3485 | Dode Zeerollen |
![]() |
![]()
|
Begin 1947 liet een herdersjongen van de bedoeïenstam Ta’amireh zijn kudde schapen achter om een verdwaald schaap te zoeken tussen de kalkstenen rotsen langs de noordwestelijke rand van de Dode Zee, in de omgeving van Qumran, ten oosten van Jeruzalem. Hij zag een grot in een steile rotshelling, gooide een steen de donkere ruimte in, en hoorde iets breken. Dat interesseerde hem, en hij keerde later met iemand anders terug en vond een grote verzameling aardewerken potten, waarvan sommige intact waren, afgedekt met een deksel, wat leek te duiden op verborgen schatten uit een ver verleden. De meeste potten waren echter leeg, en de andere potten bevatten niets anders dan oude, in linnen doeken gewikkelde rollen die zwart waren geworden in de loop der eeuwen. De grote waarde van die rollen was de vinders totaal niet duidelijk, en in feite overwogen de bedoeïenen aanvankelijk om de rollen als aanmaakmateriaal voor hun kampvuren te gebruiken. Later kwam echter aan het licht dat de zeven rollen bijbelse teksten bevatten en andere godsdienstige geschriften, waarmee de ontdekking van zo’n monumentale omvang bleek dat er onmiddellijk wijd en zijd belangstelling voor werd getoond, een belangstelling die nog steeds bestaat. |
Volgens wetenschappers dateren de meeste rollen uit het midden van de Tweede Tempelperiode, rond 166–164 v.Chr., tot misschien uiterlijk de eerste eeuw n.Chr. Enkele rollen kunnen misschien wel uit de derde eeuw v.Chr. stammen. De meeste rollen bestaan uit leerperkament, sommige zijn van papyrus, en de tekst van één rol is op koper gegraveerd. Sinds de ontdekking - in 1947 en later - is over de teksten, die bekend staan als de Dode-Zeerollen, meer geschreven dan over welke andere oude religieuze of seculiere tekst ook. De gevechten over hun betekenis, over wie deze relieken mochten bezitten, bestuderen en erover publiceren, hebben de gemeenschap van Hebreeuwse theologen, archeologen en historici verdeeld. Volgens sommigen bevestigen ze de bijbelse teksten, volgens anderen spreken ze deze tegen; weer anderen geloven dat ze het product zijn van een obscure sekte, of het werk van vroege christenen, een deel van de bibliotheek van de Tempel van Herodes te Jeruzalem, of zelfs een verslag van de strijd tussen Jezus en Johannes de Doper. De eerste rollenonderzoekers zochten koortsachtig naar manieren om de gevolgen die de vondst van deze teksten zou moeten hebben, om te buigen, te verbergen of te verwerpen. De rollen hadden hen ertoe moeten dwingen hun opvattingen over het judaïsme tussen de 2de eeuw v.C. en de 1ste eeuw n.C. - de tijd waarin de rollen moeten zijn geschreven en die bekend staat als de 'intertestamentaire periode' - grondig te herzien. In plaats daarvan werden de teksten opgesplitst en ingepast in de lappendeken van bestaande theorieën. |
![]() |
Inhoud Het belang van de Dode–Zeerollen wordt duidelijk als men kijkt naar een beschrijving van de inhoud. Bijbelse manuscripten. Ongeveer een kwart van de rollen bestaat uit afschriften, gehele of gedeeltelijke afschriften, van alle boeken in het Oude Testament, behalve het boek Ester.1 Een voorbeeld daarvan is 1QIsa, De grote Jesajarol, een rol van ca. 8 meter die de hele tekst van het boek Jesaja bevat. Onder de documenten die men in Qumran vond, bevinden zich ook enkele afschriften van dezelfde schriftboeken, waarvan sommige in antiek paleo–Hebreeuws zijn overgenomen, wat destijds niet het gangbare Hebreeuwse schrift was. Sommige bijbelse teksten verschillen aanzienlijk van de conventionele formuleringen, en ze verschillen zelfs onderling. En er zijn aanwijzingen van toevoegingen en weglatingen in enkele teksten, wat suggereert dat de schrijvers in enkele gevallen meenden de vrijheid te hebben om veranderingen aan te brengen in de teksten waar ze aan werkten. Nergens in de verzameling is een lijst gevonden waaruit zou blijken welke teksten de gemeenschap beschouwde als zijnde onderdeel van de Bijbel. Integendeel, uit de aanwijzingen valt op te maken dat de mensen in Qumran geen duidelijke ideeën hadden aangaande wat een gezaghebbende verzameling heilige boeken zou moeten zijn. Echter, andere bijbelse manuscripten liggen erg dicht bij de tekst in de Hebreeuwse Bijbel, die ook wel de masoretische tekst genoemd wordt, die eeuwen later – tussen 600 n.Chr. en ca. 950 n.Chr. – door de joodse autoriteiten werd samengesteld. Die overeenkomst is opmerkelijk, daar deze manuscripten met afschriften ten minste duizend jaar ouder zijn dan bijbelse manuscripten die voordien bekend waren, en ze zijn zelfs ouder dan de canonisering van de Hebreeuwse Bijbel! Deze trouw aan de Hebreeuwse Bijbel illustreert het feit dat er destijds verschillende versies van dezelfde bijbelse teksten in omloop waren en dat de meningen over de vraag welke versies gezaghebbend waren, verschilden. Het spreekt voor zich dat de waarde van sommige van deze rollen bij de hedendaagse bijbelstudie zeer groot is. Parabijbelse manuscripten. Deze categorie omvat afschriften van 1 apocriefe geschriften, oftewel teksten van twijfelachtige afkomst of authenticiteit, en 2 pseudepigrafische teksten, die als dusdanig zijn aangemerkt omdat is vastgesteld dat het gaat om vervalste geschriften die ten onrechte zijn toegeschreven aan bijbelse figuren of tijden. Sektarische manuscripten. Geschriften in deze categorie onderscheiden zich in drie groepen: geschriften waarin de regels van het gemeenschapsleven beschreven worden, geschriften met kenmerkende bijbelse commentaren, en geschriften die apocalyptische en liturgische werken bevatten. De eerste groep bestaat uit fragmenten van een werk dat het Damascus Document wordt genoemd (middeleeuwse afschriften hiervan zijn in de vorige eeuw ook in Caïro ontdekt en zijn toegeschreven aan de gemeenschap in Qumran), de 1QS rol, de Regels van de gemeenschap, en de Halakhicbrief (waarvan meerdere afschriften zijn gevonden, onder meer verwijzingen naar 22 godsdienstige wetten van deze gemeenschap bevattend). De tweede groep omvat commentaren op de leringen van de bijbelse profeten Habakuk, Nahum en Hosea. De commentaren verschillen van de hedendaagse schriftuurlijke bespiegelingen omdat hun schriftuurlijke interpretaties aspecten onthullen van de geschiedenis en toekomst van de groep, en de manier waarop ze met hun leiders en hun vijanden omgingen, een manier waarvan men aanneemt dat alleen de leden van de gemeenschap die echt begrepen. |
![]() |
Apocalyptische geschriften die de uiteindelijke overwinning van het goed over het kwaad voorspellen, zijn onder meer geschriften zoals de Oorlogsrol (technisch De Oorlog van de Zonen des lichts met de Zonen der duisternis), terwijl liturgische werken, lofzangen en psalmen, aangeven dat gebed en aanbidding een centrale plaats innamen in de gemeenschap. De rollenverzameling uit Qumran bevat ook nog andere materialen, zoals wetsteksten, contracten en namenlijsten.
Vanaf het begin hebben RK geestelijken zich intensief bezig gehouden met het onderzoek naar de inhoud van de rollen, daarin bijgestaan door een wetenschappelijk team. De resultaten van het onderzoek werden echter slechts mondjesmaat prijsgegeven en volledige publicatie van de feitelijke inhoud zou op zich laten wachten tot eind 1991. |
Tot die tijd moesten geïnteresseerde niet bij het onderzoek betrokken wetenschappers het doen met enkele fragmenten of de in verschillende artikelen gerapporteerde bevindingen van het onderzoeksteam. Zij werden door Baigent en Leigh beschreven als "een groep wetenschappers, geleid door een dictatoriale geestelijke, die niet aarzelde om het gevonden materiaal te manipuleren als bepaalde bevindingen niet strookten met de kerkelijke leer. Belangstellende buitenstaanders werd botweg de toegang tot de rollen geweigerd." Volgens Michael Baigent en Richard Leigh is, een verdraaiing van feiten en een soms wel zeer doorzichtige manipulatie van het materiaal en de historische context waarin het geplaatst moet worden, behoorlijk geknoeid. De schandalig trage publicatie van de Dode-Zeerollen zou volgens sommigen zijn veroorzaakt door een Vaticaans complot. De rollen zouden explosieve informatie bevatten over de oorsprong van het christendom. Die verdachtmakingen zijn inmiddels achterhaald. De teksten - inmiddels vrijwel allemaal openbaar - bevatten geen enkele duidelijke verwijzing naar het vroege christendom.
De teksten Het Damascusverdrag en de pesher (commentaar op) Habakkuk zouden de geschiedenis van de Esseense sekte verhalen. In het Verdrag is sprake van een groep vervolgden die naar 'het land van Damascus' vlucht en in de pesher van 'De Leraar der Rechtvaardigheid' die door 'De man van de leugen' (of 'De Boze Priester') verdreven wordt naar 'het huis van verbanning'. Deze 'Leraar' zou de stichter van de gemeenschap van Qumran zijn, en het 'huis van verbanning' en het 'land van Damascus' synoniemen voor Qumran. Bewijzen daarvoor zijn er niet. |
De Oorlogsrol is een uitgebreide beschrijving van de manier waarop de 'zonen van het licht' in de Eindtijd ten strijde zullen trekken tegen de 'zonen van de duisternis'. Een buitengewoon oorlogszuchtige tekst.In de optiek van Baigent en Leigh werpen de teksten een nieuw licht op het optreden van de historische figuur Jezus en meer nog op het optreden van een der meest invloedrijke apostelen op (en misschien wel de architect van) het latere christendom: Paulus. De auteurs veronderstellen dat het deze inzichten zijn die de kerk liever niet openbaar maakte, omdat zij de kern van de leer zouden aantasten. Kort samengevat gaat het om twee zaken: 1. Jezus zou nooit gestorven zijn (maar die gedachte is niet nieuw) en 2. Het christendom is niet primair gebaseerd op de leer van Jezus maar op de prediking, de interpretaties van Paulus die in belangrijke mate afwijken van Jezus' eigen opvattingen. Volgens sommigen bevatten de teksten verwijzingen naar een Christusachtige Messias, en de 'Leraar der Gerechtigheid' die in enkele teksten voorkomt, zou Jezus kunnen zijn. Michael Baigent en Richard Leigh schrijven in The Dead Sea Scroll Deception (1995) dat als de rollen ver vóór het christelijke tijdperk gedateerd zouden worden, ze een bedreiging zouden vormen voor Jezus' originaliteit en uniciteit. "Ze zouden aantonen dat bepaalde woorden en concepten niet door hem bedacht zijn maar ontleend aan stromingen, leringen en tradities die toen gangbaar waren. Als de rollen uit de tijd van Jezus dateren of van kort daarna, dan zijn ze nóg beschamender. Dan zou men kunnen volhouden dat de 'Leraar der Gerechtigheid' Jezus zélf was en dat Jezus door zijn tijdgenoten dus niet als goddelijk werd beschouwd. Bovendien bevatten de rollen ideeën die het huidige beeld van het vroege christendom aantasten. Er zijn opmerkingen over een militant messianistisch nationalisme dat tot voor kort uitsluitend met de Zeloten werd geassocieerd, terwijl Jezus beschouwd wordt als apolitiek. Men kan zelfs concluderen dat Jezus er nooit aan gedacht heeft een nieuwe godsdienst te stichten of tegen de joodse wet in te gaan.' Iedere joodse of christelijke theoloog had hen echter kunnen vertellen dat een gelijkstelling van deze Leraar met Jezus onnodig is en ook niet voor de hand ligt. Het is al 1000 jaar bekend dat het wemelde van de messiassen en charismatische leiders - de een succesvoller dan de andere - in het Midden-Oosten ten tijde van de Romeinse bezetting. Jezus was slechts een van de velen. De Dode-Zeerollen schetsen de messianistische verwachtingen van een aantal groeperingen. Van alle Dode-Zeerollen is vooral de Koperen Rol intrigerend. Omdat het niet paste in de verwachtingen van De Vaux en andere onderzoekers van het eerste uur, besloten zij dat dit document fictie moest zijn, een verzameling volksverhalen over verborgen schatten. Tot op dit moment zijn slechts zo'n 15 van de pakweg 650 verschillende documenten, die min of meer intact zijn teruggevonden of waarvan de reconstructie enigszins logisch klinkt, op aanvaardbare wijze vertaald. De rest bestaat uit zo'n tienduizend fragmenten met een onbekende inhoud. Recente ontwikkelingen op het gebied van DNA-onderzoek zullen het mogelijk maken bij elkaar horende, op dierenhuiden geschreven fragmenten bij elkaar te zoeken - een puzzel die de onderzoekers tot nog toe moesten trachten op te lossen door de handschriften te vergelijken. |
Bepaald niet bevorderlijk voor een objectieve interpretatie was het feit dat de eerste geleerden die de tekstfragmenten onderzochten christelijke geestelijken waren, geconditioneerd door wat de kerk en het Nieuwe Testament over deze periode te melden hadden (zie De christenen en de rollen). De eerste rol die nauwkeurig werd bestudeerd, de 'Sekteregel' - een overzicht van leefregels van een religieuze gemeenschap die zichzelf Serekh Hayadad, 'Orde van Eenheid' noemde - werd geïnterpreteerd als een voorloper van de leefregels behorende bij de latere, christelijke kloostertraditie. Nu bevonden zich in Qumran, niet ver van waar de rollen waren gevonden, de ruïnes van een gebouwencomplex, en al spoedig werd gesuggereerd dat dát het 'joodse klooster' moest zijn geweest waarin de rollen geproduceerd waren. En aangezien de Essenen de enige bekende joodse sektarische gemeenschap waren, werd deze obscure sekte de belangrijkste verdachte. Aanvankelijk werd de ruïne van Qumran versleten voor een Romeins fort. Een onderzoeksteam onder leiding van De Vaux echter kwam in 1951 tot de conclusie dat dat niet het geval kon zijn. Voor De Vaux stond vast dat daar Essenen gewoond hadden, en dat zij de auteurs waren van de Dode-Zeerollen. | ![]() |
![]() |
Bij een tweede opgraving, in 1952-53, bleek dat de ruïne wel degelijk ooit een militaire vesting was geweest, maar dan enkele eeuwen vóór Christus. Opmerkelijk was een uitgebreid netwerk van kanalen en spaarbekkens, bedoeld om de verdedigers van Qumran gedurende vele maanden van drinkwater te voorzien. Duidelijk was ook dat het complex rond het begin der jaartelling vele decennia leeg had gestaan, alvorens in de jaren 60-70 weer bewoond te worden. Dat zouden dus die Essenen geweest kunnen zijn, maar opmerkelijk was dat de bewoners Qumran bij het naderen van de Romeinen niet simpelweg hadden verlaten, maar verdedigd: er waren sporen van brand en de buitenmuren waren op klasssiek-militaire wijze ondergraven. Opvallend was ook wat er niet werd gevonden: géén sporen van een vredelievende sekte, geen cultusvoorwerpen, geen schrijfgerei (op twee armzalige inktpotjes na), en geen snippertje tekst. Er is nooit enige aanwijzing gevonden dat de ruïne iets met de rollen of de Essenen te maken heeft. Ooit werd in de grotten aardewerk gevonden dat identiek was aan aardewerk uit de ruïne, en De Vaux meende dat de connectie hiermee 'bewezen' was, maar inmiddels is duidelijk dat het betreffende type aardewerk in die tijd betrekkelijk algemeen was. Om in de archeologische leemte te voorzien, voorzagen De Vaux en zijn team de vondsten van tot de verbeelding sprekende aanduidingen. De spaarbekkens bijvoorbeeld waren volgens hen bedoeld om te dopen. Twee grotere ruimten binnen de ruïne werden een 'refter' (eetzaal in een middeleeuws klooster) en 'raadszaal'. In het puin werden drie gipsen platen gevonden (en twee inktpotjes) en De Vaux had het prompt over 'schrijftafels' en schrijfgerei, en dus een 'scriptorium' (de werkplaats der schrijvers in het middeleeuwse klooster). Inmiddels is duidelijk dat de 'schrijftafels' zitbanken waren |
De wankele basis voor de theorie dat de rollen het product zouden zijn van een Esseens 'klooster', is ontleend aan de Romeinse auteur Plinius de Oude, die in zijn Natuurlijke Historie schreef: 'Aan de westkust van de Dode Zee, maar buiten bereik van de giftige dampen van de kust, leeft de eenzame stam der Essenen, die van alle andere stammen op aarde verschilt omdat zij geen vrouwen kent en ieder seksueel verlangen heeft uitgebannen, geen geld bezit doch slechts de palmbomen als gezelschap. Iedere dag wordt deze massa aangevuld door een gelijk aantal personen die het leven moe zijn, en door het lot zijn aangespoord om hun gebruiken te aanvaarden. En zo kan gedurende duizenden jaren [...] een volk voor eeuwig bestaan terwijl niemand daar geboren wordt. Zo gunstig voor hun voortbestaan is de levensmoeheid van anderen." Iets verder schrijft hij, over hun verblijfplaats: 'Afdalende van de Essenen lag daar de stad En Gedi, in vruchtbaarheid van de haar omringende landerijen en in de omvang van haar palmboomplantages alleen de mindere van Jeruzalem, maar nu, net als die andere stad, een hoop as'. Dankzij de geschriften van Philo en Josephus weten we iets meer over de Essenen: er waren er niet veel (beide auteurs spreken van vierduizend man), ze waren ascetisch en esoterisch; het waren pacifisten die wapens hadden afgezworen en niet in verzet kwamen tegen de Romeinen; hun leiders leefden celibatair (alhoewel Josephus zichzelf op dit punt tegenspreekt), ze leefden van de landbouw en verafschuwden de handel, ze beschouwden slavernij als een kwaad en veroordeelden het in het openbaar; ze predikten een soort democratisch communisme; ze lieten slechts geboren joden toe en geen bekeerlingen. Ze offerden niet, maakten dus geen deel uit van het jodendom dat in de tempel te Jeruzalem overheerste en waren dus ook niet te vinden in de priester- en aristocratische kaste. Nergens staat geschreven dat het geleerden waren, noch is er sprake van kopiisten of commentatoren. Er bestaan verwijzingen naar Essenen als 'profeten' en 'waarzeggers' maar dat had niets met de sekte van doen. De oude auteurs waren vooral geïnteresseerd in hun celibataire levenswijze - waarmee ze, hoewel officieel joden, dusdanig anders waren dan de gewone joden dat ze gerust als aanhangers van een andere godsdienst mogen worden beschouwd - en geen enkele opmerking in hun geschriften wijs erop dat ze de schrijvers van de rollen zouden zijn geweest, of dat ze iets te maken hadden met het vroege christendom. In de loop der tijd is duidelijk geworden dat de Dode-Zeerollen uiterst moeilijk verenigbaar zijn met de Esseense hypothese. Ten eerste zijn ze in werkelijk honderden verschillende handschriften geschreven - onwaarschijnlijk veel als ze allemaal afkomstig zouden zijn van een kleine sektarische gemeenschap, zelfs als deze enkele eeuwen heeft bestaan. Ook bevindt zich onder de vondsten geen enkele 'autografie': een snel geschreven en persoonlijk ondertekend document. Het zijn allemaal keurige kopieën. Dat laatste maakt het uiterst onwaarschijnlijk dat het gaat om de inhoud van een inderhaast ontruimd, bedrijvig 'scriptorium'. De teksten vertonen hier en daar parallellen met een aan de der Essenen verwante leer, maar het grootste deel vertoont geen verwantschap of is daar regelrecht mee in strijd. Volgens sommigen zou in ieder geval een deel Esseens zijn, maar de schattingen hoe groot dat deel zou zijn, zijn in de loop der jaren alleen maar gedaald. In 1989 had een onderzoeker, nota bene een lid van het team van De Vaux, het nog slechts over 'hooguit twintig procent'. Gemaakt: 21-01-05 |