5129 |
Graafschap Edessa (1077 - 1149) |
Het graafschap Edessa strekte zich uit aan weerszijden van de bovenloop van de Eufraat, op de huidige grens tussen Turkije en Syrië, en werd slechts door de koninkrijkjes Antiochië en Cilicisch Armenië van de Middellandse Zee gescheiden. Hoofdstad was Edessa (tegenwoordig het Turkse stadje Sanli Urfa). De voornaamste lenen van het graafschap waren Turbessel, Bira (vandaag Biredjik), Marach en Melitene (nu Malatya).
Het graafschap Edessa is niet echt een schepping van de eerste kruistocht. In 1050 was de stad nog Byzantijns; maar kort daarop, in 1077, werd ze ingenomen door de Armeniër Philaterios Brakhamios. Deze creëerde daarmee een rijkje dat zich uitstrekte van Antiochië tot over de Eufraat. De nieuwe situatie vormde echter een doorn in het oog van de Seldjoeken, die het centrale deel van het huidige Turkije beheersten. Snel veroverden zij het grootste deel van Philaterios' gebied en lieten hem slechts Marach. Edessa viel in 1086 in hun handen. |
![]() |
Thoros van Edessa (1095 - 1098) In 1095 kon Thoros, oud-luitenant van Philaterios, het Seldjoekse garnizoen in de citadel van Edessa uitschakelen, waarna hij zich meester maakte van de stad. Hij wist weerstand te bieden aan de daaropvolgende aanvallen van de Seldjoeken, maar moest niettemin hulp vragen aan de kruisvaarders, die net het beleg voor Antiochië hadden geslagen. Boudewijn van Boulogne, de broer van Godfried van Bouillon, ging op het verzoek in, ontzette Edessa, maar liet zich daarna steeds meer gelden en verplichtte Thoros uiteindelijk om hem als zijn opvolger aan te duiden. Thoros zelf vond kort daarna, op 9 maart 1098, de dood tijdens een opstand, misschien met medeweten van Boudewijn van Boulogne, die zelf graaf van Edessa werd. citadel van Edessa Boudewijn van Boulogne (1098 - 1100) Boudewijn slaagde er in om de bevolking voor zich te winnen, in de eerste plaats door zich een Armeense tot vrouw te nemen (een politiek die door zijn twee opvolgers zou worden gevolgd), maar ook door het succesvol terugslaan van de Seldjoeken. Zo kon hij zijn domein uitbreiden tot aan de oevers van de Eufraat en hij droomde er reeds van om de regio Dyarbekir en vervolgens Mosoel in te lijven, toen hem het bericht bereikte dat zijn broer Godfried gestorven was. Deze had ondertussen het koninkrijk Jeruzalem gesticht, maar nu was de troon vacant, en Boudewijn vertrok spoorslags om de opvolging op te eisen. Edessa liet hij aan zijn neef Boudewijn du Bourg. Boudewijn ll (1100 - 1118) Boudewijn II zette de politiek van zijn voorganger verder. Hij knoopte betrekkingen aan met de Armeense heersers van Marach en Melitene (Malatya) in het noorden en wist hen zijn soevereiniteit op te leggen. Daarna richtte hij zijn blik zuidwaarts naar Harran, de eerste etappe op de weg naar Mosoel. De slag bij Harran (1104) maakte echter meteen een einde aan zijn streven. Boudewijn werd gevangengenomen en vervolgens zagen de Seldjoeken hun kans schoon en veroverden zij het noorden van het graafschap. Edessa zelf echter werd dapper verdedigd door de regent Richard van Salerno. Boudewijn II werd uiteindelijk in 1108 bevrijd. Het graafschap bestond op dat moment uit enkele onneembare steden op de oostelijke oever van de Eufraat, omgeven door een ontvolkt platteland dat werd beheerst door rondtrekkende Seldjoeken en de welvarende streek van Turbessel, op de westelijke oever. In 1113 nam Boudewijn Turbessel in, verdreef zijn leenman Josselin de Courtenay en plaatste de stad direct onder zijn gezag. Nadat Boudewijn in 1118 koning van Jeruzalem geworden was, vertrouwde hij het graafschap eerst toe aan één van zijn beide neven, Galéran du Puiset en vervolgens aan Josselin de Courtenay, met wie hij zich intussen had verzoend. Josselin de Courtenay (1119 - 1131) Josselin I werd in 1123 gevangen genomen door Balak, heerser over het naburige Mardin en opgesloten in de citadel van Karputh. Daarop drongen 50 als handelaars vermomde Armeniërs de vesting binnen waar hij werd vastgehouden, en bevrijdden de graaf, ook al lieten de meesten onder hen daarbij zelf het leven. Josselin sloeg daarna hard terug en vergrootte daarbij nog zijn graafschap. Hij bereikte zelfs de Tigris ten noorden van Mosoel. Maar nog vóór hij die laatste stad kon innemen, overleed hij in 1131. Josselin ll de Courtenay (1131 - 1149) Zijn zoon Josselin II de Courtenay was uit heel ander hout gesneden en vernietigde dan ook het werk van zijn voorgangers. Bij gelegenheid plunderend en zich moeiend met de theologische twisten binnen de Syrische Kerk, verbleef hij meestal te Turbessel. Toen de atabeg Gemaakt: 29-02-08 |