468 |
Multituberculata (Multi's) |
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Ca. 200 - 160 miljoen jaar geleden ontwikkelden zich in het Laat-Jura uit de Allotheria de Multituberculata, knaagdierachtige zoogdieren, die leefden gedurende het Eind-Jura tot het Oligoceen. Ze worden gekenmerkt door hun geknobbelde kiezen, zoals ook tot uiting komt in hun wetenschappelijke naam (multi = veel; tubercula = knobbeltjes). |
|
De Multi's waren de eerste plantenetende zoogdieren. Zij waren mogelijk nog eierleggend. Hun tanden waren aangepast aan dezelfde leefwijze als hedendaagse knaagdieren, met voortanden om te knagen en harde kiezen om voedsel mee te vermalen. Net als veel van deze vroege zoogdieren, zijn het vaak alleen de tanden die overblijven, maar enkele vrijwel intacte skeletten zijn gevonden in Mongolië. De groep lijkt niet verwant te zijn met andere zoogdiergroepen. Ze lijken zich te hebben ontwikkeld in Azië om vervolgens in het Krijt naar Noord-Amerika en Europa te trekken.
Gedurende een groot deel van het Krijt waren de Multituberculata de meest succesvolle zoogdierorde. Zij bleven ook na de overgang naar het Tertiair bestaan en in het Paleoceen vormen zij nog een belangrijk deel van de fauna, ondanks de evolutionaire explosie die de placentale zoogdieren in die tijd vertoonden. Zij stierven pas ruim 50 miljoen jaar geleden.uit aan het eind van het Eoceen. Mogelijk werden zij door de echte knaagdieren verdrongen. Zij hebben het daarmee langer volgehouden dan welke zoogdierorde ook. |
Omdat zowel eierleggende zoogdieren, moderne zoogdieren als Multituberculata haar hadden, had waarschijnlijk de gemeenschappelijke voorouder van deze groepen ook al haar. Dat zou betekenen dat haar al vroeg in de evolutie van de zoogdieren is ontstaan en dat de vormen uit het Late Trias mogelijk al behaard waren. Sinobaatar was een bodembewonende vorm die 125 miljoen jaar geleden (Midden-Krijt) in de regenwouden van Liaoning, China, leefde. Deze multituberculaat kwam voor met gevederde dinosauriërs als Sinosauropteryx en primitieve zoogdieren zoals Repenomamus (Infraklasse Triconodonta) en Eomaia (Subklasse Theria). Nemegtbaatar, Kryptobaatar, Kamptobaatar waren allen gravende dieren, die niet konden klimmen. Ze leefden in het Laat-Krijt in de woestijnen van Mongolië. Samen met de Morganucodontidae leefden deze vroege zoogdieren in de schaduw van de Dinosauriërs. De Multituberculata waren de eerste plantenetende zoogdieren en waren in het Jura en Krijt de meest voorkomende zoogdieren. Hun afmetingen varieerden van de grootte van een muis tot die van een das. Heel behoorlijk voor een zoogdier uit die tijd. Rechts: Kryptobaatar |
![]() |
|
Kielan-Jaworowska en Hurum vonden in 2001 dat de meeste multi's in twee onderorden konden worden verdeeld Plagiaulacida en Cimolodonta. Een uitzondering is het geslacht Arginbaatar, dat kenmerken met beide gemeen heeft.
De 'onderorde' Plagiaulacida is parafyletisch (niet alle afstammelingen ervan zijn in deze groep geplaatst). Het is een verzameling van de meer primitieve multi's vanaf mogelijk het Midden Jura tot het Onder-Krijt. Er worden nog drie onderverdelingen onderscheiden, maar de hele indeling zal mogelijk nog wel herzien worden. De onderorde Cimolodonta zien er eerder als een natuurlijke monofyletisch lijn uit. Zij zijn latere en meer ontwikkelde vormen vanaf het Onder-Krijt tot het Eoceen. Er zijn binnen de onderorde Cimolodonta vier groepen (superfamilies) te onderscheiden: |
Classificatie van de Orde Multituberculata
Dan zijn er nog de families Cimolomyidae, Boffiidae, Eucosmodontidae, Kogaionidae, Microcosmodontidae en de twee genera Uzbekbaatar and Viridomys. Van deze fossielen is het niet duidelijk hoe zij in de orde passen en zal meer materiaal gevonden moeten worden eer dat duidelijk zal worden. Verreweg de meeste multi-fossielen worden op het noordelijk halfrond gevonden. Er is mogelijk slecht bewaard materiaal van Zuid-Amerika, maar het is goed mogelijk dat de Multituberculata beperkt waren tot de continenten van het noorden (Noord-Amerika, Europa, Siberië/China). Op het zuidelijk halfrond worden Gondwanatheria gevonden, waarvan eerst gedacht is dat zij ook multi's waren, maar die toewijzing vindt nu weinig steun meer. Dan zijn er binnen de Orde Cimolodonta nog de families Cimolomyidae, Boffiidae, Eucosmodontidae, Kogaionidae, Microcosmodontidae en de twee genera Uzbekbaatar and Viridomys. Van deze fossielen is het niet duidelijk hoe zij in de orde passen en zal meer materiaal gevonden moeten worden eer dat duidelijk zal worden. |
In het Paleoceen leefde de Ptilodus (afb. hierboven). Het dier was ca. 50 cm. lang en leefde in Noord-Amerika. De Ptilodus vertoonde veel overeenkomsten met de tegenwoordige eekhoorns. Hij leefde in de bomen en had daarom scherpe klauwen. Kenmerkend voor de familie Ptilodontidea was hun lange grijpstaart en voeten die geschikt waren om te klimmen. Dankzij een zeer wendbaar enkelgewricht konden deze dieren net als eekhoorns met de kop naar beneden van een boomstam rennen. Tot de Multituberculata behoorde ook de Lambdopsalis De Familie Dryolestidae vertegenwoordigt mogelijk een aftakking die zou leiden tot het ontstaan van de moderne zoogdieren. |
Door de scheiding tussen kaak en gehoorbeentjes kon de schedel van latere zoogdieren zowel in zijwaartse als achterwaartse richting uitgroeien, waardoor ze grotere hersenen konden ontwikkelen. Een andere belangrijke innovatie waren de tanden, waar latere zoogdieren op zouden voortbouwen: de boven- en onderkiezen in de kaken die in elkaar pasten, zodat ze konden worden gebruikt om het voedsel in kleine stukken te snijden en er meer voedingsstoffen vrijkwamen. Reptielen versnijden hun voedsel niet. Zij grijpen een prooi en slokken het op. De kaakbeenderen wijzen ook op een andere belangrijke eigenschap van de vroegste zoogdieren: ze kregen moedermelk. Wetenschappers vermoeden dat de melkklieren zich hebben ontwikkeld uit zweetklieren bij de haarwortels. Zowel zweet als melkklieren produceren water, zout en eiwitten, stoffen die een pas geboren dier nodig heeft om te overleven. Een andere belangrijke innovatie waren de tanden van de Morganucodontiden, waar latere zoogdieren op zouden voortborduren.: de boven- en onderkiezen in de kaken van de Morganucodontiden pasten in elkaar, zodat ze konden worden gebruikt om voedsel in kleine stukken te snijden en er meer calorieën en voedingsstoffen vrijkwamen. Reptielen versnijden hun voedsel niet, maar grijpen het en slokken het op. De kaakbeenderen wijzen ook op een andere belangrijke zoogdiereigenschap van Morganucodontiden: ze kregen moedermelk. Dat Morganucodontiden hun jongen melk gaven uit melkklieren, leiden de onderzoekers af uit het gegeven dat ze, net als de huidige zoogdieren, slechts één permanent gebit nodig hadden - wat blijkt uit de kaakbeenderen. Dit in tegenstelling tot de reptielen die geen moedermelk krijgen en heel hun leven voortdurend van tanden wisselen. Wetenschappers vermoeden dan de melkklieren zich hebben ontwikkeld uit zweetklieren bij de haarwortels. Zowel zweet- als melkkieren produceren water, zout en eiwitten, stoffen die een pasgeboren dier nodig heeft om te overleven. Het Australische vogelbekdier geeft een idee van de werking van deze primitieve melkklieren. Het vogelbekdier en de mierenegel zijn de enig overgebleven voorbeelden van de Monotremata, een suborde binnen de klasse der zoogdieren. Het vrouwelijke vogelbekdier heeft geen tepels. In plaats daarvan hebben ze een plekje waar alle melkleiders samenkomen. De melk vloeit over het haar, waarna de jongen deze ervan aflikken of -zuigen. De eerste tepels, waarin de melkleiders samenvloeien, verschenen waarschijnlijk pas bij de Buideldieren. Tepels hebben het voordeel dat de jongen er zich aan vast kunnen houden. Een buideldiermoeder kan dus bij het rondlopen en zoeken naar voedsel haar jong in de buidel meedragen. Laatst bijgewerkt: 21-06-03 |