5107

Kruisvaart van 1101

Koninkrijk Jeruzalem (1099 - 1147) Sultanaat Rum
Na de succesvolle eerste kruistocht (verovering van Nicaea (19 juni 1097), de overwinning bij Dolyraeum (1 juli 1097), de verovering van Atiochië (3 juni 1098) en Jeruzalem (15 juli 1099) was er versterking nodig om het nieuwe Koninkrijk Jeruzalem te stabiliseren. Paus Paschalis II (1099-1118) riep een nieuwe tocht uit en riep vooral diegene op die hun pelgrimsbelofte niet hadden waargemaakt of niet hadden afgemaakt, om die alsnog te vervullen. Vele deelnemers aan de eerste kruistocht sloten zich wederom aan. Sommigen van hen hadden thuis een slechte beurt gemaakt door hun kruistocht niet te vervullen en ervoeren grote druk om alsnog naar het oosten te gaan. Onder hen was Stefanus II van Blois, die tijdens het Beleg van Antiochië in 1098 weer naar huis was gevlucht en wiens vrouw zich zo voor hem schaamde dat ze hem opnieuw van huis stuurde. 

Deze nieuwe onderneming van zowel rijken als armen wilde hun weg naar het heilige land banen om in de naam van Jezus Christus de ongelovigen af te slachten. Sommigen gingen omdat ze thuis niet meer gewenst waren, anderen omdat ze hun armoede trachtten te ontvluchten in de hoop op een beter leven.

Zoals tijdens de Eerste kruistocht, gingen de pelgrims en soldaten niet als onderdeel van één groot leger op weg, maar kwamen ze deze keer in diversen groepen vanuit heel West-Europa. In september 1100, vertrok een grote groep Lombarden vanuit Milaan. Dit leger bestond grotendeels uit ongetrainde boeren en werd geleid door bisschop Anselmus IV, aartsbisschop van Milaan. Toen zij het Byzantijnse Rijk bereikten, begonnen ze te plunderen. De Byzantijnse Keizer Alexius I leidde hen naar een kamp buiten Constantinopel, om erger te voorkomen. De Lombarden namen hiermee geen genoegen, ze gingen de binnenstad in en plunderen ook het paleis Blachernae. Daarop werden de Lombarden overgezet naar de overkant van de Bosporus en zetten ze hun kamp op bij Nicomedia, om daar op versterking te wachten.

In mei 1101 kregen zij bij Nicomedia versterking van een kleine groep, maar sterke geformeerde Fransen, Bourgondiërs en Duitsers, onder wie Stefanus II van Blois, hertog Odo I van Bourgondië en Koenraad, de hofmaarschalk van keizer Hendrik lV. Kort daarop sloot Raymond IV van Toulouse, een van de leiders van de eerste kruistocht, zich aan, deze was nu in dienst van Keizer Alexius I. Hij was de leider van al deze groeperingen, die nog werd aangevuld met een Byzantijns leger en Petsjenegen huurlingen onder leiding van generaal Tzitas. Deze groep ging eind mei op weg, richting Dorylaeum, dezelfde route die Raymond in 1097 ook had gevolgd (z. Op weg naar Jeruzalem).

Rechts: Raymond lV van Toulouse

Het plan was om op te trekken richting Konya (de vroegere Romeinse stad Iconium) te gaan en sinds 1097 de hoofdstad van het sultanaat Rum, maar de Lombarden die het grootste onderdeel vormden in het Kruisvaardersleger, waren vastbesloten om noordelijk te reizen via Niksar, waar Bohemund I van Antiochië sinds de nederlaag in de Slag van Melitene (1100) werd vastgehouden door de Danishmenden. Nadat Ancyra (hedendaags Ankara) was veroverd op 23 juli 1101 en was terug gegeven aan Keizer Alexius, gingen de kruisvaarders naar het noorden waarop zij enige tijd de zwaarbewapende stad Gangra belegerden, vervolgens trokken zij nog verder noordelijk naar Kastamonu. 

Onderweg werden ze wekenlang aangevallen door Turkse Seldjoeken. Rond eind juli was een groot gedeelte van het kruisvaardersleger uitgemoord. Het nog resterende deel van het leger van de Lombarden besloot nu om te keren en zich van de Zwarte zee in zuidoostelijke richting te begeven. 

Kilij Arslan I, de aanvoerder van het leger van de Seldjoeken, zag in dat eenheid nodig was. Verdeeldheid was hem fataal geworden tijdens de Eerste kruistocht. Hij verenigde zich met Ridwan van Aleppo en ook de Danishmenden. In augustus zagen de Kruisvaarders dit gecombineerde moslimleger bij Mersivan. In een frontaanval vernietigden Seldjoeken vervolgens bijna het gehele Kruisvaardersleger. Slechts enkelen konden wegkomen in de bergen van  Paphlagonië.

Enkele weken nadat het contingent van Lombarden vertrokken was uit Nicomedia,kwam een kleine groep Kruisridders uit Nevers aan in Constantinopel, onder leiding van Willem II van Nevers. Deze was per schip vanuit Bari de Adriatische Zee overgestoken naar het Byzantijnse Rijk en de stad binnengemarcheerd zonder enige incidenten. Willem kreeg snel te horen dat de Lombarden op enkele dagen loopafstand van hem verwijderd was. Vlug zette Willem de achtervolging in om zich bij de rest te kunnen aansluiten, maar hij heeft ze nooit meer ingehaald, al zouden de legers vlak bij elkaar in de buurt zijn geweest. Willem belegerde korte tijd Iconium (Konya) maar kon de stad niet innemen. Niet lang daarna liep hij met zijn leger in een hinderlaag bij Heraclea Cybistra, kort nadat Kilij Arslan het andere leger bij Mersivan had verslagen. Hij wilde zo snel mogelijk alle nog volgende christenlegers verslaan. Bij Heraclea werd het gehele leger uit Nevers gedood, op de graaf en een paar van zijn volgelingen na.

Kort nadat Willem II van Nevers Constantinopel had verlaten, arriveerde een derde leger, geleid door Willem IX van Aquitanië, Hugo I van Vermandois en Welf I van Beieren. In het gezelschap reisde ook Ida van Oostenrijk (Ida van Cham) mee, de echtgenote van de Oostenrijkse markgraaf Leopold II. Zij was op weg naar Jeruzalem om daar haar gelofte af te leggen. Dit leger begon bij aankomst net als het eerste leger met plunderen in de landerijen van het Byzantijnse rijk. Eenmaal buiten Constantinopel splitste het leger zich op in tweeën, waarvan de ene helft gelijk per boot naar Palestina voer. De andere helft, die over land trok, werd toen zij Heraclea bereikte net als hun voorgangers verpletterd door Kilij Arslan I. Willem en Welf wisten te vluchten, maar Hugo  van Vermandois werd dodelijk verwond. De overlevenden wisten de stad Tarsus te bereiken, waar Hugo op 18 oktober overleed. Ida verdween nadat zij in een nederlaag was gelopen bij Heraclea. Er wordt van uitgegaan dat ze gedood is, maar volgens een legende werd ze verkocht aan een Sultan en zou ze de moeder van Zengi zijn geweest, een latere vijand van de kruisvaarders.

Willem van Nevers wist ook naar Tarsus te vluchten, evenals Raymond van Toulouse. Onder Raymonds leiding wisten ze de stad Tortosa in te nemen, met de hulp van een Genuese vloot. Rond deze tijd was de kruistocht meer uitgelopen op een pelgrimstocht, de overlevenden wisten Antiochië te bereiken aan het einde van 1101 en rond Pasen in 1102 kwamen ze aan in Jeruzalem. Vervolgens gingen de meeste van deze pelgrimtocht weer naar huis, nadat ze hun heilige plicht hadden vervuld. Enkele bleven achter om Koning Boudewijn I van Jeruzalem te helpen om Ramla te verdedigen tegen de aanvallen van de Fatimiden.

Laatst bijgewerkt: 21-12-10

colofon