3228 Helvetii (Helvetiërs)
Zwitserland
De Helvetii was een Keltische stam, die woonde in het gebied van het huidige Zwitserland. Ze zijn vooral bekend dankzij de uitvoerige beschrijving die Julius Caesar in zijn De Bello Gallico van hen maakte. En dan vooral dankzij de veldslag die hij tegen hen uitvocht, met als sluitstuk de slag bij Bibracte.  

De Helvetiërs zouden bestaan hebben uit vier kleinere stammen, waarvan Caesar enkel de Verbigeni en de Tigurini bij naam noemde. Er is ook een vermelding van Poseidonios, van de Toygenoi en de Toutonoi, waarvan men vermoedt dat er mogelijk een connectie is met de Westgermaanse Teutonen, die ca. 120 v. Chr. samen met de aan hen verwante Kimbren (Cimbren) uit hun oorspronkelijke woongebieden in Jutland en Sleeswijk Holstein (Himmerland, Noord-Jutland) waren weggetrokken en dwars door Germanië naar de Donau trokken, bij Noreia (de hoofdstad van Noricum de Romeinen en nederlaag toebrachten en tenslotte ca. 110 v. Chr. neerstreken in het zuiden van Germanië en Helvetië. De verwantschap met de Teutonen is echter nooit bewezen. Als dat wel zo zou zijn, waren de Helvetii mogelijk verwant aan de Atuatuci.

De naam Helvetii is in ieder geval niet Germaans van oorsprong: die naam zou namelijk afkomstig van het Etruskische woord ‘eluveitie’. Dit woord werd gevonden als inscriptie op een boot in Mantua en deze zou het eigendom zijn van een Etruskische familie, die afstamde van de Helvetiërs.

De eerste historische vermelding van de stam Helvetii is van de hand van Hekataios van Milet, een Griekse geschiedschrijver die leefde rond 500 v.Chr., dus veel eerder dan de komst van de Teutonen. Hekataios maakte melding van een stam die leefde boven de Romeinse provincie Massilia. Maar of dit wel degelijk de Helvetiërs waren is niet te zeggen.

Poseidonios was de eerste antieke auteur die een duidelijke vermelding van de Helvetiërs maakte en hoewel hij hun leefgebied niet vermeldt, meent men uit zijn beschrijving van de stam als ‘rijk aan goud, maar vreedzaam’, op te maken dat ze leefden in het gebied van het huidige Zwitserland, maar deze hypothese wordt tegenwoordig verworpen door andere aanwijzingen die eerder doen vermoeden dat ze afkomstig waren uit een gebied in Zuid-Duitsland. Deze aanwijzingen zijn afkomstig van Ptolemaios en Tacitus. Zij schrijven dat de Helvetiërs als stam voor 100 v.Chr., nog een gebied bewoonden tussen de Rijn, de Main en de Donau.  

Tegenwoordig denkt men dat de Helvetiërs rond het einde van de 2e eeuw v.Chr. hun gebied in Zuid-Duitsland verlaten hebben, onder druk van de rooftochten die de Cimbri en de Ambronen voerden, waaraan de Tigurini en Toygenoi zouden hebben deelgenomen en vaak in één adem genoemd met de Cimbri. De Tigurini en Toygenoi zouden zich dan omstreeks die tijd (ca. 110 v. Chr.) in het gebied van het tegenwoordige Zwitserland gevestigd hebben.  

Samen met de Kimbren, Teutonen en Ambrones (Ambronen, Amburonen) vielen zij Gallia Ludunensis en Gallia Narbonensis binnen. Onder leiding van Divico versloegen de Tigurini in 107 v.Chr. bij Agendicum de Romeinse consul L. Cassius Longinus. Volgens de overlevering van Caesar zouden de overwonnen soldaten door de Galliërs vernederd zijn, aangezien ze verplicht waren onder toezicht van de triomferende Galliërs, onder een juk door te lopen.

In 103 v. Chr. trokken zij in verbond met de Helvetiërs plunderend op Noord-Italië af, waar zij door de Romeinse troepen afgeslacht. 

Lees verder: Europa (300 - 100 v. Chr.)

Links: Detail van het schilderij "Les Romans passant sous le joug" – "Die Helvetier zwingen die Römer unter dem Joch hindurch" Charles Gleyre, 1858  dat de overwinning verheerlijkt van de Tigurini in 107 v.Chr. in de slag bij Agendicum de  op de Romeinen in 107 v. C. Ekele Romeinse officieren hebben het volgens dit schilderij niet levend afgebracht.

In 105 v.Chr. brachten ze in Zuidoost-Gallië in de slag bij Aurasio (Orange) de Romeinen wellicht hun grootste nederlaag in de geschiedenis. 

In 103 v.Chr. splitste de groep zich op. De Ambrones en Tougenoi gingen richting van de Provence, terwijl de Cimbri en de Tigurini naar Noord-Italië gingen. Marius slaagde er in 102 v.Chr. in om de Ambrones te verslaan en versloeg het jaar daarna bij de slag van Vercellae de Cimbri, waarna de Tigurini zich bij de andere substammen van de Helvetiërs voegden.

Heel veel is bekend over de campagne die Caesar voerde tegen de Helvetiërs, dankzij zijn eigen uitvoerige beschrijving ervan in De Bello Gallico. Rond 58 v.Chr. hadden de Helvetiërs onder leiding van Orgetorix een migratie naar West-Gallië voorbereid met als doel zich in de kuststreek te vestigen en van daaruit hun macht en invloed uit te breiden. Orgetorix had als doel koning te worden van een rijk groter dan het huidige gebied van de stam en daarvoor ging hij al in 61 v.Chr. een verbond aan met Casticus van de Sequani en Dumnorix van de Aedui. Orgetorix stierf nog voor de eigenlijke migratie plaatsvond.

In 58 v.Chr. verlieten de Helvetiërs hun woongebieden en lieten niets heel achter, alles werd verbrand. Ze werden vergezeld van nog een aantal kleinere stammen: de Raucari, de Latobrigi, Tulingi en Boii. In totaal zouden volgens Caesar ongeveer 368.000 personen deelgenomen hebben aan deze migratie. Latere bronnen laten vermoeden dat dit vrij overdreven was en schatten eerder 160.000 personen. Een zo groot aantal zou ook nooit zo snel hebben kunnen reizen als Caesar beschrijft. Er waren twee mogelijke routes die ze konden nemen, de zuidelijke route ging via het gebied van de Allobroges en van daaruit via de Provence richting West-Gallië. De andere route was veel moeilijker en ging door het gebied van de Sequani en de Aedui.

Caesar die al snel lucht gekregen van de op handen zijnde migratie van de Helvetiërs. Hij haastte zich noordwaarts en slaagde erin om net op tijd de bruggen over de Rhône ter hoogte van Genève te vernietigen en zo de Helvetiërs de doorgang te belemmeren. De leiders van de Helvetiërs probeerden vervolgens met Caesar te overleggen. Ze beloofden een vredige en snelle doorgang door de provincie Gallia Narbonensis. Caesar die hier niet in geloofde, en zijn belofte indachtig de Allobroges te beschermen, vroeg enkele dagen tijd om tot een besluit te komen. Die tijd gebruikte hij om in ijltempo zijn troepen te versterken met nieuwe legioenen, zodat hij na afloop van de bedenktijd sterk genoeg was, om de Helvetiërs de doorgang te weigeren.

De Helvetiërs moesten nu de meer noordelijke en moeilijkere route door de territoria van de Sequani en de Aedui nemen, die juist buiten Gallia Narbonensis lagen. Vanwege de vernielzuchtige doortocht van de Helvetiërs door hun gebied riepen de Aedui de hulp van Caesar in. Hij kwam hen ook ter hulp en slaagde erin om een deel van de troepen uit te schakelen bij de overtocht van de stam over de Saône. Dit zou ongeveer een vierde van hun troepen geweest zijn, waarvan het grootste deel Tigurini.

Caesar liet bruggen bouwen, stak zo snel mogelijk de Saône over en achtervolgde de Helvetiërs. Deze stuurden vervolgens enkele vertegenwoordigers, waaronder Divico, die hij noemt als de leider van de Helvetiërs in de oorlog tegen Marius. De Helvetiërs stelden Caesar voor dat ze zich zouden vestigen op een plaats die hij goedkeurde en dreigden met een veldslag als hij zou weigeren. Caesar wilde daar wel mee instemmen, maar eiste teruggave van krijgsgevangenen en herstelbetalingen voor de schade, en daar gingen de Helvetiërs niet mee akkoord.

Er volgde een slag, waarin de Helvetiërs de Aedui overwonnen. Daarna trokken ze weer verder. Caesar kon ze niet onmiddellijk achtervolgen wegens problemen met de bevoorrading en gewonde soldaten die verzorgd moesten worden. Uiteindelijk slaagde hij er enkele dagen later in de Helvetiërs in te halen nabij Bibracte, waar hij een grote veldslag uitvocht waarin de Helvetiërs het onderspit moesten delven. De Helvetiërs trokken zich terug en verloren het grootste deel van hun bagage aan de Romeinen.

Ze trokken zich terug in het gebied van de Lingones. Caesar wachtte om hen te achtervolgen en zond in de plaats daarvan berichtgevers naar de Lingones, om hen te waarschuwen de Helvetiërs geen hulp te verlenen. De Helvetiërs boden vervolgens hun totale overgave aan.

Caesar bood de verslagen stammen aan, terug te keren naar hun oorspronkelijke gebieden en gebood hen hun huizen weer op te bouwen. Ook droeg hij de Allobroges op hen steun te verlenen. Hij gaf hen de status van foederati, dit vooral met als doel de grenzen veilig te stellen tegen de Germanen.

Van de 360000 mensen die aan de migratie waren begonnen, hadden volgens Caesar nu nog maar 110000 de tocht overleefd.

De Helvetii bleven maar korte tijd foederati, aangezien ze in 52 v.Chr. deelnamen aan de opstand van Vercingetorix, waardoor de Romeinen besloten om van het Helvetische gebied een kolonie te maken, genaamd de ‘Colonia Iulia Equestris’, die moest dienen als versterking tegen de Germanen.

Onder de regering van Augustus werd de Romeinse invloed in het Helvetisch gebied nog groter en tegen deze tijd was het grootste deel al geromaniseerd, hoewel de stammen nog steeds een vrij grote graad van culturele eigenheid hadden en niet volledig geromaniseerd waren.

In 68/69 raakten de Helvetiërs betrokken bij de burgeroorlog die uitbrak na de dood van keizer Nero. De Helvetiërs steunden Galba die de keizerstroon had bestegen. Daarmee kwamen ze in conflict met zijn tegenstander Vetellius die vanuit het zuiden van Germanië een aanval op Rome voorbereidde. Dit conflict leidde tot plundering en vernieling van de grootste Helvetische oppida (versterkte heuvelforten) en duizenden werden vermoord of als slaaf weggevoerd. Ook de hoofdplaats Aventicum (Avenches), gesticht door keizer Augustus, werd ingenomen en verwoest en hun leider werd vermoord.

Na 68/69 wordt er nog heel weinig vermelding gemaakt van de Helvetiërs. Men weet wel dat ze uiteindelijk weer eigen autonomie verkregen. Als gevolg van de Germaanse invallen zijn de geromaniseerde Helvetiërs samengesmolten met de invallende volkeren, hoewel er tot op heden nog een duidelijke aanwezigheid is van overblijfselen uit de Helvetische cultuur.  

Aventicum werd herbouwd en kreeg van keizer Vespasianus (69 - 79) de rang van colonia. Aventicum telde tijdens zijn bloeiperiode, de 2e eeuw na Chr., zowat 20.000 inwoners, maar werd in 259 verwoest. Het Romeinse Aventicum was aanzienlijk groter dan het huidige stadje Avenches, dat enkel samenvalt met het vroegere capitool. Het was omgeven door een vestingmuur van 6 km, tot 7 m hoog en voorzien van verdedigingstorens. De sporen van het Romeinse verleden zijn nog goed zichtbaar: er is een goed bewaard amfitheater uit de 1e eeuw, met een capaciteit van ca. 16.000 toeschouwers), ook zijn er resten van een theater en van een tempelcomplex. Boven de ingang van het amfitheater is, in een middeleeuwse toren, een museum ondergebracht, dat een levendige voorstelling biedt van de Romeinse beschaving in Zwitserland.

Gemaakt: 12-02-08

colofon