5047

Midden-Oosten (1147-1187) - Tweede Kruistocht

Koninkrijk Jeruzalem (1099 - 1147); Graafschap Edessa

Toen het nieuws dat de stad Edessa in handen was gevallen van de Seldjoeken legeraanvoerder Zengi (1145)  Europa bereikte, stuurde paus Eugenius III in december van hetzelfde jaar een brief aan Lodewijk Vll van Frankrijk waarin hij vroeg om een tweede kruistocht te organiseren. Deze kruistocht zou veel beter worden dan de vorige. Het leger zou veel groter zijn en geleid worden door de grootste Europese koningen. De route zou op voorhand worden uitgestippeld. 
De reactie op het idee van de paus om opnieuw een kruistocht te beginnen was schamel. Daarbij kwam dat Lodewijk VII een eigen kruistocht had aangekondigd, maar was teruggefloten. Lodewijk besloot zich nu aan te sluiten bij de kruistocht van paus Eugenius III.  Toch was men over het algemeen veel minder enthousiast dan bij de eerste kruistocht in 1096.

Daarom trok de Franse abt Bernard van Clairvaux door Frankrijk en Duitsland om de christenen op te roepen om aan deze nieuwe kruisvaart deel te nemen en  vuurde hij de vazallen van de Franse koning aan, de trotse Franse tradities van de eerste kruistocht voort te zetten en de wereld te tonen, dat de Franse heldenmoed nog steeds bestond. Op 31 maart 1146, toen Bernardus in de kathedraal van Vézelay in Bourgogne het woord nam, kwamen er zoveel mensen opdagen dat heel het voorname religieus-politieke gezelschap naar het open veld moest verhuizen, net zoals dat vijftig jaar daarvoor in Clermont het geval was geweest. Daar deed de abt uitspraak over het goddelijke orakel en hoe dat luidde was niet moeilijk te voorspellen. 

Rechts: Bernard van Clairvaux roept gelovigen op voor een Tweede Kruistocht

Met zijn legendarische welbespraaktheid viel het hem niet moeilijk heel die mensenmassa die het goddelijke woord wilde horen te overtuigen dat het de wil van God was onverwijld gevolg te geven aan de oproep van de paus en de Franse koning. In ieder geval, de massahysterie bleef niet uit en de roep "God wil het" en "geef ons kruisen" weerklonk opnieuw over heel West-Europa. Overal waar Bernard kwam, werden kruistochtlegers gevormd en tenslotte kon hij in een brief de paus triomfantelijk laten weten dat in de streken waar hij  gepredikt had, nauwelijks één man op de zeven vrouwen was achtergebleven en dat de steden en dorpjes er ineens verlaten bij lagen. De Tweede Kruistocht (1147-1149) was begonnen.

De preken hadden ook een zware keerzijde: zij leidden tot stijgend geweld tegen de Joden. Veel christenen vonden dat zij niet genoeg bereid waren om de kruistocht te steunen. Deze onrust werd geleid door de Duitser Rudolf. Bernard was hier absoluut niet van gediend en probeerde de onrust te sussen. Uiteindelijk werd Rudolf de mond gesnoerd en werd hij teruggestuurd naar het klooster.

De voorbereidingen voor de kruistocht duurde een jaar. De vooruitzichten leken zeer gunstig. Er kwam zelfs steun uit Hongarije, het Byzantijnse Rijk en het koninkrijk Sicilië. Koenraad lll van Duitsland was eerst niet geïnteresseerd in deelname aan de kruistocht, maar nadat in december 1146 een ceremonie Bernard had bijgewoond, besloot hij zich aan te sluiten bij een menigte van ‘gewone’ mensen en hij ging mee op kruistocht. Bij hem sloot zich ook de Vlaamse graaf Diederik van den Elzas aan. Zij bereikten als eersten Constantinopel (1147). Bij Paus Eugenius lll viel Koenraads persoonlijke deelname niet in goede aarde, daar de Paus vreesde dat hij daardoor aan  invloed zou inboeten. In Spanje spoorde paus Eugenius III de Christenen de kruistocht aan door op te roepen door te gaan met de strijd tegen de Moren. Koenraad was van plan daar de Fransen af te wachten. Keizer Manuel I van Byzantium was niet bepaald ingenomen met de komst van die kruisvaarders die hij als een bedreiging voelde. Hij vond niet beter dan een verbond te sluiten met de Seldjoeken, die hij net als zijn voorgangers steeds had bestreden, maar nu een goede bondgenoot achtte om het tegen het leger van de kruisvaarders op te nemen.

Links: Bernard van Clairvaux

De Fransen bereikte Constantinopel in een vrij slechte stemming, want de Duitsers die hen waren voorgegaan, hadden heel wat dorpen en steden leeggeroofd, zodat de Franse troepen meermaals slechts spookdorpen op hun tocht hadden gevonden. Deze toestand droeg niet bepaald bij tot een goede verstandhouding tussen de verschillende legers. Dat leidde ertoe dat de Duitsers, zonder te wachten op de Fransen, naar Klein-Azië overstaken, om de tocht verder te zetten en de Fransen voor de poorten van Constantinopel achterlieten.

Om nu zo vlug mogelijk ook van die hinderlijke Fransen af te geraken, liet de Byzantijnse keizer het gerucht verspreiden dat de Duitsers bij Nicea in hun strijd tegen de Seldjoeken een grote overwinning hadden behaald. Dit spoorde de Fransen aan nu ook ijlings de Bosporus over te steken en naar Nicea op te trekken, met de hoop nog een gedeelte van de oorlogsbuit te kunnen bemachtigen. Maar dat viel serieus tegen want de Duitsers hadden bij Nicea helemaal geen overwinning behaald maar waren er integendeel zo verpletterend door de Turken verslagen dat slechts een op tien de catastrofe had overleefd.

De Fransen vonden het Duitse leger, of wat er nog van overbleef, in een droevige toestand maar konden verder niet veel anders doen dan van de catastrofe kennisnemen, want van de Turken aan te vallen kon geen sprake zijn. Koning Koenrad met enkele getrouwen en de droeve restanten van het Duitse leger besloten samen met Lodewijk VIl en zijn leger verder door Anatolië naar de kust te trekken om daar boten te vinden om de rest van de reis per schip verder te zetten. Dit lukte gedeeltelijk, maar dit maakte verder niet veel uit: e kruistocht was een mislukking. 

Koning Lodewijk Vll zette koers naar Antiochië, waar hij door Raymond van Poitiers, vorst van Antiochië, werd gewezen op het grote gevaar van de nieuwe heerser  Noer al-Din van Damascus, de tweede zoon van Zengi. Na de moord op zijn vader Zengi in 1146 was diens leger uiteengevallen. Damascus had Baalbek heroverd en de steden Horms en Hama aan zich onderworpen, Kara Arslan ("Zwarte leeuw"), de emir van Diyarbakir, heroverde de steden die hij in 1144 verloren had en Joscelin deed een mislukte poging Edessa opnieuw in te nemen. 

Noer ad-Din (Nur-al-Din of Nur-ed Din of Nureddin) letterlijk: "Het licht van de godsdienst", had onmiddellijk de commandantenring van zijn vader overgenomen en trok met een deel van het leger naar Aleppo, Zengi's dode lichaam onbegraven achter latend, dat pas later door de lokale bevolking zou worden gewassen en begraven.

Lodewijk Vll 
weigerde zich in te spannen voor Raymond, die vrij intiem met de koningin, de beroemde Eleonora van Aquitanië, omging en zette aan het hoofd van zijn trotse leger zijn tocht voort. Eleonora die haar echtgenoot Lodewijk op zijn "gewapende" bedevaart naar Palestina was gevolgd, had op een zeker ogenblik haar man botweg medegedeeld dat hij gerust naar Jeruzalem mocht optrekken maar dat zij genoeg had van zijn onbezonnen avonturen en haar intrek wilde nemen bij haar oom, de vorst Raymond van Antiochië, om hun scheiding voor te bereiden. Lodewijk heeft nog wat tegengestribbeld en dikwijls zelfs met geweld, maar Eleonora slaagde er vier jaar later toch in haar huwelijk ongeldig te doen verklaren. Ze trok naar Engeland waar ze met de latere Hendrik II koning van Engeland trouwde, koningin van Engeland werd en moeder van Richard Leeuwenhart, de latere held van de derde kruistocht.

De met zoveel trotse verwachtingen dat de kruisridders deze keer het gehele oosten zouden gaan veroveren, eindigde in een smadelijk fiasco. De Franse kruisridders trokken op naar Damascus (1148), maar slaagden er niet in de stad te veroveren en wel, zo wordt vermeld, door de schuld van Diederik van den Elzas die persoonlijk aanspraak had gemaakt op het bezit van de stad, waardoor Koenrad en Lodewijk afgehaakt zouden hebben. Maar misschien was dat maar een voorwendsel en was het meer doordat men had vernomen dat de fameuze Turkse generaal Noer ad-Din met een gigantisch leger in aantocht was om de stad te ontzetten. In ieder geval was de kruistocht afgelopen. Koenrad III verliet verbitterd het land op 8 september 1148. Met slechts enkele armzalige resten van hun indrukwekkende legers keerde Lodewijk Vll naar zijn land terug (Pasen 1149) en Diederik ten slotte op 7 april 1150. Noer ad-Din maakte van deze gelegenheid gebruik Antiochië en alle steden ten oosten van de Orontes te veroveren.

In 1154 werd Noer-ad-Din gouverneur van Damascus. Heel Syrië kwam onder zijn gezag.

Diederik van den Elzas keerde niettegenstaande de perikelen die hij had moeten verduren tijdens de tweede kruistocht, in 1157 voor de derde keer terug naar dat verre land. Deze keer werd hij vergezeld door zijn vrouw Sibylla. Zij was de dochter van Foulques V, die tussen 1131 en 1143 koning van Jeruzalem was geweest. Misschien verlangde Sibylla er wel naar het land, waar haar vader koning was geweest en ook was gestorven, te leren kennen. Het bestuur van Vlaanderen liet Filips over aan zijn zoon (Filips). Diederik bleef drie jaar in Palestina en met de soldaten die hem waren gevolgd leverde hij slag tegen de Seldjoeken in Antiochië, schijnbaar wel met enig succes, maar aan de krachtverhoudingen tussen de kruisvaarders en de Seldjoeken veranderde niets. In 1160 keerde Diederik terug naar Vlaanderen, maar zonder Sibylla die er de voorkeur aan had gegeven in Jeruzalem te blijven en zich terug te trekken in het klooster van de Heilige Lazarus. Toen in 1162 Boudwijn III van Jeruzalem, zoon van Foulques V, en dus de broer van Sibylla overleed, vroeg zij Diederik om nog eens naar Jeruzalem te komen. Wat hij ook deed. Het was zijn laatste tocht. Toen Sibylla in 1165 overleed, keerde hij terug naar Vlaanderen en trok hij zich terug in het klooster van Waten, waar hij in 1169 overleed.

In 1169 werd het Egyptische rijk der Fatimiden veroverd door Noer ad-Din's legeraanvoerders Saladin en diens oom Shirkuh. Saladin stichtte daar zijn eigen dynastie: de Ajjoebiden. Hiermee kwam er een eind aan de scheuring in de Islam tussen Egypte en Syrië. De kruisvaarders lagen nu ingesloten in een aaneengesloten rijk. 

Na de dood van Noer ad-Din in 1174 werd Saladin de machtige en bekwame leider van de Islamitische wereld. Damascus viel in 1174.

De Assassijnen vormden een sekte, die was gesticht door een bandietenhoofdman optredende Islamitische avonturier. De taak van de Assassijnen was de "vijanden van het ware geloof" door sluipmoord te bestrijden. In een ontoegankelijke rotsvesting, niet ver van Antiochië, zetelde een van de beruchtste aanvoerders, die onder de christenen in Syrië bekend stond als "de oude op de berg". Van hem wordt verteld dat hij zijn getrouwen in een toestand van verdoving bracht en hen daarna naar een park van paradijselijke heerlijkheid liet voeren, waar zij zich aan allerlei zingenot konden overgeven. Na een nieuwe narcose werden zij teruggebracht. Heel hun verdere leven waren zij er dan van overtuigd, dat zij in het paradijs waren geweest. Vandaar dat zij tot alles bereid waren om de vreugden van het paradijs opnieuw te mogen smaken, maar dan voor eeuwig. Het bedwelmingsmiddel, dat de "oude op de berg" gebruikte, is waarschijnlijk een drank geweest, bereid van Indische hennep: haschisch. Van dit woord schijn te naam van de sekte te zijn afgeleid. Assassijn is een verbastering van het Arabische woord "haschischin" (= haschisch-eter)

Laatst bijgewerkt: 26-02-08

colofon