3751

Judea onder Romeinse overheersing (64 - 37 v. Chr.)

Kanaän (103 - 64 v. Chr.); Israël

Hyrcanus ll (63 - 40) 

Nadat de Romeinse veldheer Pompeius Jeruzalem had ingenomen, benoemde hij Hyrcanus ll tot hogepriester en gaf hem de politieke verantwoordelijkheid (onder de gouverneur van Syrië) voor Judea, waartoe ook Idumea nog gerekend werd. De overige Hasmoneese gebieden werden losgemaakt van Judea. De koningstitel mocht Hyrcanus niet dragen. 

Hyrcanus II is de geschiedenis in gegaan als iemand met een niet erg sterke persoonlijkheid, die gemakkelijk door anderen te beïnvloeden was. Nadat Hyrcanus in ere was hersteld, groeide de invloed van Antipater, die Hyrcanus altijd gesteund had en die nog steeds gouverneur van Idumea was. Formeel was Antipater verantwoording verschuldigd aan Hyrcanus, maar doordat hij zelf als Hyrcanus' adviseur optrad en Hyrcanus goed besefte dat hij veel aan hem te danken had, leidde dit niet tot problemen. De Syrische gouverneur stond positief tegenover de toenemende invloed van Antipater, omdat Antipater en zijn zonen Herodes en Phasaël de Romeinen onvoorwaardelijk steunden, ook in militair opzicht.

Alexandra, de dochter van Hyrcanus werd uitgehuwelijkt met Alexander, de zoon van Aristobulus ll. Zij kregen twee kinderen: Mariamne, die later trouwde met Herodes en Aristobulus lll.

In 56 v.Chr. wist Aristobulus ll te ontsnappen uit Rome. Hij keerde terug naar Judea en probeerde daar opnieuw de troon voor zich op te eisen en de Hasmoneese staat in ere te herstellen. In de strijd die daarop uitbrak, raakte hij echter ernstig gewond. Hij werd gevangen genomen en opnieuw naar Rome gestuurd, samen met zijn zoon Antigonus die hem gesteund had.
In 49 v.Chr. liet Gaius Julius Caesar Aristobulus en Antigonus vrij en stelde hem twee legioenen ter beschikking om daarmee op te trekken naar Jeruzalem. Het was Caesars bedoeling zo de positie van Pompeius te verzwakken. Ook deze poging tot herstel van de Hasmoneese staat mislukte echter. Pompeius had lucht gekregen van de plannen en liet Aristobulus vergiftigen nog voor hij Rome verlaten had. Antigonus bleef echter op vrije voeten en zinde op mogelijkheden de droom van zijn vader alsnog te verwezenlijken.

In 48 v.Chr. kwam Antipater Julius Caesar te hulp toen deze in Egypte ingreep in de strijd rondom de troonopvolging tussen Cleopatra VII en haar broer Ptolemaeus Xlll. Antipaters hulp bleek cruciaal en Caesar beloonde hem rijkelijk. Antipater werd aangesteld als procurator over Judea. Ook Hyrcanus werd beloond: hij mocht voortaan de titel ethnarch dragen. Sinds deze tijd stelde Antipater zich steeds onafhankelijker op ten opzichte van Hyrcanus.

In 47 v. Chr. werd Herodes, de zoon van Antipater, aangesteld als adviseur van Hyrcanus en door zijn vader belast met het bestuur over Galilea. 

Na de dood van de machtige keizer Julius Caesar in 44 v. Chr. en de moord op Antipater (43 v. Chr.) (hij werd vermoord toen hij probeerde belastingen te innen voor de Romeinen) raakte het gebied in een burgeroorlog en werd het bovendien vanuit het oosten aangevallen door de Parthen.

In 42 v. Chr. kreeg Octavianus de zeggenschap over onder meer Syrië en Judea. Herodes en Phasaël moesten zich verantwoorden voor de steun die zij aan zijn rivaal Marcus Antonius hadden gegeven. Mede op voorspraak van Hyrcanus mochten zij hun politieke functies behouden en ontvingen zij de titel tetrarch. Hyrcanus' positie werd daardoor steeds verder ondermijnd. Officieel was hij nog steeds het hoogst in rang in Judea, maar in de praktijk lag de macht bij Herodes en Phasael.

Antigonus (40 - 37 v. Chr.)

In 40 v.Chr. verscheen Antigonus (Mattatias) de zoon van Aristobulus ll opnieuw op het toneel. Hij probeerde te profiteren van het anti-Romeinse sentiment en probeerde de macht te grijpen. Geholpen door de Parthische kroonprins Pacorus I nam hij de stad Jeruzalem in en verklaarde dat het Hasmoneese rijk in ere was hersteld en liet Hyrcanus en Phasaël gevangen nemen. Om ervoor te zorgen dat Hyrcanus voorgoed ongeschikt zou zijn voor het hogepriesterschap liet Antigonus hem de oren afsnijden. Een hogepriester mocht namelijk geen lichamelijke gebreken hebben. Vervolgens zond hij Hyrcanus naar Babylonië in Parthië, waar hij verbleef zolang Antigonus in Jeruzalem aan de macht was. Pacorus en Antigonus namen ook Herodes' broer Phasaël gevangen. Deze wachtte de loop der gebeurtenissen echter niet af en pleegde zelfmoord. Herodes zelf wist Judea op tijd te verlaten en reisde naar Rome. 

In Jeruzalem liet Antigonus zich naar het voorbeeld van de eerdere Hasmoneese heersers uitroepen tot koning en hogepriester. Hij liet daarbij ook zijn eigen munten slaan, wat in de Oudheid als politiek statement gezien werd. Lang duurde Antigonus' koningschap niet. Met hulp van Romeinse troepen maakte Herodes in 37 v.Chr. een einde aan Antigonus' heerschappij. De Parthen konden Antigonus niet te hulp komen, omdat zij zelf door Marcus Antonius in het nauw gedreven werden. Antigonus werd gevangen genomen en vervolgens gedood. Herodes zelf kreeg als dank voor zijn ingrijpen van de Romeinse Senaat het koningschap over het Joodse land. Voortaan mocht hij zich 'Koning der Joden' noemen.

Palestina (37 - 4 v. Chr.)

Gemaakt: 18-09-04; laatst bijgewerkt: 28-09-08

colofon