3897

Napata en Koesj (ca. 1000 – 270 v. Chr.) 

Afrika (1000 v. Chr. - 700 n. Chr.); Egypte (992 - 400 v. Chr.) - Late Tijd

Ten zuiden van Egypte lag de staat Kush (Koesj). In het begin werd deze door het machtige Egypte overschaduwd, maar na 700 v. Chr. begon ze zich als een onafhankelijke staat te ontwikkelen. Meroë (Merowe), dat het centrum werd, lag aan de samenvloeiing van drie rivieren, op een plaats waar de Nijl nog bevaarbaar was. Er bevonden zich daar grote voorraden aan ijzererts en de vele bomen leverden de brandstof voor het smelten ervan.

In de Midden-Nijlvallei heeft in de gehele geschiedenis geen grote staat bestaan die zo onverwacht en snel opkwam, zoveel greep op politiek en geschiedenis kreeg, zo'n groot gebied veroverde en zo lang kon overleven als het rijk dat in de 8e eeuw v. Chr. in de stad Napata ontstond. Deze stad lag direct onder de vierde cataract, in de schaduw van de eenzaam in het overwegend vlakke woestijnlandschap staande tafelberg die tegenwoordig de 92 meter hoge berg Gebel Barkal wordt genoemd. 

In Egyptische en Hebreeuwse bronnen wordt dit koninkrijk "Koesj" genoemd. De benaming was al eerder gebruikt voor het koninkrijk Kerma, dat de Egyptische koning Senusret lll (Khakaure) (1836 - 1817) achthonderd jaar daarvoor veroverde. Griekse en Romeinse historici schreven over "Aethiopië", "het koninkrijk van de door de zon verbrande gezichten. 

 

De Meroïtische cultuur vertoont grote overeenkomsten met de Egyptische. Niet alleen de piramides geven daar blijk van, in de ruines van Meroë is ook fraaie reliëfkunst te ontwaren. Net als in Egypte functioneerden de piramides als graftombes. De piramides van Meroë zijn een meter of tien hoog - tegenover de bijvoorbeeld 150 meter van de piramide van Cheops - en veel steiler dan de Egyptische. Tevens zijn ze standaard voorzien van een soort voorportaaltje. Anders dan de Egyptische echter, zijn de piramides hier massief. Alleen het voorportaal kun je betreden. Zonder uitzondering, zij de piramides van Meroë zwaar beschadigd. Dat is het werk van de Italiaanse schatgraver Giuseppe Ferlini die in 1832 met explosieven de bovenkant van zo'n beetje elke piramide opblies - het effect daarvan is nog altijd zichtbaar. Veel is er niet bekend over Ferlini: memoires of dagboeken heeft hij niet gepubliceerd. We weten alleen dat hij goed heeft geboerd met de verkoop van de schatten die hij in Meroë aantrof en dat veel van de gouden sieraden, beelden en gereedschappen in Duitse musea zijn geëindigd. Enkele bouwwerken zijn de afgelopen decennia gerestaureerd door de Duitse archeoloog Friedrich Hinkel. Het effect is eerlijk gezegd nogal bizar: nu staan er complete bouwvallen direct naast met Duitse precisie gereconstrueerde piramides die eruit zien alsof ze gisteren werden gebouwd. Bron: De piramides van Soedan (NRC Handelsblad 4 juli, 2003)

In de 10e eeuw trokken de Koesjitische vorsten op naar Memphis om het eens zo machtige faraorijk in glorie te herstellen. Zij achtten zich de directe zonen van Amon: dat bleek wel uit een rotspunt van de heilige berg Gebel Barkal, die - door erosie - de vorm van een uraeus, de slang als symbool van het koningschap had aangenomen. In alle delen van het rijk namen ze omvangrijke bouw- en restauratieprojecten ter hand. Op eigen terrein richtten deze Koesj maar liefst 223 piramides op, waaronder hun gemummificeerde leiders werden bijgezet. Net als vroeger kregen de doden weer honderden oesjebti's mee, stenen en faïencefiguurtjes die op goddelijk bevel alle triviale aardse zaken weer op zich zouden nemen. Dit Koesjitische rijk zou zo'n duizend jaar stand houden, hoewel de werkelijke macht in het etnisch kleurrijke zuiden verschoof naar weer een ander stammenvolk, naar het koninkrijk Meroë dat vermoedelijk eeuwenlang door vrouwen geregeerd werd. Gedurende vijftig jaar heersten de Koesjitische vorsten over heel Egypte. Als de 25e dynastie werden in de lijst van farao's opgenomen: Piye (747-716); Shebaka (712-698) Shebitku (698-690) Taharqa (690-664)   Tantamani (664-657). Tegenwoordig wordt gesproken over de koninkrijken Napata en Meroë. Deze beide steden wisselden elkaar in de positie van hoofdstad af en markeerden bovendien de belangrijkste historische fasen van een geschiedenis van meer dan duizend jaar, te onderscheiden in het koninkrijk van Napata (900 - 270 v. Chr.) en het koninkrijk Meroë (270 v. Chr. - 350 n. Chr.).

Het Koesjitische rijk was ontstaan uit een onbekend Nubisch stamverband en groeide naar Egyptisch model uit tot een staat. Gedurende de bloeitijd van het rijk liep de grens van de samenvloeiing van de Blauwen en de Witte Nijl tot aan de kust van de Middellandse Zee. Napata was oorspronkelijk een buitenpost van het rijk van Kerma. Pas toen Amenhoteb l (1514-1493), de tweede koning van de 18e dynastie,  de Egyptsiche invloed verder naar het zuiden uitbreidde en Thutmose lll (1458 - 1392) hier omstreeks 1458 voor Chr. de zijn eerste militaire versterking liet bouwen, kreeg de plaats historische betekenis. Wel was zij van oudsher een belangrijke oversteekplaats van de Nijl geweest, gezien haar ligging in de grote lus van de rivier. De plaats lag op de handelsroute van Kawa en Kerma in het noorden, naar Meroë in het zuiden. De Egyptenaren zagen in de van oudsher Nubische godheid vermoedelijk in de gedaante van een mens met een ramskop, bekroond met een zonnenkrans, een dubbelganger van hun eigen oppergod Amon. Deze Amon van Napata, die in de Heilige Berg Gebel Barkal woonde, was voor de Egyptenarenook een god die de Egyptische koning zag als zijn zoon aan wie hij de heerschappij over Koesj en Egypte overdroeg. Op die manier werd Gebel Barkal onder Egyptische heerschappij een van de belangrijkste religieuze centra van Nubië. Pas nadat het Egyptische Nieuwe Rijk ophield te bestaan en Beneden-Nubië een soort niemandsland werd en Boven-Nubië onder regering kwam van een tot nu toe onbekend opperhoofd, verloor de Amoncultus van gebel Barkal aan betekenis. 

Rechts: de ruïnes van de stad Napata

Drie en een halve eeuw later kreeg deze cultus echter een opleving. Nubische stamhoofden gingen de god van de Heilige Berg gebruiken om de zichzelf in een historische traditie te plaatsen en als heersers te legitimeren. 

Tussen 525 en 522 leidde de Perzische heerser Cambyses ll een grote strijdmacht tegen het koninkrijk Kusj, waartoe Soedan behoorde. Nadat hij verder doorgedrongen waren naar het zuiden in Afrika dan enige voorgaande Aziatische veroveraar, tweederde van de afstand naar Meroë, de hoofdstad van Kusj, moest hij terugkeren, mogelijk als gevolg van slechte logistieke voorbereidingen voor de lange mars. Afgezien van de vestiging van een garnizoen in Elefantine, een eiland in de Nijl in de buurt van Assu-an, kwam er verder niets van de plannen van Cambyses voor een Afrikaans rijk. Zijn krijgstocht tegen het Nubische koninkrijk Napata leidde alleen tot duurzame onderwerping van Opper-Egypte.

Koninkrijk Meroë (270 v. Chr. - 350 n. Chr.)

Gemaakt: 28-04-03; laatst bijgewerkt: 28-08-03

colofon