2850 |
Otho - Vitellius (69) |
![]() |
Na de moorden op Galba, zijn adoptiefzoon Marcus Piso Licinianus en nog vele anderen riep de wanhopige senaat onder de dreiging van het naderende leger van Vitellius Marcus Salvius Otho uit tot keizer van Rome. |
![]() ![]() ![]() ![]() Rechts: Otho |
![]() |
Door een zorgeloos leventje in Rome hadden de troepen echter veel aan gevechtskracht ingeboet. In de Po-vlakte wachtte Vitellius' Rijnleger het oprukkende leger van Vespasianus op. In een beslissende slag (de Tweede slag bij Bediacrum) leidde het leger van Vitellius een verpletterende nederlaag. Vitellius, die in Rome gebleven was, besloot te capituleren. Dat zou een einde maken aan de strijd en bovendien was Vespasianus bereid hem vorstelijk te belonen voor zijn aftreden. Maar de pretorianen, die nu bestaan uit het puik van de Rijnlegioenen, willen van geen wijken weten en dwingen Vitellius om de strijd aan te gaan.
In de achtste maand van zijn regering breken de legers in Moesia, Pannonia, Judaea en Syrië met Vitellius om trouw te zweren aan Vespasianus. Tegen de vijand, die hem nu ter land en ter zee in het nauw drijft, stelt hij enerzijds zijn broer op met een vloot, rekruten en een groep gladiatoren, en anderzijds de troepen en aanvoerders van Bedriacum. Toen hij op alle fronten verslagen of verraden was, bedong hij bij Flavius Sabinus, de broer van Vespasianus, garanties voor zijn persoonlijke veiligheid en een som van honderd miljoen sestertiën. Onmiddellijk daarop maakte hij op de trappen van het paleis ten overstaan van talrijke soldaten bekend dat hij afstand deed van de macht die hij tegen zijn wil had gekregen. Omdat echter allen luid protesteerden, stelde hij zijn beslissing uit. Nadat een nacht was voorbijgegaan, daalde hij bij zonsopgang in rouwkleding af naar het spreekgestoelte en las nu een tekst voor waarin hij hetzelfde verklaarde. Maar toen de soldaten en het volk hem opnieuw in de rede vielen, hem aanspoorden om niet op te geven en hem hun steun beloofden, vatte hij weer moed. |
![]() |
![]() |
Met een verrassingsaanval dreef hij Sabinus en de andere aanhangers van Vespasianus, die niet meer op een offensief bedacht waren, samen op het Capitool en vernietigde hen toen de tempel van Jupiter Optmus Maximus in brand was gestoken.Toen kort daarna een verkenner kwam melden dat de vijand naderde, verborg hij zich in een draagstoel en begaf hij zich incognito naar zijn ouderlijk huis op de Aventijn, met de bedoeling om vandaar naar Campanië te vluchten. Op basis van een vaag gerucht dat er een vredesakkoord bereikt zou zijn, besloot hij echter terug te keren naar het paleis. Toen hij het paleis verlaten aantrof, zocht hij zijn toevlucht in het kamertje van de portier. De voorhoede van het oprukkende leger was inmiddels in het paleis binnengedrongen en doorzocht kamer na kamer. Hij werd door soldaten uit zijn schuilplaats tevoorschijn gesleept. Door de soldaten die hem tenslotte hadden gevonden, werd hij uit zijn schuilplaats gesleept. Omdat ze hem niet herkenden, vroegen ze hem wie hij was en of hij wist waar Vitellius was. Hij misleidde hen met een leugen, maar toen hij later toch werd herkend, vroeg hij de soldaten hem tijdelijk in verzekerde bewaring te stellen, desnoods in een gevangenis, omdat hij iets te vertellen dat dat van belang was voor Vespasianus' veiligheid.
Met de handen op de rug gebonden, een strop om de nek en met gescheurde kleren werd hij halfnaakt naar het Forum gesleept, over de hele lengte van de Via Sacra zwaar gemolesteerd en bespot, zodat hij tenslotte zijn gezicht moest laten zien en het hoofd niet kon laten zakken. Sommigen gooiden hem drek en vuil naar het hoofd; anderen maakten hem uit voor brandstichter en veelvraat of dreven de spot met zijn lichaamsgebreken (hij was namelijk bijzonder lang, zijn gezicht was meestal rood van de drank, had een dikke buik en zijn ene dij was licht misvormd, doordat hij ooit was geraakt door een vierspan toe hij Calligula assisteerde bij het wagenmennen. |
Tenslotte werd hij bij de Trap der Zuchten (Gemoniae) langdurig gemarteld en afgemaakt. Tegen een soldaat die hem bespotte sprak hij zijn laatste woorden: "En toch was ik jouw keizer." Nadat zijn hoofd was afgehakt, werd zijn lichaam met een vleeshaak in de Tiber getrokken. Hij stierf op 20 december 69. De senaat erkende Vespasianus onmiddellijk als de nieuwe keizer.
laatst bijgewerkt: 25-01-06 |