5122

Koninkrijk Jeruzalem (1100 - 1147)

Koninkrijk Jeruzalem (1099) 

Boudewijn (Baudouin, Baldwin) l (van Boulogne) (1100 - 1118)

Boudewijn van Boulogne (geboren in 1068 ) was de jongste zoon van graaf Eustatius II van Boulogne en Ida van Verdun. Hoewel hij zijn toekomst zag als priester, had hij zich door zijn broers Godfried van Bouillon en Eustachius lll over laten halen mee te gaan met de kruistocht naar het Heilige Land. Hij verkocht zijn grondbezit, financierde daarmee een leger en trok in 1096 ten strijde. Hij nam zijn vrouw Godevera mee en de priester Fulcher, die de hele tocht beschreef in een bundel. 

Aan de grens van het Hongaarse rijk eiste koning Koloman (1095 - 1116) dat de kruisvaarders een belangrijke persoon zouden afstaan om de veiligheid van zijn rijk te garanderen. Boudewijn zou zijn uitgeleverd om de manschappen te laten door trekken.

Aan de andere kant van de grens werd Boudewijn weer vrijgelaten. Aan de grens van Antiochië scheidde Boudewijn zich af van zijn broers en trok hij onder leiding van Tancred naar het zuidoosten. Daar veroverden zij verscheidene steden. In één van die plaatsen overleed zijn vrouw Godevera aan een onbekende ziekte. Of het overlijden van zijn vrouw de reden is geweest dat Boudewijn achterbleef en een staat stichtte onder de naam Edessa is onduidelijk. Na de verovering van Jeruzalem (1099) zou Boudewijn als pelgrim naar Jeruzalem getrokken zijn om zijn kruistocht af te maken. 

Na de veroveringen van de kruisridders kreeg Boudewijn diversen uitnodigingen van onder andere de prins Bagrat van Armenië en Thoros, graaf van Edessa. Aan het hof in Edessa ontstond er een goede vriendschap tussen Boudewijn en Thoros. Deze wilde een bondgenootschap te sluiten, omdat zijn macht beperkt was. Als blijk van vertrouwen adopteerde hij Boudewijn als zijn zoon. Door een staatsgreep werd Thoros echter ten val gebracht. Of Boudewijn daain een rol heeft gespeeld is niet duidelijk. Wel  werd Boudewijn in 1098 uitgeroepen tot graaf van Edessa. Later in dat jaar trouwde Boudewijn met Arda, de dochter van Thoros I van Armenië. 

De Seldjoeken deden een aanval op Antiochië en er volgde een bezetting van drie maanden. Samen met zijn broer Godfried wist Boudewijn de moslims te verdrijven tot aan Aleppo.

Om het koninkrijk verder uit te breiden ondernam Boudewijn ook een poging Egypte te veroveren. Met een leger overgehouden aan de eerste kruistocht viel hij samen met onder meer Stefanus van Blois en Hugh VII de Lusignan Egypte binnen. De Egyptenaren wist dit leger te verslaan en voor het grootste deel uitgemoord, waaronder ook Stefanus II van Blois. Boudewijn wist met een paard te ontkomen en met een boot keerde hij terug naar Palestina.

Ramla was een belangrijke plaats op de weg van Jeruzalem naar Ascalon, het laatste bolwerk van de Fatimiden waar hun grootste oostelijk gelegen burcht lag. Vanuit Ascalon voerde de Egyptische vizier Al-Afdal Shahanshah al zijn aanvallen uit op het christen koninkrijk tussen 1099 en 1107. Bij Ramla vond drie maal een veldslag plaats.

De eerste slag vond plaats op 7 september 1101. Boudewijn I had 260 cavaleristen en 900 infanteristen tot zijn beschikking, hij formeerde ze in zes divisies voor het gevecht met de Egyptische strijdkrachten, die 10.000 manschappen sterk zou zijn. De eerste twee divisies werden zonder pardon overlopen, toen trok de derde divisie zich terug waarop de Egyptenaren de achtervolging inzetten. Boudewijn I verleende met zijn garde steun aan de derde divisie waarop een kort bloedig gevecht volgde, waarbij de aanval uiteindelijk werd afgeslagen. Om onduidelijke redenen was er namelijk paniek uitgebroken binnen de gelederen van de Fatimiden waarna deze de aftocht bliezen. Nadat de kruisvaarders een tijdje de Fatimiden hadden achtervolgd tot aan Ascalon, plunderden ze het Egyptische kamp in Ramla. Dit succes waarborgde de veiligheid van het Koninkrijk Jeruzalem voor minimaal een seizoen omdat het winterseizoen in aantocht was en er financiële middelen waren voor versterking.

Op 17 mei 1102 vond opnieuw een veldslag plaats bij Ramla. Boudewijn was nooit echt onder de indruk geraakt van de Fatimiden, waardoor hij de strijdkrachten onderschatte. Hij trok deze keer met 500 ruiters de vijand tegemoet. Tijdens de aantocht van het leger zag Boudewijn te laat in dat het Egyptische leger buitengewoon groot was en de ontsnappingsmogelijkheden al geblokkeerd waren. Velen dappere christen ruiters stormden het centrale gedeelte van de Fatimiden binnen, waarbij ze afgeslacht werden. Ondertussen had Boudewijn en enkele overlevenden, waarbij ook deelnemers van de Kruisvaart van 1101 aanwezig waren, hun toevlucht gevonden in Ramla's uitkijktoren. Boudewijn wist 's nachts te ontsnappen en vluchtte naar Arsuf waar hij een Engelse scheepskapitein ervan overtuigde om door de blokkade van de Fatimiden in Jaffa heen te varen, die op dat moment belegerd werd door Fatimiden.

Met de aankomst van een vloot van Franse en Duitse kruisvaarders had Boudewijn de mogelijkheid om een leger van 8.000 manschappen samen te stellen. Tijdens de Slag bij Jaffa leidde hij een cavalerieaanval die opnieuw een Egyptische linie doorbrak, waardoor de Fatimiden moesten vluchten naar Ascalon. Ondanks de grote verliezen van soldaten en ruiters en de dood van Stephan van Blois in een bittere strijd in de toren van Ramla, trok Boudewijn profijt uit de plunderingen en achtergebleven eigendommen van de gevluchte Fatimiden, echter had hij er Ramla nog niet mee terug. Andere edelen die het leven lieten waren Hugo VI van Lusignan die afgeslacht werd tijdens de veldslag. Steven I van Bourgondië stierf eveneens tijdens de slag, het is echter niet bekend of hij zich in de toren of op het slagveld bevond. De meegereisde Koenraad, hofmaarschalk van keizer Hendrik IV van het Heilige Roomse Rijk, werd door de Fatimiden ontvoerd.

De derde slag vond plaats op 27 augustus 1105 en wordt gezien als de meest brute van de drie. In deze strijd waren de kruisvaarders afhankelijk van cavalerie en infanterie, terwijl de Egyptische strijdkrachten versterking verwachtten van een Seltjoek-leger uit Damascus. De Egyptische strijdkrachten wisten in eerste instantie de aanvallen van de kruisvaarders te pareren. Vervolgens zouden de kruisvaarders de overwinning hebben uitgeroepen, dankzij de bemoeienis van Boudewijn Hij wist het aankomende Turkse Seltjoek-leger uit te schakelen in een flankaanval. Hij keerde vervolgens terug met zijn garde naar de veldslag en leidde opnieuw de genadeklap in, die tot de overwinning zou leiden. Boudewijn had opnieuw gewonnen, maar had niet het vermogen om de Fatimiden totaal te verjagen.

Ondanks de overwinning gingen de Egyptische strijdkrachten gewoon verder met plundertochten in het Koninkrijk Jeruzalem. Soms wisten ze zelfs de muren van Jeruzalem te bereiken voordat ze weer teruggedrongen werden. De volgende grote ontmoeting vond plaats bij de Slag van Yibneh in 1123.

In 1110 veroverde Boudewijn de stad Beiroet en voegde het toe aan het koninkrijk Jeruzalem. Een jaar later, in 1111, nam hij samen met koning Sigurd I van Noorwegen de stad Sidon in en de havenstad Akko (Acre) en verwierf de opperheerschappij over de andere kruisvaarderstaten in het noorden, het prinsdom Antiochië, het graafschap Edessa en het graafschap Tripoli

Boudewijns tweede vrouw Arda zat zonder financiële middelen, doordat haar goederen en de landerijen waardeloos waren geworden. Daarom zag Boudewijn zich geen andere uitweg om aan geld te komen dan een derde huwelijk te sluiten. In 1013 trouwde hij met Adelheid of Adeleide, een dochter van markgraaf Markos von Savona. 
Ook dit derde huwelijk was, net als zijn vorige niet uit liefde voortgekomen. Naar eigen zeggen vond hij geen voldoening in "de vleselijke lusten". Er is wel eens gesuggereerd dat Boudewijn mogelijk homoseksueel was. 

Onder zijn regering groeide het aantal Europese inwoners van het rijk voortdurend aan; men installeerde een christelijke patriarch van Jeruzalem en de Italiaanse stadstaten Venetië, Pisa en Genua begonnen er een grote rol te spelen. Deze laatste hadden immers met hun vloot de verovering van de havensteden gesteund en mochten er daarom autonome handelsposten zonder militaire of belastingverplichtingen oprichten. De zo ontluikende handel op Azië bracht het koninkrijk echter ook zonder belastingen een aanzienlijke welvaart op. 

Rechts: Boudewijn trekt in triomf de stad Edessa binnen

In 1118 trok Boudewijn wederom Egypte binnen en nam de stad Farama in. Op 2 april was Boudewijn wat gaan vissen met enkele belangrijke mensen van zijn garde bij een plaatselijke rivier; na teveel vis gegeten te hebben ging hij wat lopen langs de rivier toen hij plots in elkaar zakte. Men denkt dat de vis die hij gegeten had vergiftigd was of dat een oude wond hem fataal geworden is. Hij werd bijgezet in het Heilige Graf in Jeruzalem. Boudewijn had geen kinderen nagelaten. De eerste die in aanmerking kwam om hem op te volgen was Eustachius III van Boulogne zijn enige nog in leven zijnde broer. De keuze viel echter op Boudewijn du Bourg, omdat hij ook familie was en van goede huize. 

Koninkrijk Jeruzalem (1118 - 1147)

Gemaakt: 29-02-08; laatst bijgewerkt: 21-12-10

colofon