1142 Afrika (10.000 - 1000 v. Chr.)
Afrika (130.000 - 12.000 v. Chr.)
10.000 - 4500 v. Chr.
Over de oude volkeren in Afrika weten we zeer weinig. Afrika was toen veel koeler dan nu. Langzaam werd het klimaat warmer en vochtiger. Dat hield tot omstreeks 2500 v. Chr. aan. In de Sahara zijn grotgravures (ca. 6000 - 4000 v. Chr.) gevonden die aantonen dat in dit gebied vele dieren geleefd moeten hebben, die een goede jacht verzekerden. Het Tsjaad-meer was ongeveer acht keer zo groot als nu, een teken dat de streek toen heel vruchtbaar geweest moet zijn. Aan de randen van de bossen tussen de woestijn en de moerassen van het Nijldal zwierven jagers rond, die leefden van de jacht op dieren en vogels, die ze doodden met pijlen en knuppels. Ze woonden in tijdelijke hutten, gemaakt van takken en gras.  Nijldal en Nijldeltagebied (8000 - 4000 v. Chr.)

Er bestaan maar weinig bewijzen voor de overschakeling van jacht op landbouw. Van de volkeren uit het deltagebied in het noorden leerden de jagers van het Nijldal geleidelijk vee houden (geiten, schapen en runderen), het zaaien en oogsten van graan, het malen van koren en het maken van kaas en boter. Behalve geiten, schapen en runderen fokten zij ook honden voor de jacht en ezels voor het transport. Zo ontstond In het 8e millennium voor Chr. ook in het Nijldal de landbouw.

IIn het 6e millennium voor Chr. slaagden de bewoners van het Nijldal er in de rivier te temmen. Langs de bedding ontstonden akkertjes, omringd door dijken. De bossen werden gerooid en de moerassen drooggelegd. Ook leerden zij hun akkers te bevloeien.

Uit het Nijldelta-gebied werd de ploeg ingevoerd, evenals het gebruik van de os als trekdier, wat voor de boeren een enorme omwenteling betekende. Door graanveredeling verkreeg men een betere kwaliteit graan en hogere landbouwopbrengsten. Er ontstond handel en ook een begin van nijverheid. Ze leerden vlas verbouwen en verwerken tot linnen, bakten potten en woonden in onderkomens van leem en riet. 
Vanaf ca. 5000  v. Chr. werd het Sahara gebied geteisterd door een aanhoudende droogte. De rivieren verdwenen geleidelijk, het gras maakte plaats voor struiken en zand., de bossen stierven. Niets bleef achter dan wat versteende zaadjes, wat groepjes boomtoppen in een wildernis van huilende zandstormen. Het wild verdween, en de vis. Langzaam veranderde dit gebied in een zandwoestijn. Vele bewoners trokken weg uit dit gebied. 
Met medeneming van hun herinneringen, hun gewoonten en hun goden verspreidden zij zich in drie richtingen. 
Voor sommigen leidde de weg naar de kusten van de Middellandse Zee, waar zij zich met de daar wonende bevolking vermengden en zo de Berberbeschaving vormden. 

Anderen, later bekend als de Lybiėrs, vestigden zich in het vruchtbare dal van de Nijl als jagers en vissers. Uit hen kwamen uiteindelijk enkele van de prinsen voort, die over zuidelijk Egypte regeerden. Nog weer anderen trokken zuidwaarts, naar het hart van het werelddeel, waar zij zich vermoedelijk met de daar al wonende volken vermengden. Wie die volken geweest zijn, is nog steeds een raadsel. Bosjesmannen en Pygmeeėn schijnen al sinds zeer oude tijden in Afrika geleefd te hebben. Pas veel later verschenen de Batoe-volken op het toneel.

In de republiek Congo wonen nog zo'n 600.000 Pygmeeėn. Zij leiden een primitief, nomadisch bestaan en leven voornamelijk van de jacht. Veel Congolezen beschouwen de Pygmeeėn als minder dan menselijk (z. krantenartikel rechts)

Pygmeeėn willen VN-tribunaal voor vervolging menseneters (Spits, vrijdag 23 mei 2003)

New York - De verenigde naties moeten een tribunaal oprichten om de rebellen en de soldaten van het regeringsleger in Congo te vervolgen, die zich hebben schuldig gemaakt aan het doden en opeten van Pygmeeėn. Dat zeggen activisten van de Pygmeeėn, een bevolkingsgroep die die al eeuwen diep in de wouden van Congo leeft.
Militairen, rebellen en strijders van verschillende stammen jagen op de Pygmeeėn, slachten ze af en eten ze op, stellen de activisten, die deze week in New York zijn voor een samenkomst van het Permanente Forum voor Inheemse zaken van de VN. Het vlees geeft volgens sommigen bijzondere krachten. Mensenrechtenactivisten en VN-medewerkers bevestigden eerder dit jaar berichten dat een twaalftal Pygmeeėn door rebellen was gekookt en opgegeten.

Het ontstaan van zulk een rampzalig klimaat in de Sahara en de daarop volgende migratie verklaart waarom de geschiedenis van Afrika zich na ongeveer 2000 v. Chr. in twee verschillende richtingen heeft ontwikkeld.De woestijn vormde een moeilijk te doorbreken barričre, behalve dan voor die enkele doorzetters, die er, eerst te paard, later per kameel, doorheen trokken. In het noorden ontstond de dankzij de vruchtbare contacten met andere culturen hoogontwikkelde beschaving van Egypte. In het zuiden moesten de volken geheel zelfstandig hun lot bepalen. 

ca. 4500 - 1500 v. Chr.
Vanaf omstreeks 4500 v. Chr. verspreidde de landbouw zich vanuit het Nijldal over het zuidelijk deel van het Afrikaanse continent. Het duurde 2000 jaar eer de landbouw via Soedan en West-Afrika het zuiden bereikte. Welke gewassen er geteeld werden, weten we niet precies. Yamwortels kwamen blijkbaar veel voor in de regenwouden. Rijst werd vermoedelijk al in 1500 v. Chr. geteeld door landbouwers rond het Niger-meer. Verder naar het oosten zouden veehoeders en schaapsherders gierst gekweekt hebben. Ca. 2000 v. Chr. begonnen zwarte dierenhouders en landbouwers zich vanuit het zuiden van de Sahara naar het zuiden te begeven. 

Ca. 4000 jaar geleden werd Kenia bevolkt door de Khoisan die verwant waren aan de zuidelijk-Afrikaanse volkeren. Daarna is Kenia een migratieland bij uitstek geworden o.a. door de vruchtbare grond in dit deel van Afrika. Zo worden in Kenia praktisch alle belangrijke talen van Afrika gesproken. De eerste groep migranten was het nomadische Kushietenvolk uit Ethiopiė rond 2000 v. Chr. Het waren herders en dus afhankelijk van grasland voor hun runderen en geiten.

rechts: rotstekening uit Niger (3000 v. Chr.)

Ook het zuidwesten van Zuid-Afrika werd bewoond door de Khoisan (huidige provincies Westkaap en Noordkaap). Het grootste deel van Zuid-Afrika werd echter bewoond door andere Afrikaanse volken met een donkerder huid, die in technisch opzicht meer ontwikkeld waren. Ze spraken talen met duidelijke culturele banden met de rest van Afrika ten zuiden van de Sahara. De talen worden Bantoe-talen genoemd, hetgeen buiten Zuid-Afrika een acceptabele term is, maar in Zuid-Afrika is het woord Bantoe tijdens de apartheid zo misbruikt door de regering dat het in het land zelf in geen enkele context maatschappelijk aanvaardbaar is. Meestal spreken de meeste zwarte Zuid-Afrikanen ofwel de Sotho-Tswana-talen, die voornamelijk in het binnenland gesproken worden, ofwel de Nguni-talen (Zulu, Xosa, Swazi) die we hoofdzakelijk langs de kust tegenkomen. In de provincie Limpopo wordt ook Venda gesproken, een taal die verwant is aan het Shona van Zimbabwe, en Tsonga, dat verwant is aan de talen van het zuiden van Mozambique. Wetenschappers schrijven de vele culturele verschillen tussen de Sotho-Tswana en de Nguni toe aan de verschillende natuurlijke milieus waarin zij leefden. Water is relatief schaars in het binnenland. Daarom leefden de Sotho-Tswana doorgaans in grotere nederzettingen in onderkomens van steen. De kuststreek wordt echter doorsneden door talrijke rivieren die van de bergen naar beneden stromen. Hierdoor konden de Nguni in meer verspreid liggende nederzettingen wonen en vaker van woonplaats veranderen. De Sotho-Tswana huwelijkten hun zonen en dochters uit aan verwanten om zodoende het vee binnen de familie te houden. De Nguni leefden meer verspreid en daarom trouwden zij met zonen en dochters van andere families om vee met hen te kunnen uitwisselen.
2500-1500 v. Chr. Kerma rijk

De Egyptische koning Senusret lll (Khakaure) (1836 - 1817 v. Chr.), de 5e koning van de 12e dynastie veroverde Nubiė en verschoof de grens nog verder naar het zuiden. Hij liet ook nieuwe forten bouwen en de reeds bestaande uitbreiden, waarschijnlijk om een dam op te werpen tegen de toenemende invloed van de vorsten van Kerma.

Omstreeks 1500 v. Chr. breidde Amenhoteb l (1514-1493), de tweede koning van de 18e dynastie,  de Egyptische invloed verder naar het zuiden uit en stichtte bij een belangrijke oversteekplaats van de Nijl, Napata, de meest zuidelijke nederzetting van de Egyptische Afrikaanse heerschappij.

ca.1000 v. Chr. bevolkten volkeren die vee en schapen bezaten de streek van de Rift-vallei in Oost-Afrika.

Afrika (1000 v. Chr. - 700 n. Chr.)

Gemaakt: 07-04-03; laatst bijgewerkt: 02-06-03

colofon