5850

Mongoolse rijk (1260 - 1368) - Yuan-dynastie

Het rijk van de Grote Khan (1227 - 1260); Zuidelijke Song-dynastie (1127 - 1279)
Koeblai Khan ( Khubilai Khan) (1260–1294)
Onder Koeblai (Koeblai, Choebilai)) Khan (1260 - 1294), de broer en opvolger van Mangu (Mongke) Khan, bereikte het rijk van de Mongolen zijn grootste macht. In 1260 nam Koeblai Khan de macht over in de Noord-Chinese gebieden. Als generaal bewees hij de eer aan de nagedachtenis van zijn grootvader. Hij verwierf de heerschappij over geheel China tijdens een 19 jaar lange periode van oorlogen: de eerste tegen een Mongoolse rivaal en daarna tegen de legers van het nog niet veroverde Sung Rijk ten zuiden van de Jangtze. 
In 1279 had hij heel China veroverd en reikte zijn hegemonie zo ver naar het zuiden als Birma. Hij bestreek bijna de gehele kust van de Stille Oceaan: de westelijke begrenzing van zijn gehele gebied vormde Tibet. Zijn ooms, broers en neven overheersten nog steeds al het omringende gebied.  Koeblai Khan veroverde ook Koryo (Korea), maar andere expedities naar Zuidoost-Azië mislukten. Zijn Mongoolse leger wist het rijk Champa  vijf jaar lang te bezetten, totdat het in 1287 door de Vietnamezen werd bevrijd.
Pogingen om Japan te veroveren (in 1275 en 1292) mislukten echter. Al met al was het Mongoolse rijk in uitgestrektheid ongeëvenaard in de wereldgeschiedenis.

 

De Chinezen zelf erkenden hem als hun wettelijke keizer en riepen hem uit tot Zoon van de Hemel en zijn troonsbestijging markeerde het begin van de Yuan-dynastie (1279-1368). De lijn zou echter slechts 89 jaar duren - een korte periode naar Chinese begrippen - maar onder hun leiding bloeiden de kunsten van China. Koeblai bouwde in 1284 zijn winterhoofdstad op de plaats van de oude stad Chung-tu - de stad die zijn grootvader ca. 60 jaar tevoren (1215) had geplunderd - en herdoopte in: Khanbalik (= Stad van de Heerser), in de westerse verbastering Cambaluc of Cambalu, de tegenwoordige Peking (Beijing). De stad stond in het Chinees bekend als Tai-du of Ta-Toe ( = Grote Hoofdstad). De stad is beschreven door Marco Polo. Khanbalik zou hoofdstad bijven tot 1368 toen de Mongolen werden verdreven door de Ming-dynastie.

De wonderen die hij daar liet bouwen beproefde het vermogen van de verstomd staande bezoekers om ze te beschrijven. Zo dat mogelijk was, was het zomerpaleis van de Khan nog schitterender. Het werd gebouwd bij een plaats die Xandu heette. Gedurende zijn heerschappij bezocht Marco Polo het Mongoolse Rijk. De Venetiaanse koopman bracht 20 jaar door aan het hof van de Grote Khan. 

Van zijn vele reizen in dienst van Koeblai Khan en zijn verblijf aan het hof een nauwkeurig verslag. Hij gaf ook een nauwkeurige beschrijving van het zomerpaleis: "In het midden van een omsloten park stond het paleis, geheel gebouwd van bamboe, maar van binnen geheel verguld met dieren en vogels van zeer vaardig vakmanschap. Het staat op vergulde en geverniste palen, op elk waarvan een draak staat, die zijn staart rond de pilaar kronkelt en het dak ondersteunt met zijn poten. Het dak is gemaakt van bamboe, goed vernist en ook volkomen waterdicht."

Marco Polo maakte ook verslag van het Witte Feest van de lente, de belangrijkste feestdag die aan het hof werd gevierd, op 9 mei. Op deze dag dreven de gunstelingen van Koeblai Khan 100.000 merries en hengsten bijeen, allemaal zuiver wit en als heilig vereerd. Slechts de Khan zelf, zijn familie en een paar speciaal uitgezochte personen, mochten de melk van de witte merries drinken. Dan op 28 augustus, verspreidde Koeblai Khan grote hoeveelheden van de melk van de witte merries in alle windrichtingen als offerande aan de goddelijke geesten - een ceremonie die getuigde van de wortels van de Mongolen in het prehistorische verleden, toen de paarden voor het eerst de Scythen, de Sarmaten en Hsiung-Nu naar de heerschappij over de steppen van Europa en Azië droegen.
De Khan's vermeden angstvallig om in deze boerengemeenschap hun stammenhiërarchie in te voeren en zij hielden de bureaucratie in stand, die China al beheerste sedert de Tang-dynastie. Zelf waakten de Mongolen behoedzaam over het behoud van de eigen culturele identiteit en hun voorrechten.
Chinezen konden niet tot alle posten en functies doordringen. De Khan's poogden in die periode ook hun gezag in Japan en Java door te drukken, maar dat werden rampzalige mislukkingen.
Na Koeblai Khan lieten de opvolgers zich verleiden tot het decadente Chinese hofleven en sommigen onder hen kwamen zwaar onder de invloed van het lamaïsme.
Rechts: Kaartje van de zijderoute van de Middellandse zee tot Xi'an in China. De historische zijdeweg bestond uit een aantal routes, die China over land via de oasen van de westelijke Taklamakanwoestijn met India, Centraal-Azië en het Middellandsezeegebied verbonden.

De Zijderoute die in het rijk lag, werd opnieuw geopend en de Yuan-vorsten stelden buitenlanders aan als ambtenaren. Een van hen was Marco Polo, die voor Koeblai Khan werkte. Het nieuwe bewind bracht ook ook wel een paar voordelen, zoals beter wegen en een efficiënte postdienst met ruiters. Maar aan de Chinese boerderijen en steden besteedden de Mongolen geen aandacht. Zoals al zo vaak is gebeurd trad ook hier op den duur het verval in.  De macht kwam al snel in handen van plaatselijke machthebbers. Ook braken er vijandigheden uit tussen de verschillende delen van het rijk. 

Koning Giorgi V (1314-1346) van Georgië, ook gekend als "de Schitterende", maakte van zijn positie als loyale vazal onder een dan niet al te sterke Il Khan heerschappij, gebruik om zijn land daadwerkelijk te besturen. Toen de Khan vermoord werd, stopte hij met het betalen van belastingen en dreef hij de Mongolen uit zijn land. Hij nam opnieuw de draad op bij de oude politiek om de monarchie te verstevigen, het land terug op te eisen wat onder meer leidde tot de verovering van Samtskhe in 1334. Hij liet aan zijn troonopvolgers David ll (1346-1360) en Bagrat V (1360-1395) een sterker en uitdijend koninkrijk achter. Toen, halverwege de 14de eeuw, dramatische overstromingen van de Gele Rivier een grote hongersnood veroorzaakten in noordelijk China konden de Khan's hun leidende taken niet meer aan. In 1367 brak er een opstand uit onder leiding van de bandiet Zhu Yuan-zhuang, een gewezen monnik. 

Tijdens het verval van het gezag van de Yuan-dynastie, dat al sinds ongeveer 1320 in gang gezet was, braken op vele plaatsen in het rijk opstanden uit. Grote gebieden vielen hierbij in handen van succesvolle krijgsheren. In 1356 veroverde een van de rebellen Zhu Yuanzhang, Nanjing. Zhu bouwde van daar zijn machtsbasis verder uit, eerst langs de beide oevers van de Yangzi-rivier. Van daaruit wist hij de ene na de andere concurrerende rebellengroep aan zich te binden of te verslaan. In 1368 viel Peking in zijn handen, bij welke gelegenheid de Ming-dynastie uitgeroepen werd met hemzelf als eerste keizer, Ming Taizu. Na Liu Bang, de eerste keizer van de Han-dynastie, was hij de tweede man uit het volk die het tot de keizerstroon bracht. Van oorsprong was hij afkomstig uit de provincie Anhui. Zijn ouders waren eenvoudige boeren, die al tijdens zijn jeugd omgekomen waren bij een van de grote hongersnoden, die het rijk destijds regelmatig teisterden. Hij volgde - na als wees opgegroeid te zijn in een boeddhistisch klooster - het carrièrepad van bedelaar, struikrover en rebellenleider. Hierin toonde hij zich een intelligentere speler, dan verschillende andere krijgsheren, die na voor zichzelf een voldoende groot territorium te hebben veroverd, zich meer met de exploitatie hiervan bezig hielden dan met een duurzame consolidatie.

Toghon Temoer was de laatste Mongoolse keizer zijn. In 1368 werd hij verdreven en door de Ming dynastie opgevolgd. 

De laatste Mongoolse keizer vluchtte en Zhu Yuan-zhuang riep zichzelf uit tot keizer Ming Hong Wu en stichtte daarmee een nieuwe dynastie: de Ming-dynastieNanjing werd hun hoofdstad.

China (Ming-dynastie) (1368-1424)

laatst bijgewerkt: 06-09-03

colofon