3917 Jade
De schoonheid, duurzaamheid en zeldzaamheid van edelstenen heeft de mensheid al heel vroeg gefascineerd. Strikt genomen is jade geen edelsteen (zie hieronder bij 'Mineralogie'), maar 'slechts' een siersteen omdat het niet hard genoeg is. Voor de oude Chinezen was het echter het kostbaarste materiaal dat er bestond (kostbaarder dan b.v. goud). De letterlijke vertaling van de Chinese naam voor jade (yü) is 'iets kostbaars'. 

Oude culturen kenden vaak symbolische betekenissen en magische krachten toe aan deze mooie stenen. Volgens de Chinese tradities was jade het symbool voor 'leven' en door de goden aan de mensheid geschonken.

Jade uit de Han dynastie (206 v.Chr. - 220 n.Chr.)

De bijzondere plaats van jade in de Chinese cultuur kan o.a. worden afgeleid uit het feit dat in hun mythologie de oppergod (die tevens één van hun oudste goden is) bekend is onder de naam Yu-huang-shang-ti, wat 'Verheven opperste keizer van jade' betekent. Yu-huang-shang-ti leeft in de hemel op het hoogste niveau, omringd door zijn hof en is volgens de traditie in Noord-China de belangrijkste van alle goden omdat hij degene is die de mensen geschapen heeft. Het verhaal gaat dat hij de mensen uit klei geboetseerd heeft en dat toen hij ze in de zon liet drogen er plotseling een hevige regenbui losbarste. Snel bracht hij zijn scheppingen in veiligheid. Een aantal werd echter door de regen toch beschadigd. Dit zijn nu de zieken en zwakken die op aarde leven.

Binnen het gebied van de vroegste Chinese culturen werd slechts op twee plaatsen jade gevonden. Dat was in de Liao He rivier (provincie Liaoning, dicht bij de Koreaanse grens) en bij het Tai Meer (provincie Jiangsu, in het oosten van China). Deze bronnen waren echter spoedig uitgeput.

Een raadsel is hoe de Chinezen duizenden jaren voor onze jaartelling er achter kwamen dat aan de andere kant van de Taklamakan woestijn, meer dan 2.800 km westelijk van hun gebieden, jade te vinden was.
Vanaf 4.000 v.Chr. is vrijwel alle Chinese jade afkomstig uit de omgeving van Khotan en Yarkand. Deze twee plaatsen liggen aan de zuidelijke rand van de Taklamakan woestijn. De rivieren de Karakash (betekent: rivier van zwarte jade) en de Yurungkash (betekent: rivier van witte jade) bij Khotan leveren de beste jade.
Men zocht jade door op blote voeten door de ijskoude ondiepe uit de Himalaya afkomstige rivieren te waden. Via de voetzolen herkende men het specifieke vettige/olieachtige oppervlak van jade. De algemene benaming van jade in de omgeving van Khotan is 'Su Tash' (= watersteen). Eén variant van deze stenen wordt, in verband met deze vettige/olieachtige eigenschap, 'schaapsvet' genoemd.Vanaf de 18de eeuw haalt China regelmatig jade uit Myanmar (voormalig Birma). De jade (jadeïet) die voor die tijd af en toe uit dat gebied naar China kwam werd door de Chinezen vroeger niet als echte jade gezien. Ze noemden het 'ijsvogel steen' omdat het zulke felle kleuren had en het patroon van vogelveren leek te vertonen. Jade wordt gevonden in allerlei kleuren. Deze kleuren zijn het gevolg van de aanwezigheid van kleine hoeveelheden ijzer, chroom of andere mineralen. Door alle tijden heen werden in China groen getinte stenen het hoogste gewaardeerd.

In veel publicaties wordt als het oudste in China gevonden jade object, een 12.000 jaar oud voorwerp genoemd, dat werd gevonden in een grot bij Haicheng (provincie Liaoning). Dit voorwerp is echter gemaakt van serpentijn (hardheid 3-4), een materiaal dat alleen een oppervlakkige gelijkenis heeft met jade. De oudste vondst van echte jade is 7.000 jaar oud en betreft een klein hangertje uit Hemudu (provincie Zhejiang, in het oosten van China). 

Jade bijl uit de vroegste periode

Vanaf 4.000 jaar v.Chr. is er in China al sprake van een echte jade cultuur en moet er dus al een regelmatige handel met het verre Khotan en Yarkand hebben bestaan. Uit deze tijd stammen een groot aantal mooie jade voorwerpen, die vooral voor persoonlijke decoratie (kralen, hangertjes, etc.) dienden.

Vanaf de Shang dynastie (18de - 12de eeuw v.Chr.) werd jade verbonden met status, rang en privileges. Men maakte van jade o.a. ceremoniële wapens en emblemen die tijdens religieuze riten door de priester-koningen gedragen werden.

Uit de 'Lente en herfst periode' (770 - 476 v.Chr.) en de 'Periode van de strijdende staten' (475 - 221 v.Chr.) van de Oostelijke Zhou-dynastie zijn veel mooie, goed gesneden voorwerpen bekend die veelal voorzien waren van afbeeldingen van draken, phoenixen en andere mythische wezens.

In de daaropvolgende Qin (221 - 207 v.Chr.) en Han perioden (207 v.Chr. - 220 n.Chr.) gebruikte men jade voor meer praktische doeleinden en begon men te geloven in de kracht van jade om een lang leven te bevorderen. Praktische toepassingen waren b.v. het gebruik als zegelstempels, kammen, gespen, haarspelden, eetstokjes etc. Omdat jade kostbaar was is het natuurlijk ook veelvuldig door de keizers gebruikt om onderdanen mee te belonen of als geschenk of schatting uitgewisseld tussen vorsten.

Rechts: Ceremoniële jade speerpunt uit de Shang dynastie (1766-1122 v.Chr.)

Daarna zijn er tot aan het begin van de Ming periode (1368 - 1644) weinig ontwikkelingen geweest.

Jade kon volgens de Chinezen niet tegen de dood beschermen, maar wel het leven verlengen en het dode lichaam bewaren. Daarom heeft het vanaf de vroegste tijden een belangrijke rol gespeeld bij begrafenissen en begrafenisriten. 

Bij begrafenissen offerde men b.v. jade voorwerpen, sloot de lichaamsopeningen van de doden af met jade pluggen en legde een stukje jade in de vorm van een cicade in de mond van de dode. Verder kregen doden vele bi's en cong's mee. Een 'bi' (ook geschreven als: 'pi') is een plat rond schijfje met een rond gat in het midden. Dit schijfje symboliseert verbondenheid met de hemel en stelt misschien de rondgang van de zon langs de hemel voor. Het werd (en wordt in China nog steeds) ook veel gedragen als talisman. Cong's zijn hoekige staafjes eveneens met een rond gat in het midden en symboliseren verbondenheid met de aarde. De hoeken staan voor de elementen vuur, water, metaal en hout en vormen samen "de aarde".

Jade bi schijf neolithische periode Liangzhu dynastie ca. 2700 - 2200 v.Chr. (Diameter 21.3 cm)

Jade doodskleed
De keizers van de Westelijke Han dynastie (206 v.Chr. - 25 n.Chr.) gingen het verst in het gebruik van jade. Zij lieten complete jade doodskleden maken en er is bekend dat sommigen tijdens hun leven gemalen jade aten in de hoop daardoor langer te leven. Waarschijnlijk is het omgekeerde het geval geweest. 
Ook zijn er jade neksteunen gevonden die zij gebruikten omdat zij geloofden dat daardoor de hersenwerking verbeterd werd. Prins Liu Sheng (Westelijke Han dynastie) was koning van Zhongshan. Hij werd in 113 v.Chr. begraven in een grot in een klif bij Lingshan, provincie Hebei (200 km Z.W. van Beijing). Zijn lichaam was eerst gewikkeld in 12 lagen zijde en daarna gekleed in een gewaad lijkend op een harnas, gemaakt van 2.498 kleine plakjes jade, die met gouddraad aan elkaar bevestigd waren.
Op de voorgrond liggen de jade pluggen waarmee de lichaamsopeningen werden gesloten. Geschat wordt dat het tien manjaren gekost heeft om dit jade gewaad te vervaardigen. Het graf werd in 1968 opgegraven.

De Ming periode (1368 - 1644 n.Chr.) heeft wel weer veel prachtige jade voorwerpen voortgebracht. Van een deel van de jade kunstenaars uit deze periode zijn de namen nu nog bekend.

Bewerking
Jade is niet bijzonder hard, maar wel, door de aanwezigheid van ineengestrengelde microscopische vezeltjes, heel erg taai. De combinatie van deze eigenschappen maken het bewerken van jade tot een lastig en tijdrovend karwei. Men kan het niet snijden of kloven, maar moet het bewerken via moeizaam schuren, zagen en boren. Een groot voordeel van de taaiheid is dat het bijna niet kan breken en er kunnen daardoor hele dunne (vrijwel doorzichtige) maar sterke voorwerpen van gemaakt worden. Omdat er weliswaar heel fijne kanten aan geslepen kunnen worden, maar deze nooit echt scherp zijn is jade minder geschikt om er messen van te maken. Wel is jade uitermate geschikt voor het maken van bijlen, want door haar taaiheid absorbeert het uitstekend harde klappen. Onder de Shang dynastie (18de - 12de eeuw v.Chr.) werd het door beter gereedschap makkelijker om ook ronde vormen te maken. Lang geleden heeft men reeds ontdekt dat het mogelijk was om door verhitting jade bijzondere kleuren te geven.
Jade is niet de kostbaarste van alle edelstenen. Het moet vooral z'n waarde hebben van het vakmanschap waarmee de kunstenaar de steen bewerkt heeft en China heeft vele meesters in het bewerken van deze steen voortgebracht.
Met uitzondering van enkele zeldzame glasachtige materialen zoals obsidiaan zijn alle gesteenten op aarde samengesteld uit mineralen. Mineralen zijn natuurlijk gevormde vaste stoffen opgebouwd uit in een regelmatig patroon gerangschikte atomen. Jade is een mineraal dat in de aardkorst ontstaan is onder hoge druk maar bij een relatief lage temperatuur. Deze omstandigheden komen vooral voor op plaatsen waar door de continentenverschuiving een aardschol onder een andere duikt, zoals b.v. in het Himalaya gebied het geval is, waar de Indiase landmassa langzaam onder het oude continent Laurazië verdwijnt.

Jade uit de 18de eeuw

Jade is de verzamelnaam voor jadeïet en nefriet (ook niersteen genoemd). Van deze twee mineralen is jadeïet de zeldzaamste, kostbaarste en hardste.Jadeïet en nefriet verschillen zowel in samenstelling als in kristallijne structuur. Jadeïet is een silicaat van natrium en aluminium. Zuivere jadeïet is zeldzaam en wit. De kleur ontstaat door de aanwezigheid van sporen chroom. Het mineraal komt meestal voor in taaie compacte aggregaten van microscopisch kleine korrels. De hardheid van jadeïet is 6,5-7. Nefriet is de compacte fijnkorrelige vezelige variëteit van de mineralen tremoliet en actinoliet. De kleur van nefriet is wisselend. Wit of grijs materiaal is relatief vrij van ijzer en bevat in plaats daarvan magnesium. Spinaziegroen materiaal bevat veel ijzer. Nefriet komt ook in nog andere kleuren voor die veroorzaakt worden door onzuiverheden van verschillende aard. De jade die bij Khotan en Yarkand gevonden wordt is nefriet. Nefriet heeft een hardheid van 5-6. De definitie van edelgesteente is: zeldzame, kostbare steensoort, met sterke, levendige glans, bijna volkomen doorzichtig en kleurloos of fraai van kleur en zeer hard (Van Dale Groot woordenboek de Nederlandse taal).
Om tot de echte edelstenen gerekend te mogen worden, moet een mineraal tenminste de hardheid van kwarts (7) hebben. Door een voortdurend bombardement van de alom aanwezige kwartsdeeltjes (zand en stof) zal ieder zachter mineraal na enige tijd dof worden door minuscule krasjes en daardoor één van de elementaire eigenschappen van edelstenen verliezen, n.l. de glans.Een aantal zachtere stenen (opaal [5,5-6,6], turkoois [5-6], jadeïet [5-6] en nefriet [6,5-7]) worden om hun bijzondere schoonheid echter toch tot edelstenen gerekend.
Het hardheidsgetal van mineralen wordt bepaald door deze te vergelijken met de 'Tabel van Mohs'. In deze in 1812 door de Weense mineraloog Friederich Mohs (1773-1839) bedachte tabel is een mineraal met een hoger getal steeds in staat alle mineralen met een lager getal te bekrassen, maar niet omgekeerd.

1. talk
2. gips
3. calciet
4. fluoriet
5. apatiet
6. orthoklaas
7. kwarts
8. topaas
9. korund
10. diamant

Om een idee te geven van de hardheid: Met een vingernagel is het mogelijk krassen te maken op materiaal met een hardheid tot ca. 2,5, met een zakmes in materiaal met een hardheid tot ca. 5,5.

colofon