3613 De reis van Willem van Rubroeck (1253 - 1255)
Europese ontdekkingsreizen in de Middeleeuwen
Toen André van Longjumeau in 1251 in Caesarea verslag deed aan de Franse koning Lodewijk IX (de Heilige) van zijn reis naar het hof van de Groot Khan, bevond zich onder de toehoorders ook Willem van Rubroeck (Guillaume de Rubrouck). Van Rubroeck was een uit het in Frankrijk liggende deel van Vlaanderen afkomstige franciscaner monnik die deel had genomen aan het eerste deel (1249-1251) van de mislukte Zevende kruistocht (1249-1254) van koning Lodewijk IX. 

Uit de van André van Longjumeau verkregen informatie, begreep hij dat Sartak Khan (1255 - 1256) van het rijk van de Gouden Horde, zich bekeerd had tot het Christendom en dat er in zijn gebieden (Zuid-Rusland en West-Siberië) mogelijkheden waren om missiewerk te gaan doen. Van Lodewijk IX kreeg hij een aanbevelingsbrief mee voor Sartak, waarin de koning de vredelievende bedoelingen van de reis uiteenzette, vertelde wat voor soort mensen Van Rubroeck en z'n reisgenoten waren en Sartak verzocht toe te staan dat Van Rubroeck en zijn gezellen in zijn gebieden zouden mogen verblijven om de inwoners te leren leven overeenkomstig de wetten van God.

Van Rubroecks reisroute 1=Constantinopel, 2=Kamp van Sartak, 3=Kamp van Batoe, 4=Cailac, 5= Karakorum, 6=Tripoli, 7=Acra
Constantinopel - hof van Sartak (mei - jul.1253)

Na zich een jaar op de reis voorbereid te hebben vertrok Van Rubroeck in mei 1253 vanuit Constantinopel.
Zijn gezelschap bestond uit de franciscaner monnik Bartholomeus van Cremona, de tolk Abdula (door Van Rubroeck Homo Dei genoemd), Gosset een klerk die de brief van de koning vervoerde en een jonge slaaf Nicolas die hij in Constantinopel gekocht had.

Eerst voeren ze per schip over de Zwarte Zee naar de handelsstad Soldaia aan de Krim. Daar waarschuwden handelaren hen dat als ze niet tegen de Mongolen zouden zeggen gezanten te zijn maar missionarissen, ze geen gebruik zouden kunnen maken tijdens de reis van het 'yam systeem' en het hen misschien niet toegestaan zou worden om verder te reizen. Om geen risico te lopen en ook de waarheid geen geweld aan te doen verkondigde Van Rubroeck daarom vanaf dat moment dat zij brieven vervoerden van de Franse koning voor Sartak. Voor het vervoer lieten ze zich adviseren gebruik te maken van vijf rijpaarden en voor hun bagage van vier overdekte en twee open ossenwagens alsmede twee wagenvoerders.Een beslissing waar hij later spijt van kreeg omdat hij daardoor twee keer zo lang onderweg was als wanneer hij alleen met paarden had gereisd.

Ger (of yurt) (Tent van over een frame gespannen vilt)
Na drie dagen reizen hadden ze hun eerste ontmoeting met de Tataren. Op een brutale manier vroegen deze eerst om voedsel en drank en daarna om allerlei bezittingen af te geven. Van Rubroeck gaf hen alleen een kleine hoeveelheid eten en drinken en wilde toen naar hun aanvoerder Chagatai (Chakhatai, Jagatai) Khan gebracht worden. De volgende dag kwamen ze bij het kamp van Scacatai, dat bestond uit grote aantallen wagens met daarop hun tenten (ger of yurt genoemd) en grote kudden ossen, paarden en schapen.
Chagatai was een familieled van Batoe Khan van het Khanaat van Kipchak en was aanvoerder over 500 man. Ook nu werd weer verwacht dat Van Rubroeck geschenken zou geven. Ter verdediging voerde hij aan monnik te zijn en van zijn orde geen kostbaarheden te mogen bezitten. Daarna overhandigde hij de brieven van de keizer van Constantinopel waarin deze aan Scacatai vroeg om doorgang te verlenen aan Van Rubroeck. Omdat deze brieven in het Grieks geschreven waren zond Scacatai ze naar Soldaia om ze te laten vertalen. Nadat de vertaling ontvangen was, kregen ze verse paarden en ossen en een gids mee. 
Het grootste deel van de route zagen ze geen mensen, maar als dat wel het geval was wilde de gids steeds weer dat ze geschenken gaven. Inmiddels had Van Rubroeck iets geleerd van de taal en daardoor ontdekt dat zijn tolk zijn woorden regelmatig verdraaide.

Eind juni bereikten ze een dorp aan de Tanaïs (thans: Don) waar ze de rivier konden oversteken. Eerst werden de mensen overgebracht en daarna één voor één de wagens, door die met het ene wiel in een bootje te zetten en met het andere wiel in een ander bootje en vervolgens de beide bootjes aan elkaar vast te binden. De gids deed hier iets doms door de paarden en ossen terug te sturen naar hun eigenaren en vervolgens aan de andere kant van de rivier te ontdekken dat de bewoners van het dorp alleen van Batoe Khan de verplichting hadden gekregen om reizigers over te zetten en niet om ze ook van dieren te voorzien. Pas na drie dagen zoeken wisten ze trekdieren voor hun wagens te verkrijgen, maar geen rijpaarden en moesten dus zelf te voet verder gaan. Na vier dagen lopen vonden ze een plaats waar ze alsnog rijpaarden konden krijgen.

In augustus arriveerden ze aan het hof van Sartak Khan. Daar werden ze eerst ontvangen door een Nestoriaan genaamd Coiac die een hoge functie aan het hof bekleedde. Ook bij hem moest Van Rubroeck weer uitleggen waarom hij geen kostbare geschenken bij zich had. Tegelijkertijd maakte ook z'n tolk Homo Dei hem het leven moeilijk door voortdurend aan te dringen op het geven van geschenken en onjuiste vertalingen te geven. Coiac vroeg vervolgens aan Van Rubroeck of hij al z'n religieuze bezittingen aan Sartak wilde geven. Na zijn antwoord dat hij die zelf nodig had om z'n geestelijk werk te kunnen doen, drong Coiac er op aan dat ze in vol ornaat naar Sartak zouden gaan.

Van Rubroeck trok daarop z'n mooiste misgewaad aan en nam in de ene hand de Bijbel die hij van koning Lodewijk IX gekregen had en in de andere een prachtig geïllustreerd van de Franse koningin gekregen psalmboek, Bartholomeus droeg het misboek en het kruis en Gosset die gekleed was in een koorhemd droeg het wierookvat. Zo uitgemonsterd traden ze zingend het verblijf van Sartak binnen. Allereerst wilde Sartak de heilige boeken en voorwerpen en hun gewaden bekijken, daarna mocht Van Rubroeck de brief van de Franse koning overhandigen. De volgende morgen vernamen ze van Coiac dat ze van Sartak naar zijn vader Batoe Khan moesten doorreizen, omdat er in de brief van Lodewijk IX zaken stonden waar hij zelf geen uitspraak over kon doen. Vlak voor hun vertrek werd Van Rubroeck opgezocht door de broer van Coaic en deze legde beslag op al hun religieuze bezittingen. Van Rubroeck kon alleen de Bijbel en een paar boeken stiekem terugpakken. Bij Coiac lieten ze hun wagens en wagenvoerders achter. Coiac waarschuwde nog dat ze Sartak geen christen of Tartaar mochten noemen, maar alleen Mongool.

Links: de Wolga
Hof van Sartak Khan - hof van Batoe Khan (aug. - sep.1253)
Zonder wagens konden ze nu een stuk sneller reizen en bereikten na drie dagen de Etilia (thans: Wolga). Van bandieten waar het gebied waar ze door reisden berucht om was merkten ze niets. Na de rivier overgebracht te zijn arriveerden ze in het reusachtige kamp van Batoe Khan, dat zich over vele kilometers uitstrekte.
De dag na hun aankomst werden ze al naar Bakoe Khan gebracht en moest Van Rubroeck vertellen waarom hij gekomen was. Hij kon niet meer zeggen dan: "Ik ben naar uw zoon gegaan omdat men ons verteld had dat hij een christen was en ik bracht hem een brief van de koning van Frankrijk. Uw zoon heeft ons daarna naar u gestuurd. U zult de reden wel weten". 

Na nog een aantal vragen beantwoord te hebben werden ze naar buiten gestuurd. Tijdens deze ondervraging werd Van Rubroeck erop gewezen dat het bij de Mongolen een slecht teken is als iemand tijdens een gesprek naar beneden kijkt en nog erger als iemand met z'n kin of wang op z'n hand steunt.
Na enige tijd kwam hun gids naar buiten en zei: "Koning Lodewijk IX verzoekt of u in dit land mag blijven, maar Batoe Khan kan dit niet toestaan zonder toestemming van Mangu Khan (de Groot Khan). U en uw tolk moeten naar Mongke Khan gaan. Uw gezel (Bartholomeus) en de andere mannen moeten teruggaan naar Sartak en daar wachten op uw terugkeer". 

Nadat Van Rubroeck daartegen bezwaar had gemaakt werd hem toegestaan Bartolomeus en Homo Dei mee te nemen, maar Gosset moest meteen terugkeren naar Sartak.
Na het vertrek van Gosset werden de anderen naar een man gebracht die hen van onderdak, voedsel en rijdieren moest voorzien, maar omdat hij geen geschenken gekregen had, gaf hij hen alleen het minimale.
Vijf weken lang trokken ze met Batoe langs de Etilia naar het zuiden, tot half september een Mongools aanvoerder de opdracht kreeg hen naar Mongke Khan te brengen. Hij gaf hun jassen en broeken van schapenvel, laarzen, vilten kousen en hoofddeksels, drie rijpaarden en twee pakpaarden.

Hof van Batoe Khan - Hof van Mangu Khan (sep.1253 - jul.1254)
De afstanden die ze per dag aflegden varieerden. Als ze drie keer op een dag paarden konden wisselen konden ze een grote afstand afleggen, maar soms konden ze ook dagenlang geen wisselplaats vinden en moest de snelheid omlaag. Alleen 's avonds konden ze met vlees een maaltijd bereiden. Lang niet altijd was er voldoende mest voor brandstof te vinden en dan moesten ze het vlees half rauw eten. 's Morgens was er alleen iets te drinken of een beetje gierstepap. Na twaalf dagen reizen naar het oosten bereikten ze de Lagac (thans: Oeral Rivier).
Een maand nadat ze de Lagac overgestoken waren kwamen ze in een gebied waarvandaan de bevolking i.v.m. de komende winter al naar het zuiden getrokken was en daarom verlegden ook zij hun koers naar het zuidoosten tot ze een ruime week later bij de stad Kenchat in het dal van de Talas rivier kwamen. Vanuit de stad kwam de gouverneur hun gids met eten en drinken tegemoet omdat dat de gebruikelijke manier is om boodschappers van een Khan te ontvangen. Van hier konden ze weer in oostelijke richting reizen tot ze bij Cailac (in de buurt van het huidige Bishkek, Noord-Kirgizië) kwamen. Daar bleven ze twaalf dagen wachten op een secretaris van Batoe die samen met de gids zaken te regelen had aan Mangu Khans hof. Eind november verlieten ze Cailac in oostelijke richting. Op yam posten na was het gebied waar ze door trokken vrijwel helemaal verlaten. Omdat ze last begonnen te krijgen van de sneeuw en kou draaiden ze hun jassen en broeken binnenste buiten, zodat de vacht aan de buitenkant kwam te zitten. Bij het oversteken van een bergpas vroeg de gids aan Van Rubroeck of hij gebeden wilde opzeggen om de kwade geesten die daar leefden en reizigers bedreigden te bezweren.
Eind december, ruim drie maanden na hun vertrek uit Batoe's kamp arriveerden ze bij het kamp van Mangu Khan dat zich op tien dagreizen van de hoofdstad Karakorum bevond. Hier vernam Van Rubroeck van de secretaris van Batoe dat koning Lodewijk IX in zijn brief aan Sartak om troepen en hulp tegen de Saracenen vroeg. Van Rubroeck wist vrijwel zeker dat dat niet juist kon zijn en er sprake moest zijn van een foutieve vertaling. Volgens hem had koning Lodewijk IX Sartak alleen geadviseerd om de vriend van alle christenen te zijn, het Kruis te vereren en de vijand te zijn van alle vijanden van het Kruis.

In de eerste week van januari 1254 werd Van Rubroeck door Mangu Khan ontvangen. Daar verklaarde hij dat hij uitsluitend naar zijn zoon Sartak gegaan was omdat hij gehoord had dat deze een christen was en dat hij Mangu Khan geen goud of kostbare stenen aan kon bieden, maar alleen zichzelf om voor hem tot God te bidden. Daarna verzocht hij of hij in het Mongoolse rijk mocht blijven om het christendom te verkondigen, of als dat niet mocht in ieder geval tot de koude periode voorbij was omdat Bartholomeus zo verzwakt was dat hij een reis te paard in de winter zeker niet zou overleven. Van Rubroeck en zijn gezellen kregen toestemming om twee maanden in het kamp van Mangu Khan te blijven. Bij een bezoek aan Mangu Khan beging Bartholomeus onbedoeld een ernstige overtreding van de etiquette door terwijl hij het onderkomen van de Groot Khan verliet de drempel aan te raken. Op deze overtreding stond normaal de doodstraf. Alleen doordat Van Rubroeck de Mongolen er van kon overtuigen dat niemand hen op de hoogte had gesteld van dit taboe werd Bartholomeus' leven gespaard. Hij was echter vanaf dat moment niet meer welkom bij Mangu Khan.

Begin april verplaatste Mangu Khan zijn kamp naar Karakorum. De hoofdstad van het reusachtige Mongoolse rijk bleek maar een kleine stad te zijn. Hier liet Mangu Khan Van Rubroeck deelnemen aan discussies tussen Nestorianen, Manichaeërs, Islamieten en Boeddhisten om uit te maken wie met recht mocht zeggen 'het enige ware geloof te verkondigen'. Van deze discussies liet de Groot Khan verslagen maken om ze later te kunnen bestuderen.
Van Rubroeck ontdekte al snel dat de Groot Khan wel geïnteresseerd was in godsdienst maar zich zeker niet zou laten bekeren. Mangu Khan zei tegen hem o.a.: "net als God verschillende vingers aan één hand geschapen heeft, heeft hij de mensen verschillende godsdiensten gegeven". Toen Van Rubroeck eind mei nog geen opdracht had ontvangen om te vertrekken, stuurde hij een bericht naar de Groot Khan waarin hij zei graag permanent te willen blijven om te kunnen prediken, maar dat hij als hij zou moeten vertrekken liever in de zomer wilde reizen dan in de winter. Het antwoord van de Groot Khan was dat hij wenste dat hij en zijn gezellen naar hun eigen land zouden terugkeren, waarbij hij vroeg wat zij voor de terugreis nodig hadden en tot waar zij een geleide wilde hebben. Van Rubroecks antwoord was dat hij niets bezat en dus reisgeld nodig zou hebben om het Mongoolse rijk te kunnen verlaten en dat hij graag tot aan Hermenia (thans: Armenië) begeleid wilde worden.
Van Rubroeck mocht pas vertrekken toen de brief van Mongke Khan gereed was.

Mongkes brief aan Lodewijk IX (Verkort)
Overal waar oren onze geboden kunnen horen, waar paarden kunnen reizen, laat daar gehoord en bekend worden: zij die ons niet gehoorzamen, maar zich verzetten tegen onze geboden, zullen ontdekken dat zij ogen hebben maar daarmee niets kunnen zien en als zij iets willen vastpakken dat ze geen handen hebben en als ze willen lopen dat ze geen voeten hebben. Als u ons gehoorzaamt, zendt uw ambassadeurs, zodat wij zullen weten of u vrede wenst of oorlog.

Bij deze brief schreef Mongke Khan een begeleidende brief aan Batoe Khan waarin stond dat als deze nog iets aan de tekst wilde veranderen hij daarin vrij was.

Bartholomeus verzocht in verband met zijn gezondheidstoestand in Karakorum te mogen blijven. Het werd hem toegestaan te blijven tot hij sterk genoeg zou zijn voor de reis. Daarna zou hij met het eerstvolgende gezantschap dat naar het westen trok moeten vertrekken. (Vermoedelijk is Bartholomeus in Mongolië gestorven).

De Khan ontving hem en zijn metgezellen min of meer stroef en gaf hun duidelijk te verstaan dat zij onbelangrijke personages waren in zijn ogen. Zijn hovelingen vroegen hen uit over hun vaderland "op een toon dat zij daar dadelijk heen zouden trekken om het land te onderwerpen." Ruusbroec antwoordde boos: "Er is daar van alles, waarvoor jullie je ogen zouden uitkijken, als je ooit de kans kreeg daar te komen." 

Toen de delegatie bij het hof van de khan aankwam, bleek de heerser te zijn overleden, maar zijn weduwe nam Lodewijks geschenken in ontvangst. In de brief, welke de vorstin aan Lodewijks gezanten meegaf, constateerde zij terecht dat niets boven de vrede gaat. Maar voor de koning zou de enige manier om de vrede te kunnen genieten "de volledige onderwerping zijn aan haar en het afstand doen van al zijn zilver en goud - anders zou hij nog wel eens iets anders meemaken."

De terugreis (jul.1254 - aug.1255)
In juli 1254 vertrokken Van Rubroeck, de tolk Homo Dei, een bediende en hun Mongoolse gids uit Karakorum. Omdat het nu zomer was volgden ze een noordelijker route dan op de heenweg.
Gedurende de eerste twee maanden en tien dagen van hun reis kwamen ze maar één dorp tegen en ook vonden ze soms dagenlang geen wisselplaatsen waardoor ze niet van paarden konden wisselen en af en toe niets te eten hadden. Toen kwamen ze Sartak tegen, die op weg was naar Mongke Khan.
In Sartaks kamp zocht Van Rubroeck eerst de nestoriaanse monnik Coiac op en vroeg hem waar de klerk Gosset en de slaaf Nicolas waren en om teruggave van zijn boeken, gewaden en religieuze voorwerpen. Coiac verklaarde dat hij alles wat Van Rubroeck achter had gelaten in bewaring had gegeven bij zijn vader, die zich in het kamp van Batoe bevond en dat daar ook Gosset en Nicolas te vinden waren.

Van Sartaks kamp reisden ze naar het kamp van Batoe Khan. Daar hoorde hij van Gosset dat zij bijna van honger waren omgekomen omdat niemand zich om hen bekommerd had. Ook vertelde deze dat de nestoriaanse monniken de in beslag genomen misgewaden droegen bij hun bezoeken aan Sartak.
Van de vader van Coiac kreeg Van Rubroeck de meeste van zijn bezittingen terug. Onder de zaken die hij niet terugkreeg bevonden zich de gewaden die de monniken zich hadden toegeëigend en het geïllustreerde psalmboek afkomstig van de Franse koningin. Dat durfde hij niet terug te vragen omdat duidelijk was dat Sartak dat graag wilde houden.
Een maand lang reisden ze met Batoe mee voor ze een gids hadden gevonden die hen naar Syrië zou kunnen brengen. (Van Rubroeck wist niet dat koning Lodewijk IX inmiddels van Syrië naar Frankrijk was teruggekeerd). Begin november vertrok het gezelschap in zuidelijke richting.
Onderweg merkte Van Rubroeck dat hun gids, die boos was omdat hij geen geschenken kreeg, regelmatig een deel verkocht van de levensmiddelen en andere goederen die ze op basis van hun paiza (bevelsplaat) kregen. Bang dat hij hen kwaad zou doen, durfde Van Rubroeck hier niets van te zeggen.

Nadat ze over het met een dikke laag sneeuw bedekte Kaukasus gebergte waren getrokken, volgden ze de Kura rivier in zuidoostelijke richting tot de plaats waar deze met de Aras samenvloeit. Van daar volgden ze de Aras in westelijke richting. Nu kwamen ze in het gebied van de sultan van Turkije en hier hoorden ze dat deze verboden had om voedsel te geven aan Franken of ambassadeurs uit Armenië. Het gevolg was dat ze alleen tegen betaling eten konden kopen. Van de schapen die hun gids daarna af en toe stal weigerde Van Rubroeck te eten. In Ayas stapte Van Rubroeck op de boot en voer via Cyprus en Antiochië naar Tripoli, waar hij op 15 augustus 1255 aankwam. Hier kreeg hij opdracht van de Provinciaal (= hoofd van een aantal kloosters) om in Acra te blijven en Gosset met de brief van Mongke Khan plus wat hij zelf eventueel wilde schrijven naar koning Lodewijk IX te sturen.

In het reisverslag dat Van Rubroeck aan de Franse koning zond heeft hij naast het bovenstaande uitgebreid geschreven over uiterlijk, gewoonten, godsdienst, geschiedenis, politiek en karakter van de Mongolen en andere volken langs de zijderoute. Hij schreef b.v. over geld: de Chinezen gebruiken als geld gestempelde vellen papier met een breedte en hoogte van een handpalm, terwijl bij de Rutheniërs (volk uit de Ukraïne) de huiden van eekhoorns en hermelijnen als geld in gebruik zijn.
Over schrift schreef hij o.a. dat de Chinezen met penselen schreven, zoals schilders dat doen en dat bij hen één figuur de verschillende letters van een heel woord voorstelde. Ook de geografische informatie in zijn reisverslag was heel waardevol. Hij constateerde als eerste westerling dat de Kaspische Zee een binnenzee was en geen verbinding had met de oceaan in het noorden.

Gemaakt: 06-08-05