zoon, het graafschap. Boudewijn was was dus nu volgens het testament graaf van Vlaanderen. Richilde kreeg hierbij in eerste instantie de steun van Filips I, die Boudewijn erkende als de rechtmatige graaf van Vlaanderen. Nauwelijks een maand na de nederlaag bij Kassel trok Richilde met een gezamenlijk Henegouws en Frans leger ten strijde tegen Robrecht de Fries. Sint-Omaars werd geplunderd en platgebrand. Robrecht was in het defensief, maar haalde toen een slimme diplomatieke zet uit. In Kassel had hij Eustachius, de graaf van Boulogne, gevangen genomen. Deze was de broer van Godfried, de bisschop van Parijs en kanselier van Filips I. Door een goed woord van laatstgenoemde bij de Franse koning en de vrijlating van Eustachius, zag Filips I af van zijn steun aan Richilde. Robrecht de Fries verzoende zich met de Franse koning en gaf hem in 1073 zijn stiefdochter Bertha tot echtgenote. De paus stemde hij vervolgens gunstig door het bouwen (of vernieuwen) van een dertigtal kerken of kapellen, allen toegewijd aan de heilige Petrus, zoals te Oostende en te Brugge.

Richilde gaf echter niet op. Zij slaagde erin een verbond te vormen met gezworen vijanden van Robrecht de Fries: de bisschop van Luik, Godfried III met de Bult, die tevens hertog van Neder-Lotharingen was, met Willem I, bisschop van Utrecht, met de bisschoppen van Verdun en Cambrai en met de aartsbisschop van Keulen. Zij was zelfs hiervoor bereid vazal te worden van de bisschop van Luik. De anderen hadden rijkelijke geschenken bekomen.

Robrecht de Fries kon opnieuw een veldslag voorkomen door een gezant te sturen naar de Duitse koning Hendrik IV. Deze gaf de koning de boodschap dat Robrecht de investituur van Rijks Vlaanderen, bestaande uit gedeelten van Vlaanderen die op de rechteroever van de Schelde gelegen waren, wilde bevestigen en desnoods de koning militair zou bijstaan. Op dat ogenblik zat Hendrik IV in een Investituurstrijd gewikkeld met de paus Gregorius VII en hij kon dus alle hulp goed gebruiken. Hij aanvaardde het aanbod en erkende Robrecht de Fries als graaf van Vlaanderen. Zo kwam er aan het verbond van Richilde met haar bondgenoten zonder slag of stoot een einde.

Richilde bleef zinnen op wraak en viel met een Henegouws leger Vlaanderen binnen. Robrecht trok in de tegenaanval en viel plunderend Henegouwen binnen. Hij verpletterde het kleine leger van Richilde. Na een vredesakkoord, dat later verbroken werd, kwam Dowaai bij het graafschap Vlaanderen.

Samen met zijn stiefzoon Dirk V van Holland streed Robrecht met succes tegen het gezag van de bisschop van Utrecht. Volgens onbevestigde bronnen zouden zij beiden zelfs de hand hebben gehad in de moord (1076) op Godfried met de Bult, die gespietst werd op een ijzeren staaf. Uiteindelijk slaagden zij erin de verloren gebieden van het graafschap Holland te heroveren.

De betrekkingen met de Engelse koning Willem de Veroveraar waren verre van vriendschappelijk. Deze had indertijd zelfs een contingent Normandiërs gestuurd om Richilde te steunen in haar strijd tegen Robrecht. Robrecht steunde de aanspraken van zijn schoonzoon Knoet IV van Denemarken op de (verloren) Engelse troon. Samen zouden ze een vloot van 1600 schepen naar Engeland sturen. Het kwam echter nooit zover, door een broedertwist tussen de twee Deense prinsen Knoet IV en Olaf. Olaf werd gevangen genomen en naar Robrecht gestuurd. Kort daarop, op 10 juli 1086, werd Knoet IV vermoord. Olaf werd teruggestuurd naar Denemarken, na betaling van een aanzienlijke losgeld.

Pelgrimstocht naar Jeruzalem

Robrecht de Fries had het plan opgevat om op pelgrimstocht naar het "Heilige Land") Hij vertrok in 1086, dus nog voor de eerste kruistocht). Het bestuur van het graafschap liet hij in handen van zijn zoon Robrecht (II). Robrecht de Fries verbleef twee jaar in Jeruzalem. Bij zijn terugkeer in 1091 knoopte Robrecht betrekkingen aan met de Byzantijnse keizer Alexius Comnenus (1081-1118), aan wie hij militaire hulp verleende in zijn strijd tegen de Turken.

Robrecht de Fries staat bekend om zijn binnenlandse hervormingen die hem in staat stelden met de steun van de steden het grafelijk gezag te verstevigen, ten nadele van de voorrechten van de adel en de geestelijkheid. Dit ging niet vanzelf. Arnoldus, bisschop van Soissons ging in 1083 op reis door het graafschap om de vrede te herstellen tussen de graaf en de adel. Hij stierf op 15 augustus 1087 te Oudenburg gedurende een tweede vredestocht. Robrecht de Fries voerde het ambt in van grafelijke kanselier en bevorderde de ontluikende handel. Hij maakte van Brugge een Europees handelscentrum. Door de begrippen godsvrede en -bestand na te leven, bevorderde hij ook de vrede met naburige graafschappen.

Robrecht liet in Kassel in 1072 de Sint-Pieterskerk bouwen op de Terrasse du Château (het platform boven op de Kasselberg) om zijn overwinning op de Franse koning te vieren die hij het jaar voordien op de naamdag van Sint-Pieter had behaald. Robrecht werd in 1093 in een crypte onder de kerk begraven. In 1787 begon men met de afbraak van de kerk. Tijdens de Franse Revolutie werden zijn asresten opgegraven en in een goot gegooid.

Robrecht werd opgevolgd door zijn zoon, Robrecht II van Jeruzalem, aan wie hij reeds vóór zijn vertrek op pelgrimstocht gedeeltelijk het bestuur van zijn graafschap had overgedragen.

Vlaanderen (1093 - 1128)

laatst bijgewerkt: 18-12-07

colofon