3806

Kanaän - Judea (103 - 64 v. Chr.)

Kanaän (141 - 103 v. Chr.)

Alexander Janneüs (Hebreeuwse naam Jonathan) (103 - 76 v. Chr.)

Alexander was de derde zoon van Johannes Hyrcanus, die tot 104 v.Chr. de Hasmoneese staat had bestuurd. Hij was door zijn broer Aristobolus l samen met zijn moeder (?) en twee andere broers gevangen gezet. Zijn moeder overleed tijdens deze gevangenschap.

Toen Aristobulus in 103 v.Chr. overleed, gaf zijn weduwe Salome Alexandra Alexander en zijn broers hun vrijheid terug. Zij hertrouwde bovendien met Alexander en benoemde hem koning en hogepriester, waarmee hij dus de opvolger werd van zijn broer Aristobulus.

Aan het begin van Alexanders regering viel Ptolemeüs Lathyrus vanuit Cyprus Galilea binnen, in een poging Alexanders macht te beknotten (Galilea behoorde toen nog maar sinds kort tot het Hasmoneese rijk). Alexander sloot echter een bondgenootschap met Cleopatra III (Ptolemeüs' moeder) en met haar hulp wist hij Ptolemeüs te verdrijven.

Na deze gebeurtenissen ontpopte Alexander zich hoe langer hoe meer tot een veroveraar. Hij zette daarbij de uitbreidingspolitiek van Johannes Hyrcanus en Aristobulus I voort. Dit bracht hem in oorlog met de Nabateeërs. Aanvankelijk hielden de Nabateeërs stand en brachten koning Aretas II en zijn opvolger Obodas I hem zware nederlagen toe, zodat Alexander zelfs land aan hen moest afstaan (90 v.Chr.). Obodas' opvolger Aretas III was echter niet bestand tegen Alexanders oorlogsgeweld en zo wist Alexander de verloren gebieden terug te veroveren en Perea en Gaulanitis aan het Hasmoneese rijk toe te voegen (82 v.Chr.). Ook veroverde hij Gaza aan de westkust, dat voorheen onder Nabatees bestuur stond. In de loop van zijn regering viel hij nog diverse andere grote steden in de kuststrook aan die hij als militaire of economische bedreiging beschouwde. Hij verwoestte ze of legde ze zware belastingen op. Hij ging daarbij zeer wreed te werk.

Uiteindelijk wist Alexander de Joodse staat tot de omvang te brengen die het ooit onder koning David (1000 - 961 v. Chr.) en Salomo (962 - 926 v. Chr.) had gehad. Om de grenzen te bewaken liet hij verschillende forten bouwen, waarvan Alexandrium, Machaerus (Mukawir) en Hyrcania de belangrijkste waren. Het reeds door Johannes Hyrkanus gebouwde winterpaleis bij Jericho voorzag hij van een grotere omvang en luxe.

Ook Alexander Janneüs zag Alexander de Grote als zijn voorbeeld. Hij gedroeg zich in verschillende opzichten als een hellenistisch vorst, soms ook wanneer dit inging tegen de tradities van het jodendom. Uit zijn regeringsperiode zijn tweetalige munten bekend. Aan de ene zijde staat in het Hebreeuws 'koning Jonathan'. Aan de andere zijde staat in het Grieks 'koning Alexander'. Griekse invloed blijkt verder uit de gebruikte symbolen, vooral uit het symbool van het achtspakig wiel (of achtpuntige ster) in een diadeem, dat ook wel door hellenistische vorsten werd gebruikt.

Alexander kreeg eveneens te maken met oppositie vanuit met name de Farizeeën en de Essenen, vanwege de combinatie van koningschap en priesterschap. Deze konden volgens de Thora namelijk niet in één persoon samenvallen. Alexanders omarming van het hellenisme vergrootte de oppositie tegen zijn heerschappij nog verder, zelfs zozeer dat op een zeker moment door toedoen van de Farizeeën de publieke opinie zich tegen hem keerde.

In een poging af te rekenen met Alexander riep de Joodse bevolking de hulp in van de Seleucidische heerser Demetrius III Eucaerus, die Alexander in een veldslag bij Sichem versloeg. Toen Demetrius echter heersersaanspraken op de Hasmoneese staat wilde maken, kwamen de Joden alsnog Alexander te hulp en keerden zij zich tegen Demetrius. De aanleiding voor deze ommekeer is niet geheel duidelijk. Flavius Josephus zegt dat zijn volksgenoten medelijden kregen met Alexander, maar sommige moderne historici menen dat Demetrius de tempel wilde binnengaan, iets wat hem als niet-Jood verboden was. Hoe het ook zij, door de plotselinge ommekeer moest Demetrius zich alsnog terugtrekken en behield Alexander de zeggenschap over de Hasmoneese staat. Alexander nam wraak op de opstandelingen door 800 van hen op één dag te kruisigen, terwijl hij voor hun ogen hun vrouwen en kinderen ombracht.

Ook na deze crisis bleef de relatie tussen Alexander en de Farizeeën gespannen. De Farizeeën bekritiseerden hem openlijk omdat hij zich in allerlei opzichten (vooral tijdens de Joodse feesten) niet aan de Joodse tradities hield, maar zich als hellenistisch vorst gedroeg. De Farizeeën hadden echter zo'n grote invloed op de publieke opinie dat Alexander niet om hen heen kon. Volgens de overlevering gaf hij op zijn sterfbed zijn vrouw en opvolgster Salome Alexandra dan ook de raad zich met de Farizeeën te verzoenen.

Over de relatie tussen Alexander en de Essenen, die eveneens zeer kritisch stonden tegenover de Hasmoneese heersers, is niet veel bekend. Veel wetenschappers zijn echter van mening dat de met de Essenen verwante gemeenschap in Qumran in deze periode gesticht is. De leden van de gemeenschap zouden zich in de woestijn hebben teruggetrokken als reactie op de in hun ogen goddeloze situatie in Jeruzalem. Als deze opvatting correct is, dan moet Alexander Janneüs geïdentificeerd worden als de Goddeloze priester die in sommige teksten van de Dode Zeerollen wordt genoemd.

Alexanders excessieve alcoholgebruik eiste uiteindelijk zijn tol en leidde ertoe dat hij tijdens de laatste drie jaar van zijn leven ernstig ziek was.  In 76 v.Chr. overleed Alexander Janneüs tijdens een beleg bij het bolwerk Ragaba. Salome Alexandra wachtte echter met het bekendmaken van zijn dood, totdat korte tijd later het bolwerk was ingenomen. Overeenkomstig Alexanders wens volgde Alexandra hem op als koningin over de Joodse staat. Alexander werd begraven in het door hem gebouwde (en naar hem genoemde) fort Alexandrium.

Het Hasmoneese rijk onder Alexander Janneüs

██ situatie in 103 v.Chr.

██ veroveringen

 

Salome Alexandra (76 - 67 v. Chr.)

Eerdere Hasmoneese heersers waren behalve koning ook hogepriester geweest, maar omdat Alexandra een vrouw was, was dit voor haar niet mogelijk. Daarom stelde zij een van haar zonen Hyrcanus II aan als hogepriester. Vermoedelijk verkoos zij hem boven zijn broer Aristobulus II, omdat hij een minder sterke persoonlijkheid had en Alexandra via Hyrcanus die het ambt bekleedde van hogepriester gemakkelijker zelf de touwtjes in handen kon houden. Op zijn sterfbad had Alexander volgens de overlevering zijn vrouw de raad gegeven zich met de Farizeeën te verzoenen. Salome Alexandra, die zelf afkomstig was uit een Farizeese familie, volgde dit advies op en gaf de Farizeeën een plaats in het Sanhedrin, de Joodse rechterlijke raad. Hierdoor nam de invloed van de Farizeeën op het maatschappelijk leven alleen nog maar verder toe, ten koste van de Sadduceeën, een Joodse religieuze groepering. Dat haar zoon Hyrcanus II sympathieën had voor de Farizeeën, droeg alleen nog maar meer bij aan hun rehabilitatie. De Sadduceeën waren hier uiteraard niet gelukkig mee, maar konden Alexandra's besluit niet tegenhouden. De Farizeeën stonden positief tegenover de ontwikkelingen en hielden ook in later tijd Alexandra in ere. Zo werd Alexandra het eerste Hasmoneese staatshoofd die goede banden met de Farizeeën onderhield. Salome Alexandra's regering heeft negen jaar geduurd. Zij overleed volgens Flavius Josephus op 73-jarige leeftijd in 67 v.Chr.. Tijdens haar leven had haar zoon Aristobulus ll geaccepteerd dat hij niet veel politieke invloed had, maar toen zij op sterven lag riep hij legers samen om de troonopvolging op te eisen. 

Hij pleegde een staatsgreep, waarop Hyrcanus vluchtte naar de Nabateese koning Aretas III van Petra. Aanvankelijk leek het erop dat Hyrkanus zich bij de situatie zou neerleggen. De Idumeese gouverneur Antipater wist hem echter op andere gedachten te brengen. Antipater had daar zijn eigen redenen voor: hij verwachtte via de beïnvloedbare Hyrcanus veel beter zijn eigen politieke ambities te kunnen bereiken dan via Aristobulus. In 65 v.Chr. sloeg Hyrcanus, geholpen door Antipater en Aretas, het beleg om Jeruzalem en het leek erop dat Aristobulus niet tegen de overmacht bestand zou blijken. De Romeinse legaat in Syrië, Marcus Aemilius Scaurus, vreesde echter een sterk machtsblok van Hasmoneeën en Nabateeërs en schoot Aristobulus te hulp. Hierdoor was Hyrcanus gedwongen het beleg om Jeruzalem op te geven en met Aretas terug te keren naar Petra (64 v.Chr.). Aristobulus achtervolgde het terugtrekkende leger en versloeg hen bij de Jordaan. Het lukte hem echter niet Hyrcanus gevangen te nemen.

 

Toen later dat jaar de Romeinse generaal Gnaeus Pompeius het rijk van de Seleuciden aan zich onderworpen had maakte hij van Syrië en Palestina de Romeinse provincie Syria. Hyrcanus en Aristobulus ll probeerden beiden bij hem in de gunst te komen. Pompeius gaf de broers de opdracht zich met elkaar te verzoenen, maar Aristobulus wilde de loop der gebeurtenissen niet afwachten en riep een leger samen om tegen Hyrcanus ten strijde te trekken. Pompeius meende dat Aristobulus het op hem gemunt had. Hij nam hem gevangen en nam Jeruzalem in (63 v.Chr.). Zo kwam er een einde aan de zelfstandige Joodse staat.

In 64 v. Chr. maakte de Romeinse machthebber Gnaeus Pompeius  

rechts: Pompeius

Provincie Judaea (64 - 37 v. Chr.)

Gemaakt: 21-09-08

colofon