162 |
Metazoa (Eumetazoa) |
|
Over de oorsprong van de Metazoa wordt veel getheoretiseerd en gespeculeerd. Er kan niets bewezen worden. Het enige punt van overeenkomst is, dat men aanneemt dat ze uit eencellige organismen zijn ontstaan. Mogelijk uit kolonievormende Flagellata of Zweepdiertjes, organismen die behoren tot de Eukaryotische levensvormen. De zaadcellen van alle Metazoa lijken namelijk veel op deze Zweepdiertjes. Zo'n veelcellige kolonie zal als een bolletje cellen in het water gezweefd hebben. De buitenste cellen zullen van een trilhaar voorzien zijn geweest voor de voortbeweging, terwijl de binnenste meer voor het verteren van voedsel dienden. |
Voorheen werden de Metazoa onderverdeeld in twee Afdelingen: de Mesozoa en de Eumetazoa. Nu worden de Mesozoa als een afzonderlijk rijk beschouwd binnen het domein der Eukaryoten en omvatten de Metazoa dus alleen de Eumetazoa, de "echte" meercelligen.
Eumetazoa zijn dieren met volledig gedifferentieerde weefsels, in tegenstelling tot de Parazoa (Sponsachtigen). Er zijn vier soorten weefsels te onderscheiden:
Binnen de Eumetazoa kan onderscheid gemaakt worden tussen Radiata (die radiaal symmetrisch zijn) en Bilateria (die tweezijdig symmetrisch zijn). |
Metazoa (Meercelligen) |
|
Radiata | Bilateria |
Al langer vermoedden onderzoekers Nicole King en Sean Caroll van het Howard Hughes Medical Institute in Madison, Wisconsin, op grond van uiterlijke overeenkomsten dat choanoflagellaten aan de wieg hebben gestaan van het meercellige dierlijk leven. In sponzen (primitieve dieren) zijn nog steeds zogeheten kraagcellen (choanocyten) te vinden die sterk lijken op de eencellige choanoflagellaten. Net als choanoflagellaten bezitten de kraagcellen van sponzen een flagel omgeven door een kraag van microvilli. De zwiepende flagel veroorzaakt een kleine waterstroom waarbij in het water zwevende voedseldeeltjes in de kraag blijven hangen. Deze kunnen vervolgens door de cel worden opgenomen. Hun eencellige gemeenschappelijke voorouder moet ten minste 600 miljoen jaar geleden hebben geleefd, het moment waarop de meercelligheid ontstond. Die overstap van eencellig naar meercellig leven vereiste een ingrijpende genetische verandering in tal van genen die betrokken zijn bij het aan elkaar plakken van cellen en de onderlinge communicatie tussen cellen. De ontdekking van het gen voor het receptortyrosinekinase in een eencellige bewijst dat in ieder geval één zo'n aanpassing al heeft plaatsgevonden voordat het meercellige leven zich ontwikkelde. |
Metazoa bestaan uit weinig, meestal in twee lagen gerangschikte cellen. .Het zijn meercellige heterotrofe organismen zonder celwand. Heterotroof wil zeggen dat ze voor de bouw van hun organische moleculen andere organismen moeten eten en ze niet direct uit CO2 en H2O kunnen bouwen. De cel wordt omsloten door een soepel membraantje en niet zoals bij planten door een starre celwand. Het dierenrijk moet ongeveer 700 miljoen jaar geleden (Sturdian) uit Choanoflagellaten, ééncelligen met een kraag (choano = kraag) en een zwiepstaart (flagel = zweep). Deze ééncelligen groeperen zich soms in bollen, waarbij ze hun flagellen aan de buitenkant hebben.
Metazoa zijn opgebouwd uit weefsels en organen. Een weefsel bestaat uit een aantal gelijksoortige, sterk op een bepaalde levenstaak ingestelde, 'gedifferentieerde' cellen. Tijdens een vroeg ontwikkelingsstadium bestaan ze uit twee cellagen of kiembladen : het ectoderm dat de huid levert en het entoderm, waaruit zich de verteringsorganen ontwikkelen. In dit stadium is de jonge levenskiem meestal een soort dubbelwandig bekertje, te vergelijken met een diep ingedeukte gummibal. De opening van dit bekertje heet oermond, omdat zich hieruit meestal de latere mond vormt. De Duitse natuuronderzoeker Ernst Haeckel, door wiens toedoen Darwins evolutieleer tot het centrale punt werd in de negentiende eeuwse mechanistische natuurfilosofie, zag dit gastrulastadium bij de meeste Metozoa optreden : als ontwikkelingsfase of bij poliepen, kwallen en koralen als eindtoestand. Volgens Haeckel zou elk dier tijdens zijn ontwikkeling als het ware in versneld tempo de evolutie van zijn groep demonstreren. Deze hypothese werd - in hoge mate overdreven - tot 'biogenetische grondwet' verheven. Intussen zijn de biologen wel voorzichtiger geworden. In het feit, dat veel ontwikkelingsstadia van hogere dieren, de mens incluis, overeenkomen met de eindtoestanden van lagere vormen, zien zij een niet te miskennen genetische parallelliteit : de ontwikkeling van het individu en die van de soort in de loop der tijden zijn duidelijk evenwijdig lopende gebeurtenissen; maar hiermee is nog niet bewezen, dat zij identiek zijn. |
Laatst bijgewerkt: 19-03-08 |