3843

Koninkrijk Meroë (270 v. Chr. - 350 n. Chr.)

Napata en de Koesjitische dynastie
Met de verplaatsing van de koningsbegraafplaats van Noeri (Nuri) naar Meroë, brak er een nieuwe periode aan in de geschiedenis van Nubië. Het oude koninkrijk Kush (Koesj) kwam ten einde en werd het koninkrijk Meroe. Hoewel de god Amon niet geheel van het toneel verdween, verloor deze god zijn heersende positie en werd deze vervangen door de Nubische oorlogsgod Apedemak die de nationale god werd van Meroe. Hij werd voorgesteld als een man met een leeuwenkop, soms staande op olifanten, soms met leeuwen en olifanten aan leidsels. Ook werden er nieuwe goden aanbeden, zoals Sebiomeker, een andere vorm van de god Aton, de schepper van de mens. Enkele Egyptische goden bleven populair, zoals Anubis die de dode begeleidde op zijn reis naar het dodenrijk en Isis, de moedergodin die zich ontfermde over het dagelijkse leven en zorgde voor voorspoed en geluk. In de Nubische mythologie was Isis de echtgenote van de god Apedemak.

(Rechts: Apedemak afgebeeld op de wand van de Leeuwentempel van Musawwarat es Sufra, Soedan) (eind 3e eeuw v. Chr.)

De cultuscentrum van de god was in Nubie in Musawwarat el-Sufra en Naqa, beide steden zijn bij de 6e catharact bij de woestijn. Musawwarat schijnt de grootste tempel van de god te zijn die vanaf 300 v. Chr. 750 jaar open was. Er waren ook Leeuwentempels bij Meroe en andere steden in de regio maar daar is minder bewijs van. 

Apedemak - Wikipedia

Beeldje van een Meroïtische koning uit Tabo op het eiland Argo (3e eeuw v. Chr.). Oorspronkelijk had dit beeldje een boog vast. Dat het hier omeen koning gaat is te zien aan de koninklijke attributen: een koesjietenkap met een dubbele uraeus en een diadeem, een halsband met drie ramskop-amuletjes en een schort. Verder draagt deze figuur een schouderkraag, oorsieraden en bovenarmbanden. Vroeger was het beeldje bekleed met gips en was het verguld. Een ramskop (god Amon) geflankeerd door twee leeuwenkoppen (god Apedemak), vormden een deel van de bovendorpel van de Leeuwentempel van Musawwarat es Sufra (ca. 200 v. Chr.), die werd gevonden bij de opgraving van de Humboldt Universiteit Berlijn in 1960. Ägyptisches Museum Berlin.
Op de koningslijst komt een opmerkelijk groot aantal koninginnen (kandake's) voor. Dit kan worden verklaard uit de matriarchale traditities die er in Afrika bestaan en de hoge status die vrouwen in de Nubische cultuur bekleedden.

Al tijdens de Kusjitische dynastie in Egypte bezetten vrouwen leidende sociale posities, waaronder die van koning en volgden koningen elkaar op in de vrouwelijke lijn. De troonsopvolger is ook vaak de zoon van zijn zuster. Dit verklaart dat de koningen van Napata en Meroe vaak huwden met hun eigen zuster, zodat dan zijn zoon zijn latere opvolger zou zijn. De koninginmoeder, stond als moeder van een god, in zeer hoog aanzien, ongeveer te vergelijken met die van Maria, de moeder van Christus in de Christelijke religie. De Meroitische koninginmoeder droeg ook de titel van farao. Soms heerste de koninginmoeder naast haar zoon als deze nog minderjarig was. 

ca 275-250 v. Chr.    

Arkamani I (Ergamenes) (270 - 260)
Amanislo (260 - 250)
Aman .... tekha (250 - 235)

ca 225-175

Arnekhamani (235 - 218)
Arkamani II (218 - 200)
Adikhalamani (200 - 190)

ca 170-150

Kandake Shanakdakheto (170 - 150)

ca 100-75

Taneyidamani (110 - 90)
Nawidemak (90 - 50)

ca 50-0

Amanikhabale (50 - 40)
Amanirenas (40 - 10 v. Chr.)
Teriteqas (40 - 10 v. Chr.)
Kandake Amanitore (20 - 1)
Kandake Amanishakheto (Amanisjakheto) (35 - 20 v. Chr.)

ca 0-50

Natakamani (1 - 20)
Kandake Amanitore (1 - 20)
Sarakaror (Shorkaror) (20 - 30)
Pisakar (30 - 40)
Amanitaraqide 40 - 50

De regeringsperiode van Kandake Amanitore is onzeker, vandaar dat zij hier twee keer genoemd wordt.

50 - 350

Amanitenmemide 50 - 62
Amanikhatashan 62 - 85
Teritnide 85 - 90
Teqerideamani 90 -114
Tamelerdeamani 114 - 134
Adeqetali 134 to 140
Takideamani 140 - 155
Tarekeniwal 155 - 170
Amanikhalika 170 175
Aritenyesbokhe 175 -190
Amanikhareqerem 190 - 200
Teritedakhatey 200 - 215
Aryesbokhe 215 - 225
Bekemete ca. 250
Teqerideamani 246 - 266
Maleqorobar 266 - 283
Yesbokheamani 283 - 300
Boven: Naqa-tempel 

Terwijl de tempels voor Egyptische godheden uit vele achter elkaar gebouwde ruimtes bestonden, hadden de gebouwen voor de Meroïtische goden slechts een of twee vertrekken, met of zonder Pyloon (grote toegangspoort aan de voorzijde van een gebouw).

Rechts: Koning Arnekhamani, Horus en zijn echtgenote, afgebeeld op de muur van de "Leeuwentempel" in Musawwarat es-Sufra, 235-218 v. Chr.

Triomfantelijk kijken zij uit over een slagveld waar hun leger zojuist heeft gezegevierd. De koningin heeft duidelijk een Afrikaans postuur.

Lange tijd onderhield Meroë handelsrelaties met het Romeinse keizerrijk. Op het hoogtepunt van zijn macht beheerde het een gebied dat in het noorden reikte tot aan de eerste waterval, de zuidelijke grens van Egypte. Maar na het jaar 100 n. Chr. begon de macht van Meroë af te brokkelen. In de 4e eeuw viel de staat onder het beheer van Aksoen in Ethiopië, dat nauwe handelsrelaties onderhield met de Arabische rijken over de Rode Zee. Handelaars met de West-Afrikaanse kust hadden bijna geen contact met de inwoners. De Carthagers verhandelden hun goederen en wilden goud importeren. Ze lieten echter hun producten in stapels op het strand liggen en trokken zich op hun schepen terug als de Afrikanen naderbij kwamen. 
Na de verovering van Egypte door keizer Augustus in 33 v. Chr. overviel een Ethiopisch leger de grensplaatsen Philae, Elefantine en Assoean. Tijdens een strafveldtocht onder leiding van prefect Petronius werden de Ethiopiërs bij Pselkis verslagen en werd de vesting Kasr Ibrim door de Romeinen veroverd, waarna Petronius verder oprukte naar Napata. Het rijk vanb Koesj werd geregeerd door een kandake (koningin) wier naam in de Romeinse bronnen niet genoemd wordt, maar waarschijnlijk was dit Kandake Amanishakheto, die regeerde van 35 - 20 v. Chr.

Links: de piramide N6 van kandake Amanishaketo op de noord-necropool van Meroë. Het een van de weinige piramides die niet volledig zijn geplunderd. In het begin van de 19e eeuw was deze piramide nog in vrij goede staat, zoals op de tekening van Frédéric Cailliaud uit 1822 (links) te zien is. Twaalf jaar later was er al niet veel meer van over dan een hoop stenen. Giuseppe Ferlini die met een troepenmacht van Mohammed Ali in Soedan was aangekomen, had als echte schatgraver deze en verschillende andere piramides met de grond gelijk gemaakt. Daarna vond hij waarschijnlijk in een kamer onder de piramide een goudschat, bestaande uit een bronzen schaal en en een aantal juwelen en sieraden en een houten dodenbed die hij zo snel mogelijk het land uit bracht. Een deel van deze goudschat kwam in 1844 in het bezit van het Ägyptisches Museum in Berlijn.

lees meer hierover op de site: The Destruction of Pyramid N 6 of the kandake (ruling queen) Amanishakheto


Koning Natakamani bouwde in de eerste helft van de 1e eeuw n. Chr. een aantal tempels tussen de tweede en derde cataract en liet een paleis bouwen in Napata. 

Hij richtte bij de huidige Wad Ban Naga, in één van de grote stedelijke centra van het eiland Meroë een gebouw dat in omvang vergelijkbaar was met de Amontempel in Naga. In de ruïnes werden door de Pruisische expeditie in 1844 drie sokkels aangetroffen voor godenheiligdommen, waarvan de grootste met volmacht en medewerking van het Egyptische staatshoofd Mohammed Ali naar Berlijn vervoerd werd. De twee andere zijn spoorloos verdwenen.

z. ook Bark Stand of  King Natakamani

Over de de daaropvolgende periode is door tal van hiaten in het onderzoek zo goed als niets te vertellen.

Rechts: de ruïnes van Napata.

Onduidelijk is wanneer en hoe er een eind kwam aan het Meroïtische koninkrijk. Rond 300 na Chr. had het nog alle macht over Beneden-Nubië. De jongste koningsgraven van Meroë dateren van omstreeks 350 n. Chr. en er is zelfs nog een graf van een koninklijke heerser die aan het eind van de 4e eeuw is te dateren. Een van de tot nog toe onopgeloste vragen is of en in hoeverre aanvallen van het rijk van Aksoem mede beslissend waren voor de ondergang van Meroë. Dat de stad Meroë is ingenomen door een onbekende heerser uit Aksoem is bekend uit twee fragmenten van inscripties die in de stad gevonden zijn. Op één van deze inscripties wordt verslag gedaan een veldtocht van koning Ezana (ca. 350) tegen de Noba. Na een overwinning van een van zijn legerbataljons op de Koesjieten veroverde hij twee steden die tussen de monding van de Atbara en Meroë lagen, waarna hij plunderend Nijlafwaarts verder trok. De regeringstijd van Ezana blijft echter omstreden en het is onduidelijk of het rijk der Koesjieten (Kasoe) toen nog werkelijk bestond. De werkelijke vijand zou ook wel eens de Nobastam kunnen zijn geweest, waarop het derde Nubische rijk van de middeleeuwen terugvoert. Deze stam is genoemd naar een door Ezana veroverde staat ten noorden van Meroë, Aloa, met als hoofdstad Soba in de omgeving van Khartoem.

Rechts: Armband van  Kandake Amanishakheto met een gevleugelde godin Moet, gemaakt van goud en glaspasta, opgegraven door G. Ferlini (1834). MEMORIES OF OLD KINGDOMS

Literatuur: De Zwarte Farao's : Koninkrijken aan de Nijl. - Red. Dietrich Wildung; Eindred. John Vrieze [Catalogus bij de gelijknamige tentoonstelling in De Nieuwe Kerk in Amsterdam (1 oktober 1997 - 1 februari 1998), een vertaling van Sudan: Ancient Kingdoms of the Nile, Dietrich Wildung, 1997

websites: Museum of Fine Arts Boston (ga naar Collections - Ancient Worlds - Nubian Art) Armband met afbeelding van Hathor (ca. 100 v. Chr.) Gouden oorhanger met Hathor-kopjes (270 v. Chr. - 320 n. Chr.)

Laatst bijgewerkt: 24-03-07

colofon