181 |
Arthropoda (Geleedpotigen) |
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
|
Geleedpotigen zijn waarschijnlijk geëvolueerd uit een primitieve klasse van de Ringwormen of hebben ze met de ringwormen een gezamenlijke voorouder gehad. Ringwormen en geleedpotigen worden samen wel aangeduid als gelede dieren. Ze worden ingedeeld bij de Ecdysozoa , een onderafdeling van de Schizocoela (Oermondigen) |
Acoelomata | Pseudocoelamata | Eucolomata | ||||
Schizocoela |
Enterocoela
|
|||||
= Ringwormen | ||||||
== Geleedpotigen (Stam) | ||||||
= |
Uniramia of Tracheata (Onderstam) | |||||
= |
Chelicerata (Onderstam) | |||||
= |
Crustacea (Onderstam) | |||||
= |
Trilobita (Onderstam) |
Geleedpotigen hebben een uitwendig skelet. Dit skelet noemen we een pantser. Hun naam danken de geleedpotigen aan hun poten die uit aparte onderdelen bestaan, uit leden. De geleedpotigen vormen de grootste en meest vormenrijke stam van het hele dierenrijk. Van deze stam zijn er minstens 750.000 soorten beschreven, dat alleen al is drie maal zoveel als van alle andere diersoorten tezamen. Bovendien bevat deze stam driekwart van alle levende diersoorten. Geleedpotige dieren worden o.a. gekenmerkt door het bezit van, de naam zegt het al, gelede pootjes. Geleedpotigen zijn net als ringwormen, gesegmenteerd opgebouwd, goed te zien bij de primitieve en fossiele soorten, zoals de trilobieten en in de embryonale fase. Ook hebben ze, net als de ringwormen, een touwladderzenuwstelsel: De geleedpotigen worden in vier groepen (onderstammen) ingedeeld. De groepen onderscheiden zich in diverse morfologische kenmerken van elkaar. Belangrijke punten zijn de vergroeiingen van de segmenten (tagmosis) en de aan- of afwezigheid van bepaalde ledematen aan de segmenten. Een oersegment van een geleedpotige heeft 2 paar ledematen. Het bovenste paar heeft de functie van een kieuw en is geveerd, het onderste paar wordt gebruikt om op te lopen. In veel gevallen is slechts één van de twee paar ledematen per segment aanwezig. De ledematen kunnen ook van functie zijn veranderd tot voelsprieten (antennes), vleugels of monddelen.
De Onderstammen Uniramia en Crustacea worden tezamen ook wel Mandibulata genoemd.
Er zijn wel eens voorstellen gedaan dat al deze groepen geen gemeenschappelijke voorouder hebben gehad en dus onafhankelijk van elkaar zijn ontstaan. De overwegende opinie bij onderzoekers is echter dat de geleedpotigen evolutionair gezien één groep vormen. In de jaren '70 werden de uit het Cambrium afkomstige fossielen van de Burgess shale nauwkeurig bestudeerd. Het meest voorkomende fossiel in de Burgess shale is Marella, dat eerder werd ingedeeld bij de Trilobieten. Het bleek echter dat Marella in geen van de vier bekende groepen kon worden ondergebracht: Marella heeft twee paar uitsteeksels aan de kop, beide voor de mond geplaatst. Ook veel andere fossiele geleedpotigen uit de Burgess shale konden niet worden ingedeeld in de bekende vier groepen, zoals Yohoia, Burgessia en Branchiocaris. Geleedpotigen - Wikipedia |
![]() |
De stam Geleedpotigen (Arthropoda) ontstond tijdens het Cambrium uit de Schizocoela (Protostomia), een onderafdeling van de Bilateria (tweezijdig symmetrisch gebouwde dieren). Zoals de naam al aangeeft, vormen de gelde poten een belangrijk kenmerk van deze groep dieren. Een aantal van de poten heeft vaak geen functie meer voor het lopen, maar is omgevormd tot scharen, voelsprieten, monddelen of peddels. |
De Geleedpotigen bezitten een uitwendig skelet en bestaan uit drie duidelijk van elkaar te onderscheiden delen (segmenten): een kop, een borststuk en een achterlijf. Elk segment kan een aantal aanhangsels bevatten die door middel van gewrichten ten opzichte van elkaar kunnen bewegen. De kop, het borststuk en het achterlijf zijn op zich ook weer opgebouwd uit segmenten. De kop is altijd uit zes segmenten opgebouwd, terwijl het aantal segmenten van het borststuk en het achterlijf variabel is. Vaak zit aan het laatste segment van het achterlijf nog een stekel of spatel: de telson. De aanhangsels van de kop dienen gewoonlijk voor de voedselvoorziening, die van het borststuk voor de voortbeweging.
Belangrijke kenmerken van alle Arthropoda:
|
De Geleedpotigen vormen een buitengewoon succesvolle groep. Van geen andere diergroep zijn zo veel verschillende soorten bekend. Van alle bekende diersoorten wordt ongeveer een kwart tot de Geleedpotigen gerekend. Bekende voorbeelden zijn krabben, kreeften, garnalen, pissebedden, spinnen, insecten en de uitgestorven Trilobieten. Uit het Siluur van de Midland Valley zijn verschillende geleedpotigen bekend. |
Het was geen klimaatverandering, geen meteorietinslag een ook niet een zeespiegelwijziging die de Trilobieten aan het eind van het Perm - 245 miljoen jaar geleden - deed uitsterven (z. Massale uitsterving aan het eind van het Perm). Nee, het was hun onhandige manier van vervellen die hen de das om deed. Daardoor waren zij uiteindelijk niet opgewassen tegen de groeiende concurrentie van andere diersoorten. Net als de huidige garnalen, krabben en kreeften, waren de trilobieten in zee levende geleedpotigen. Leden van deze diergroep hebben een exoskelet, een hard pantser dat het lichaam stevigheid en bescherming verleent. Om te kunnen groeien moeten zij regelmatig vervellen. Het pantser scheurt dan open, het dier kruipt eruit en hardt dan uit met een nieuw, iets ruimer zittend pantser. Trilobieten hadden echter geen vaste routes om uit hun oude pantser te kruipen en dat is hun opgebroken. Zelfs binnen dezelfde soort bestond er van variatie in de manier waarop individuen hun huid afwierpen. Een vaste methode van vervellen is efficiënter in het energiegebruik en kan een dier minder kwetsbaar maken voor roofdieren. Opgeteld over de geschiedenis van de gehele klasse van de Trilobieten kan deze schijnbaar betrekkelijke onhandigheid zoveel evolutionair nadeel hebben bezorgd dat zij tenslotte zijn verdrongen door andere diergroepen. De vervellingsfase van geleedpotigen is erg kritiek. Van schorpioenen is bijvoorbeeld al eerder vastgesteld dat de grootste sterfte optreedt rond het moment dat zij zich van hun oude huid ontdoen. Insecten zoals libellen zijn een smakelijk hapje voor roofdieren als ze net uit hun larvehuid kruipen. In sommige klassen Trilobieten is en duidelijk trend te bespeuren naar een lichaamsbouw met minder segmenten, iets wat het vervellen gemakkelijker gemaakt moet hebben. Geslachten met minder borstsegmenten overleefden gemiddeld langer dan anderen. Daardoor is te verklaren dat de Trilobieten die in het Paleozoïcum de dominante diersoort waren, zijn overleefd door andere mariene geleedpotigen, zoals de degenkrabben, kreeften, garnalen en krabben. |
laatst bijgewerkt: 19-06-06 |