235

Beenvissen (Teleostei)

Gewervelde dieren Vissen Straalvinnigen (Actinoptergiae) Teleostei (Beenvissen)

De Beenvissen (Teleostei) vormen de omvangrijkste groep der vissen, met meer dan 95 % van alle tegenwoordige vissoorten. Zij vormen geen systematische eenheid, misschien zijn zij uit verschillende visgroepen ontwikkeld. De grootste wegen enige honderden kilo's, de kleinste slechts een paar gram. Deze groep vissen ingedeeld in: beentongvisachtigen, tarpon- en aalachtigen, haringachtige beenvissen, meervallen en karperachtigen, zalmachtigen, Diepzeevissen, Rondschubbige vissen, Lantaarnvisachtige Beenvissen, Koningsvisachtigen, Kabeljauwachtige beenvissen, Baardvisachtigen, Stekelvinnigen

De Beenvissen ontwikkelden zich in het Siluur (ca.  440- 409 miljoen jaar geleden) uit de Straalvinnigen (Actinoptergiae). Hun bloeitijd kenden zij in het Carboon en vanaf de Jura. Zij onderscheiden zich van de Kraakbeenvissen door het bezit van een benig skelet. 

Zo'n 100 miljoen jaar geleden ontwikkelde zich de eerste vorm van de huidige beenvissen: de Chalaspis. Deze groep had een gestroomlijnd lichaam met beweegbare vinnen en kaken. Deze groep heeft zich het sterkst ontwikkeld. Er zijn zo'n 30.000 soorten beenvissen bekend, levend in verschillende milieus. Er worden nog steeds nieuwe soorten ontdekt en er sterven ook veel soorten uit.

Bij de Beenvissen is verbening opgetreden. De schedel heeft een boven- en een onderkaak, die meestal beweeglijk met de schedel is verbonden. De tanden kunnen ontbreken, bijv. bij de Karpers, maar kunnen behalve op de kaken ook op vele schedelbeenderen en op de tong voorkomen. 
Bij de Karpers vindt men keeltanden. De Haaien en Roggen hebben placoïdtanden op de kaken, die de bouw hebben van een tand op de placoïdschubben. De tanden kunnen zijn: klein, raspvormig, platte maaltanden of grote hondstanden. Achter de tongbeenboog volgen de kieuwbogen, die de kieuwen dragen en aan de voorzijde kieuwboogstekels hebben, die bij de planktoneters een zeefapparaat vormen. Bij de Beenvissen is een kieuwdeksel over de kieuwholte, bij de Haaien en Roggen mondt elke kieuw door een opening naar buiten. Bij sommige groepen, bijv. Labyrinthvissen en Slijkspringers, zijn de kieuwen matig ontwikkeld. De functie van ademhalingsorgaan is dan overgegaan op de huid van de mond- en keelholte.

De maag en de slokdarm zijn soms moeilijk te onderscheiden. De middendarm heeft bij de primitieve vormen spiraalplooien. Achter de maag liggen vaak wormvormige aanhangsels. Bij sommige soorten ontbreekt de zwemblaas. Het hart bestaat uit één kamer en één boezem. Uit het hart loopt een slagader naar voren, met vertakkingen o.a. naar de kieuwen. De nieren liggen tegen de onderzijde van de wervelkolom. 
De urineleiders monden óf in een cloaca ó in een afzonderlijke opening achter de anus uiy. De huis is in het algemeen bedekt met schubben.
De voortbeweging geschiedt in het algemeen door golfvormige bewegingen van het lichaam. Bij langzame bewegingen kunnen ook de vinnen een rol spelen.

Meestal leggen beenvissen eieren. Een aantal soorten, w.o. de haaien en roggen, zijn levendbarend. De eieren (kuit) worden op de bodem, op planten of vrij in het water afgezet en dan dor het mannetje met het homvocht bevrucht. Bij de levendbarende vissen heeft een inwendige bevruchting plaats, Uit de eieren komen larven, die vaak in vorm van de volwassen dieren afwijken en een gedaanteverwisseling (metamorfose) doormaken, bijv. de larve van de paling. Bij vele soorten vissen komt een vorm van broedzorg voor (o.a. de Cichliden).

Klasse Osteichthyes (Beenvissen)
subklasse Actinopterygii (straalvinnige vissen)
orde Chondrostei (kraakbeensteuren)
orde Holostei (beensteuren)
orde Telostei (echte beenvissen)
subklasse Sarcopterygii (vleesvinnige vissen)
orde Dipnoi (longvissen)
orde Kwastvinnigen (Crossopterygae)
orde Osteoleptiformes
De Lionfish (links) behoort tot de subklasse der Straalvinnige vissen.

Laatst bijgewerkt: 06-12-06

colofon