237

Kwastvinnigen (Crossopterygiae)

Gewervelde dieren Vissen Beenvissen (Osteichthyes) Crossopterygiae (Kwastvinnigennatha)
Uit de eerste Beenvissen (Osteichthyes) die in het Siluur ontstonden, ontwikkelden zich in het Devoon (395-350 miljoen jaar geleden) de Kwastvinnige vissen (Crossopterygiae) en de in lichaamsbouw aan hen verwante Pantservissen en Longvissen. Zij maakten hun bloeitijd door van het Devoon tot aan het eind van het Perm. Hogere ontwikkelde soorten verschenen pas in het Krijt.

De Coelancanthidae een familie die behoort tot de Kwastvinnige vissen, leefde van het Devoon tot het Krijt. Deze vis komt nog voor in de zeeën bij Zuid-Oost-Afrika. 

 

Tot 1938 werd gedacht dat deze prehistorische kwastvinnige vissen waren uitgestorven. Maar toen werd er één gevangen en sindsdien hebben mensen af en toe een klein aantal Coelacanthen gezien. Wetenschappers kenden de Coelacanth al voor dat ze er ooit één in het echt zagen. In rotsen van 70 tot 400 miljoen jaar oud werden er namelijk fossielen van deze vis gevonden. Zo ontdekten ze dat de Coelacanth ruim 150 cm. lang kon worden en meer dan 50 kg. kon wegen. De Coelacanth werd aanvankelijk gezien als mogelijke voorouder van alle gewervelde dieren. De Coelacanthen hebben namelijk vreemde gevormde voorvinnen, die wel wat lijken op poten. Misschien was één van deze "potige" vissen het eerste dier met wervels die 350 miljoen jaar geleden tijdens een droge periode uit het water kroop om van plas naar plas te strompelen en hebben de poten zich op den duur uit deze vinnen ontwikkeld. 
De vinnen van de Coelacanth bewegen ook net als poten, alleen niemand had deze vissen ooit over de zeebodem zien kruipen. Recent onderzoek heeft deze Coelacanth-theorie echter aan het wankelen gebracht. Niet de kwastvinnigen, maar de Longvissen blijken het meest verwant te zijn aan de eerste amfibieën. Honderd procent zeker is dat nog niet. Het blijft mogelijk dat zowel Kwastvinnigen als Longvissen een rol hebben gespeeld bij de overgang van zee naar land.
Een suborde van de kwastvinnige vissen is Rhipidistia of Oerkwastvinnigen, die zich hadden ontwikkeld uit de Stekelhaaien, uitgestorven zoetwatervissen, die leefden vanaf het begin van het Siluur tot en met het Perm (ca. 440-250 miljoen jaar geleden). 

Ze vormen de oudst bekende groep gewervelde dieren met kaken (Gnathostomata). Kenmerkend waren de rijen gepaarde buikvinnen aan weerszijde van het lichaam. Vlak voor iedere vin stond een grote stekel. Ze werden hooguit 20 centimeter groot en hadden een flexibel, gestroomlijnd lichaam met schubachtige platen. Hoewel hun naam anders doet vermoeden, waren Stekelhaaien geen echte haaien. Werden ze vroeger nauw verwant geacht met de Kraakbeenvissen (Chondrichthyes) of de Kaakpantservissen (Placodermi), tegenwoordig beschouwt men ze over het algemeen als zustergroep van de Beenvissen (Osteichthyes), d.w.z. voortgekomen uit dezelfde vooroudergroep: de Straalvinnigen. Evenals de Beenvissen èn alle viervoeters (Tetrapoda) hebben ze evenwichtssteentjes (otolieten) in hun binnenoor. Bron: Natuurinformatie - Stekelhaaien

Uit sommige Rhipidistia, die zich hadden gewaagd op het land ontwikkelden zich meer dan 400 miljoen jaar geleden (tijdens het Devoon) de oudste tetrapoden (= vierpotigen): de amfibieën.

laatst bijgewerkt: 21-11-02

colofon