231

Vissen (Pisces)

Gewervelde dieren

Klik hier voor het frame van de pagina

De klasse der Vissen behoren tot de onderstam der Gewervelde dieren

In het Ordovicium (510 - 440 miljoen jaar gelden) verschenen de eerste, toen nog Kaakloze Vissen (Agnatha): primitieve vissen die leefden in zoet water met een ontwikkeld skelet en spieren.

Tijdens het Siluur (440-395 miljoen jaar geleden) ontwikkelden zich uit de Kaakloze Vissen "vissen" met kaken: de Kaakmondigen (Gnathostomata). Uit deze groep ontwikkelden zich de Chondrichtyes (Kraakbeenvissen), bestaande uit twee orden Batoidei (Roggen), waartoe de klasse Selacchii (haaien) behoort en de Holocephali (draakvissen) en de Osteichthyes (Beenvissen). Tezamen worden klassen Pisces (Vissen) genoemd. Zij hoefden hun voedsel niet meer van de bodem te halen. Zij leerden goed te zwemmen en kregen vinnen.

Gewervelden (Vertebrata)

  • Petromyzontiformes (Prikken)
  • Gnathostomata (Kaakdieren)
    • Kraakbeenvissen (Chondrichthyes)
    • Acanthodii (Stekelhaaien)

      Stekelhaaien zijn uitgestorven zoetwatervissen, die leefden vanaf het begin van het  Siluur  tot en met het Perm (ca. 440 tot 250 miljoen jaar geleden). Ze vormen de oudst bekende groep gewervelde dieren met kaken (Gnathostomata).
      Hoewel hun naam anders doet vermoeden, waren Stekelhaaien geen echte haaien. Werden ze vroeger nauw verwant geacht met de Kraakbeenvissen (Chondrichthyes) of de Kaakpantservissen (Placodermi), tegenwoordig beschouwt men ze over het algemeen als zustergroep van de Beenvissen (Osteichthyes), d.w.z. voortgekomen uit dezelfde vooroudergroep.Kenmerkend waren de rijen gepaarde buikvinnen aan weerszijde van het lichaam. Vlak voor iedere vin stond een grote stekel.
      Hun skelet was gemaakt van kraakbeen. Ze werden hooguit 20 centimeter groot en hadden een flexibel, gestroomlijnd lichaam met schubachtige platen. Evenals de Beenvissen èn alle viervoeters (Tetrapoda) hebben ze evenwichtssteentjes (otolieten) in hun binnenoor.

    • Beenvisachtigen (Osteichthyes) (Superklasse)

De meeste Osteichthyes behoren tot de klasse van de Straalvinnigen (Actinopterygii).

  • Straalvinnigen (Actinopterygii) (Klasse)
    Straalvinnigen worden zo genoemd omdat de vissen stralen in hun vinnen bezitten, dit zijn been- of hoornachtige structuren in de vinnen die de huid ondersteunen, in tegenstelling tot de vleesachtige vinnen die karakteristiek zijn voor vissen uit de orde Sarcopterygii. In aantallen zijn de straalvinnigen de dominante klasse van de gewervelden, met bijna 30.000 soorten en ze zijn oververtegenwoordigd in zoet water en zeewateromgevingen, van de diepzee tot de hoogstgelegen bergbeken.
  • Spiervinnigen en viervoeters (Sarcopterygii) (Klasse)
    De zustergroep van de Actinopterygii (straalvinnigen) zijn de Spiervinnigen en Viervoeters (Sarcopterygii ), die zich hebben ontwikkeld uit de Teleostei (Beenvissen)
    In deze groep worden onder meer de Longvissen en de Coelacanthen geplaatst. Volgens de cladistiek behoren tot deze groep ook de op het land levende verwanten. Voorbeelden zijn amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren, die men samenvat onder de term vierpotigen (Tetrapoda). Al deze groepen stammen immers van één gemeenschappelijke voorouder af die behoort tot de Actinopterygii. Uit de Rhipidistia, een onderorde van de Kwastvinnige vissen, die zich hadden gewaagd op het land ontwikkelden zich meer dan 400 miljoen jaar geleden  tijdens het Devoon de oudste Tetrapoden (= viervoeters): de Amfibieën.
    • Kwastvinnigen (Coelacanthinimorpha)
      • Choanata (Longvissen en viervoeters)

       

Laatst bijgewerkt: 31-01-10

colofon