2621 |
Longobarden (Langobarden) (ca. 100 v. Chr. - 500) |
De Longobarden (eigenlijk: Langobarden) behoorden net als de Ostrogoten, de Visigoten en de Vandalen tot de Oost-Germaanse stammen. Oorspronkelijk bewoonden de Longobarden of Winniler (Vinnili, Vinils) het gebied aan de beneden-Elbe, maar in de 1e eeuw (?) verdreven zij een deel van de Sueven (de latere Alamannen) naar het Zuidwest-Duitsland, het gebied tussen de Rijn en de Donau. |
![]() |
Er bestaan verschillende oude, uit Scandinavië afkomstige verhalen over een volk dat noodgedwongen haar land moet verlaten en haar heil elders moet zoeken. Veelal worden de volken in dit soort verhalen geleid door twee aanvoerder van mythische gestalte. Met behulp van de godin Frigg behaalden ze uiteindelijk een grote overwinning op hun vijanden, wint het volk haar nieuwe naam en kan ze zich in haar nieuwe land vestigen. Het is heel goed mogelijk dat dit soort verhalen over legendarische broederkoppels die een volk naar veiligheid leiden herinneringen zijn aan, of misschien zelfs cultische uitingen van een oude bijna vergeten mythe. Een van die verhalen gaat over hoe de stam der Longobarden z'n naam kreeg. Het zou zich hebben afgespeeld zo rond 500 voor onze jaartelling.
Er bestaan meerdere versies van; één is te vinden in de 'Geste Danorum' (11de eeuw) van Saxo Grammaticus, een andere werd geschreven door de gebroeders Grimm in hun 'Deutsche Sagen' (1816-1818). Zowel Saxo Grammaticus als de gebroeders Grimm gebruikten als bron de 'Historia Longobardus' van Paulus Diaconus (725-795), die zelf ook weer het verhaal uit een nog oudere bron had. |
Onderstaand verhaal is gebaseerd op een sage opgetekend door Paul de Diaken "Waarom heb jij zo'n lange baard, opa? Knip jij hem nooit? Andere mannen hebben wel korte baarden, dat heb ik zelf gezien..." De oude man keek zijn kleinzoon glimlachend aan, en terwijl hij zijn baard streelde antwoordde hij trots: "Mannen van andere stammen knippen soms hun baarden, en sommige mannen dragen zelfs helemaal geen baard. Maar wij Langobarden laten onze baarden vrij groeien, er komt nooit staal of schaar aan te pas." Hij wenkte de jongen naar zich toe, en zei: "Kom hier, ik zal je vertellen hoe dat komt. En dan weet jij waarom wij zo trots op onze baarden zijn... |
![]() |
Lang geleden, voor wij hier woonden, leefde onze stam in het Noorden, in een land dat Scania heette (Waarschijnlijk het huidige Skĺne in Zuid-Zweden). Wij waren een talrijke en machtige stam, maar in die tijden droegen wij een andere naam: wij waren de Vinnili. Nu gebeurde het dat Moeder Nertha (de Scandinavische mythologie kent de godin Erda, en Tacitus vertelt over een godin Nerthus. Deze namen zijn hier samen gevoegd) ons volk niet meer kon voeden, er groeide niet meer genoeg graan voor iedereen en de beesten werden mager. Daarom besloot Gandbera, die de zuster van de koning was, naar het heilige eiland te gaan om raad te vragen. Zij was een zeer wijze vrouw, en bedreven in de toverkunsten. Toen zij terugkwam van het eiland, vertelde zij dat een derde van ons volk naar het zuiden moest gaan, om daar nieuw land te vinden. Haar twee zonen Agilar en Ingwar namen de leiding, en natuurlijk ging Gandbera zelf ook. Het was een lange en moeilijke reis, maar voor de vele jonge krijgers die mee gingen was het een gouden kans om roem en eer te winnen. In tegenstelling tot de Gauten (Goten) (Andere stam van Zuid-Zweden, die langs de kust woonde.), die van de wilde zee hielden, prefereerden zij zich met paard en wagens te verplaatsen. Zij volgden de handelsroutes tot zij in het land der Cimbren (Het huidige Himmerland in Noord-Jutland) aankwamen. Maar ook hier was goede aarde schaars, dus trokken ze verder, steeds verder naar het zuiden. Uiteindelijk kwamen ze aan in het land bij de Elba, waar nu de Saksen wonen. Dit was in de tijd voor Irminwihaz (= Arminius, de leider van de Cherusci) tijdens hun opstand tegen de Romeinen. Hier was genoeg land voor iedereen, en de aarde was vruchtbaar. Een paar jaar lang leefden ze hier in vrede, tot de Vandalen kwamen, een grote stam uit het Oosten. Ze teisterden het hele gebied, en eisten van iedereen goud en graan. Hoewel hun strijdkrachten vele malen groter waren dan de onze, besloot ons volk te vechten en weigerde belasting te betalen. Het is beter vrij te sterven met schild en zwaard in de hand dan aan een andere volk onderworpen te leven! |
![]() |
Eerst brachten Agilar en Ingwar offers aan Wodan om zijn gunst in de komende strijd te verwerven. Maar ook de Vandalen hadden hem om steun gevraagd, en hij was hun beter gezind. Daarom beloofde hij de overwinning aan diegene die hij als eerste zou zien bij zonsopgang. Toen Gandbera dit hoorde, besloot ze de hulp van Frigga te vragen. Terwijl de mannen hun zwaarden slepen en hun schilden in orde brachten, ging zij samen met de andere vrouwen naar het veen waar wij onze goden vereerden. De volgende ochtend was de hele stam klaar voor het gevecht. De mannen stonden met zwaard, speer en bijl gereed. Zij hadden zich opgesteld met de rug naar waar de zon zou opkomen. De grond tussen ons leger en dat van de Vandalen was drassig. Het was koud, slierten mist verhulden onze strijdkrachten zodat de vijand onze aantallen niet goed kon inschatten. Langzaam verrees Sunna boven de horizon, alsof ze uit de nevelen steeg. Op dat moment weerklonk een verschrikkelijk geluid, een ijzingwekkend gehuil gemengd met schrikbarend gegil dat door merg en been ging. Honderden wilde figuren doken op tussen de twee legers, schreeuwend en springend, met speren bewapend. Het leken boze bosgeesten, of erger nog, Wodan's Wilde Heir dat plotseling op het slachtveld verscheen. Het waren gestalten uit een nachtmerrie; waar men gezichten verwachtte te zien zag men alleen haar, haar en twijgen en mos. |
![]() |
![]() |
Aan beide kanten stonden de krijgers verstijfd van schrik. Maar toen Wodan dit zag, vroeg hij met een glimlach: "Wie zijn deze lange baarden?" Daarop antwoordde Frigga: "Dat zijn de Vinnili. Maar nu jij ze een nieuwe naam gegeven hebt, moet je ze ook de overwinning geven!" En Gandbera, die aan het hoofd van de wilde schare stond, wist dat haar volk nog vele roemrijke daden zou verrichten. Sinds die dag noemen wij onszelf de Longobarden." |
Omstreeks 8 v. Chr. bracht koning In 161, tijdens het bewind van Aan het begin van de Marcomannenoorlog (166-167) drongen de Longobarden het Romeinse Rijk binnen. |
![]() |
De Longobarden vestigden zich samen met de Vandalen in het gebied ten noorden daarvan. In het begin van de 4e eeuw verplaatsten de Longobarden zich naar het zuiden. Omstreeks 490 trokken zij naar Moravië laatst bijgewerkt: 30-06-07
|
|