466

Buideldieren (Marsupialia)

Synapsida Therapsida Theriodontia Cynodontia (Procynosuchus) Theriiformes en Mammaliaformes Theria (Supercohort) Metatheria (Buideldieren) (Cohort)

Uit de Theriiformes ontwikkelde zich ca. 125 mjg aan het eind het Krijt de Buideldieren (Marsupialia of Metatheria) binnen de Superhohort Theria. Zij baarden onderontwikkelde jongen die zij vervolgens in de buidel voldragen. Buideldieren, waaronder de Kangoeroe, de Koala en de Opossum, baren piepkleine jongen die daarna lange tijd in de moederbuidel doorbrengen om te groeien.  

De voorlopers van de Buideldieren, waren de Monotremata, de Eierleggende Zoogdieren, zoals de Mierenegel. De buideldieren ontstonden in Azië en kwamen aanvankelijk vrijwel over de gehele wereld voor. In Zuid-Amerika en Australië, waar veel belangrijke groepen placentadieren niet voorkwamen, waren ze het meest divers. In het Midden-Mioceen stierven de buideldieren uit in Europa, Azië en Noord-Amerika; in het Pleistoceen kwamen ze Noord-Amerika weer binnen. Nu bereiken ze hun grootste diversiteit in Australië en Nieuw-Guinea, maar ook in Amerika komen zo'n honderd soorten voor. Waarschijnlijk waren de buideldieren al voor het einde van het Mesozoïcum verdeeld in een aantal groepen; de huidige ordes zullen zich op het laatst aan het eind van het Oligoceen ontwikkeld hebben. Naast de drie nog levende ordes is er in Amerika nog een grote buideldierorde gevonden, de vleesetende Sparassodonta. Veel andere oude buideldiergroepen uit de Oude Wereld en Amerika zijn al lange tijd uitgestorven. De meeste groepen Australische buideldieren hebben zich tot op heden weten te handhaven, hoewel twee families (buidelwolven en varkenspootbuideldassen) recent zijn uitgestorven. Wel is er een aantal uitgestorven families en één kleine uitgestorven orde, de Yalkaparidontia.  
De oudste voorouder van de buideldieren werd gevonden in China in de Yixian rotsformatie: een bomenklimmend diertje ter grootte van een muis dat leefde tussen de dinosauriërs zou voor zover bekend de oudste voorouder van de buideldieren kunnen zijn geweest. Het fossiel, een grotendeels compleet skelet, Sinodelphys szalayi, genaamd is 15 miljoen jaar ouder is dan de vorige recordhouder en wordt gedateerd op 125 miljoen jaar oud. Bij de botjes bevonden zich ook afdrukken van de vacht en versteende overblijfselen van de weke delen van het lichaam, waardoor een goede reconstructie kan worden gemaakt.  Het diertje was ongeveer 15 centimeter lang en woog rond de 30 gram. De bouw van de voeten geeft aan dat het in staat was om in bomen te klimmen. Luo zegt dat er aanwijzingen zijn dat de buideldieren zich in Eurazië hebben ontwikkeld, tegenwoordig komen ze voor in Australië en Zuid-Amerika, maar dat zijn dus niet de oorspronkelijke plaatsen waar ze zich ontwikkeld hebben. 
De vroege buideldieren leken vaak sterk op hedendaagse opossums. Ze lijken zich te hebben ontwikkeld op het grote continent van het zuidelijk halfrond, Gondwana, toen dat zich in het Jura losmaakte van de continenten op het noordelijk halfrond. Gondwana bestond uit Zuid-Amerika, Afrika, Australië en Antarctica bij elkaar. In het late Jura brak Australië los van de rest van Gondwana en nam haar eigen verzameling dinosauriërs en buideldragende zoogdieren met zich mee.

Tijdens het Krijt kwam Noord-Amerika korte tijd samen met de rest van Gondwana en trokken buideldieren het noordelijk halfrond binnen; placentale zoogdieren belegerden het zuiden. Aan het eind van het Krijt lijken de buideldieren te zijn uitgestorven, evenals de dinosauriërs. Er is echter maar één vindplaats van fossielen uit deze tijd (Hell Creek in Noord-Amerika), dus we hebben niet echt een goed beeld van wat er wereldwijd gebeurde.

De opossums daarentegen deden het goed in Europa en van daaruit verspreidden ze zich in het Oligoceen naar Afrika en Azië, toen de losgeraakte continenten weer samenkwamen. Gedurende het Mioceen begonnen de bossen echter plaats te maken voor grasvlaktes en de buideldieren in Afrika, Europa en Noord-Amerika die zich aan het leven in de bossen hadden aangepast, stierven uit. De Antarctische buideldieren stierven eveneens uit toen de temperaturen wereldwijd begonnen te dalen en het continent geheel met ijs werd bedekt. Zuid-Amerikaanse en Australische buideldieren pasten zich goed aan de veranderende omstandigheden aan brachten twee grote nageslachten voort.

Vandaag de dag houden ze nog altijd stand in Australië. In Zuid-Amerika gedijen de opossums goed. Sterker nog: ze trekken opnieuw Noord-Amerika binnen nu de twee continenten met elkaar verbonden zijn.

Buideldieren, zoals de neushoorngrote Australische Zygomaturus (Familie Zygomaturidae) en de leeuwachtige Thylacoleo (Buidelleeuw) (Familie Buidelleeuwen (Thylacoleonidae), waren ooit over de gehele wereld verspreid. om nog onduidelijke redenen belandden de Placentadieren op de noordelijke continenten (Laurasia) en namen de Buideldieren en Monotremata het zuiden in bezit - uiteindelijk in geografische afzondering. 

Links: Palorchestes, een buideldier uit het Pleistoceen dat leefde in Australië.

Cohort Marsupialia (buideldieren) 

  • Magnorde Australidelphia

    • Superorde Microbiotheria

    • Superorde Eometatheria

      • Orde Yalkaparidontia

      • Orde Buidelmollen (Notoryctemorphia)

      • Grandorde Roofbuideldieren (Dasyuromorphia)  

      • Grandorde Syndactyli

        • Orde Buideldassen (Peramelemorpha)

        • Orde Klimbuideldieren (Diprotodontia)  

          • Familie Buidelleeuwen (Thylacoleonidae)

            • Geslacht Buidelleeuw (Thylacoleo)

          • Familie Peduardus

            • Geslacht Phascolarctos

              •  Koalabeer (Phascolarctos cinereus)

          • Suborde Vombatiformes

            • Familie Vombatidae (Wombats)

            • Familie Zygomaturidae

  • Magnorde Ameridelphia

    • Orde Opossums (Didelphimorphia)  

      • Buidelratten (Didelphidae)

    • Orde Opossummuizen (Paucituberculata)  

    • Orde Sparassodonta

De buidelleeuw Thylacoleo carnifex (Familie Buidelleeuwen (Thylacoleonidae) leefde tijdens het Pleistoceen in grote delen van Australië. Thylacoleo was het grootste vleesetende zoogdier van Australië ooit en tevens één van de grootste buidelroofdieren aller tijden. Dit robuuste roofdier was 1,7 meter lang, 75 cm hoog en ongeveer 200 kg zwaar. Thylacoleo leek op een echte leeuw, hoewel er een aantal duidelijke verschillen waren. Het belangrijkste verschil was het feit dat Thylacoleo een buidel had. Verder had de buidelleeuw in plaats van lange hoektanden sterk vergrote snijtanden. Eerst werd gedacht dat die snijtanden gebruikt werden om noten te kraken, maar de slijtage en de vorm van de kiezen laten zien dat de buidelleeuw vlees at. De hoektanden zelf waren erg klein. Verder had Thylacoleo een grote klauw aan de duim. De voornaamste prooien van de buidelleeuw waren waarschijnlijk grote herbivore buideldieren zoals Diprotodon en de reuzenkangoeroe Procoptodon. De prooidieren werden gedood door een beet in de nek met de sterke kaken, die een kracht hadden van 450 kg/cm, waarbij de luchtpijp werd dichtgebeten. De buidelleeuw was niet snel en Thylacoleo jaagde daarom vanuit een hinderlaag. De buidelleeuw was overigens een uitstekende klimmer. De buidelleeuw is nauw verwant aan de plantenetende koala’s en wombats. Fossielen, waaronder de resten van een volwassen wijfje met twee jongen, zijn op vele plaatsen in Australië gevonden.

Inmiddels zijn de Buideldieren de meest voorkomende dieren in Australië en ze komen ook voor in Zuid-Amerika en op de eilanden net ten noorden van Australië  

Buidelratten (Didelphidae)

De buidelratten, waarvan de Opossums typische vertegenwoordigers zijn, vormen tezamen met de zeldzame Opussummuizen de enige buideldieren buiten Australazië. Op de Noord-Amerikaanse opossum na, komen zij uitsluitend voor in Zuid-Amerika. De familie bestaat uit 12 geslachten en vele tientallen soorten. De Virginiaanse opossum, die in Noord-Amerika voorkomt, maar zich ook over een groot deel van Midden- en Zuid-Amerika verspreid heeft, heeft de afmetingen van een kleine hond, met een kop-romplengte van 30-50 cm. Het dier heeft een ratachtig uiterlijk door zijn korte poten, spitse snuit en lange, bijna naakte staart (bijna even lang als het lichaam).

Na een draagtijd van 12-13 dagen komen de minuscule jongen, 8-18 per worp, uit de buik van de moeder te voorschijn, snel achter elkaar, een kruipen naar de buidel om zich aan één van de tepels vast te klemmen. Daar zij in de meeste gevallen slechts 13 tepels heeft, is een deel van de worp gedoemd te sterven, voordat het een kans heeft gehad. De jongen blijven 10 weken in de buidel, daarna slapen zij samen gekropen in het nest. Wanneer de moeder naar voedsel gaat zoeken, draagt zij de jongen die dan de afmetingen van een rat hebben, op haar rug mee: als ze een grote worp heeft gehad, valt het aar soms moeilijk gewoon te lopen. Spoedig is de zoogtijd dan afgelopen en na 14 weken zijn de jongen onafhankelijk van hun moeder. Wanneer opossums in levensgevaar verkeren, houden zij zich dood. Dit voorwenden dood te zijn kennen we ook van vossen, Afrikaanse grondeekhoorns, haakslangen en ringslangen.

Alphadon



Laatst bijgewerkt: 27-06-03

colofon